Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 19/2509 uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juli 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [Verzoeker], verzoeker, [Verzoekster 1], verzoekster 1, [Verzoekster 2], verzoekster 2, [Verzoekster 3], verzoekster 3, [Verzoekster 4], verzoekster 4, en [Verzoekster 5], verzoekster 5, verzoeksters tezamen: [verzoeksters], gemachtigde: mr. G.P. Roth, en Stichting Autoriteit Financiële Markten, verweerster (AFM), gemachtigden: mr. A.J. Boorsma en mr. A.J. de Heer. Procesverloop Bij besluit van 6 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft de AFM aan [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 8.8 van de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc) en hem medegedeeld dat zij dit besluit twee weken na de bekendmaking daarvan openbaar zal maken. [verzoeker] en [verzoeksters] hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Voorts hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van de openbaarmaking van het bestreden besluit. Het onderzoek ter zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 28 juni 2019. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam]. De AFM is ter zitting vertegenwoordigd door haar gemachtigden, vergezeld door mr. drs. R.A.G. de Valk. Overwegingen 1.1. [ verzoeker] is enig certificaathouder van Stichting [naam] en enig aandeelhouder van [verzoekster 2]. Stichting [naam] is enig aandeelhouder van [naam holding]. Deze holding is enig aandeelhouder van [verzoekster 1]. [Verzoekster 1] is enig statutair bestuurder en aandeelhouder van [verzoekster 3] en [verzoekster 5], alsmede enig aandeelhouder van [naam vennootschap]. Tot [datum] was [verzoekster 1] enig bestuurder en aandeelhouder van [verzoekster 4]. Sinds die datum is [verzoekster 2] enig aandeelhouder van [verzoekster 4]. [verzoeker] is enig bestuurder van alle voornoemde rechtspersonen. 1.2. [ verzoeksters] heeft beleggers de mogelijkheid geboden met de koop van zogeheten [effecten] deel te nemen in haar obligatiefondsen. De [effecten] zijn aangeboden via de website van [verzoekster 1] en achtereenvolgens uitgegeven door [verzoekster 3, 4 en 5]. Volgens de website neemt men door de aankoop van [effecten] deel in [verzoeksters] en investeert [verzoeksters] in [investeringsobjecten]. [verzoekster 1] wordt gepresenteerd als beheerder van [verzoekster 3 en 5], [verzoekster 2] als beheerder van [verzoekster 4]. De looptijd van de [effecten] is nog niet verstreken. Deze looptijd is bij [verzoekster 3] maximaal 20 jaar en bij [verzoekster 4 en 5] maximaal 10 jaar. 1.3. Naar aanleiding van een aantal informatieverzoeken van de AFM heeft [verzoeker] onder meer het aanbiedingsmateriaal van voornoemde drie aanbiedingen van effecten en de nieuwsbrieven die aan de houders van de [effecten] ([effectenhouders]) gedurende de looptijd zijn verzonden, verstrekt. Het aanbiedingsmateriaal bestaat bij [verzoekster 3, 4 en 5] uit een brochure en een Informatie Memorandum (IM) waarin informatie is opgenomen over onder meer het desbetreffende fonds, de groep van [verzoeksters] en de (wijze van) investering. Als bijlage bij het IM zijn de voorwaarden van de [effecten] opgenomen. De voorwaarden per [effect] zijn bij alle obligatieovereenkomsten en voor alle [effectenhouders] gelijk. Verder heeft [verzoeker] aan de AFM informatie verstrekt over de aangetrokken financiering, de besteding van gelden, de opbrengsten van de investering en de wijze van investering. 1.4. Op grond van de ontvangen informatie heeft de AFM geconcludeerd dat [verzoeksters] essentiële informatie achterhoudt die de gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen dat hij anders niet had genomen. Hierbij gaat het onder meer om informatie over de feitelijke besteding van de ontvangen gelden uit de [effecten], de wijze waarop de investering in [de investeringsobjecten] wordt uitgevoerd en de gevolgen van (de hoogte van) de aangetrokken financiering. [verzoeksters] overtreedt volgens de AFM gelet hierop artikel 8.8 van de Whc, gelezen in samenhang met de artikelen 6:193b, derde lid, aanhef en onder a, en 6:193d, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens de AFM kan [verzoeker] als medepleger van deze overtreding worden aangemerkt. 1.5. Bij brief van 7 januari 2019 heeft de AFM aan [verzoeker] haar voornemen kenbaar gemaakt hem op grond van artikel 3.4, tweede lid, aanhef en onder c, en achtste lid, van de Whc een last onder dwangsom op te leggen, ertoe strekkende dat [verzoeker] ervoor zorg draagt dat [verzoeksters] alle in dit voornemen beschreven essentiële informatie alsnog verstrekt aan consumenten. In diezelfde brief heeft de AFM haar voornemen kenbaar gemaakt tot openbaarmaking van het eventueel te nemen dwangsombesluit op grond van artikel 3.4a, eerste tot en met derde lid, van de Whc. 1.6. [ verzoeker] heeft zijn schriftelijke en mondelinge zienswijze op dit voornemen gegeven en ervoor gezorgd dat [verzoeksters] nadere informatie aan consumenten heeft verstrekt. Deze informatie bestaat onder meer uit een document genaamd “[naam]”, gedateerd [datum], en drie documenten genaamd “[naam]” en de toevoeging “[toevoeging 1]”, “[toevoeging 2]” of “[toevoeging 3]”. 2. Volgens de AFM houdt [verzoeksters] nog steeds essentiële informatie achter en handelt zij dus nog steeds in strijd met artikel 8.8 van de Whc, gelezen in samenhang met de artikelen 6:193b, derde lid, aanhef en onder a, en 6:193d, eerste en tweede lid, van het BW. Om die reden heeft de AFM [verzoeker] als gestelde medepleger van deze gestelde overtreding bij het bestreden besluit op straffe van verbeurte van een dwangsom gelast deze overtreding binnen tien werkdagen te staken door aan consumenten de in dit besluit beschreven informatie over de aangetrokken financiering, de besteding van gelden en de wijze van investeren volledig, begrijpelijk en ondubbelzinnig schriftelijk te verstrekken en via de [verzoeksters]-website aan een ieder ter beschikking te stellen. Daaraan heeft de AFM op grond van artikel 3.4, achtste lid, van de Whc een aantal voorschriften verbonden. Een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [verzoeker] na afloop van de begunstigingstermijn niet aan de last voldoet, met een maximum van € 50.000,-. Daarbij heeft de AFM meegedeeld dat de openbaarmaking van het bestreden besluit twee weken na de bekendmaking daarvan zal plaatsvinden door publicatie van dit het besluit op de website van de AFM en in een persbericht en, als dit naar het oordeel van de AFM wenselijk is, publicatie van dit persbericht in één of meerdere landelijke en/of regionale dagbladen. Ook wordt op dat moment een bericht over de last onder dwangsom met voorschriften opgenomen in de periodieke AFM-nieuwsbrieven en wordt mogelijk een bericht op social media geplaatst. Dit bericht zal bestaan uit de kop van het persbericht en een link naar het persbericht op de website van de AFM. In het openbaar te maken besluit worden eventuele vertrouwelijke gegevens verwijderd. 3. [ verzoeker] en [verzoeksters] betogen dat [verzoeker] niet kan worden aangemerkt als medepleger van de vermeende overtreding. 3.1. Uit vaste jurisprudentie, bijvoorbeeld de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 20 juli 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:315) en 21 september 2017 (ECLI:NL:CBB:2017:312), volgt dat ter beantwoording van de vraag of [verzoeker] als medepleger kan worden aangemerkt, gelet op vaste rechtspraak van de Hoge Raad (onder meer de arresten van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, en 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716), dient te worden vastgesteld of de AFM (buiten redelijke twijfel) heeft aangetoond dat zo bewust en nauw is samengewerkt tussen [verzoeksters] en [verzoeker] dat van medeplegen mag worden gesproken, in het bijzonder dat de bijdrage van [verzoeker] aan de vermeende overtreding door [verzoeksters] van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke handelingen heeft verricht. Zoals volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 28 februari 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AU9096) kunnen (rechts)personen die geen normadressaat zijn ook als medepleger worden aangemerkt. Dat een last onder dwangsom geen punitieve sanctie is en de openbaarmaking daarvan evenmin, laat mede gelet op de mogelijk verstrekkende gevolgen van openbaarmaking voor de gestelde overtreder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.