Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/960060-18 Parketnummer vordering TUL VV: 22/004071-16 Datum uitspraak: 22 oktober 2019 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte 1] , geboren te [geboorteplaats verdachte] (Irak) op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Vught, gemachtigd raadsman mr. S. Weening, advocaat te Maastricht. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 8 oktober 2019. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. M.G. Vreugdenhil heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar met aftrek van voorarrest; tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 22/004071-16. Ontvankelijkheid officier van justitie Standpunt verdediging De raadsman heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging voor het onder 1 ten laste gelegde wat betreft de periode van 1 augustus 2015 tot 9 oktober 2015 wegens schending van het in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) geformuleerde beginsel van ‘ne bis in idem’. Daartoe is -kort samengevat- het volgende aangevoerd. Het dossier is in de onderhavige zaak voor een groot deel gebaseerd op chatgesprekken uit het onderzoek [naam onderzoek 1] uit 2015. Deze chatgesprekken lagen ten grondslag aan de veroordeling van de verdachte door het gerechtshof Den Haag van 2 oktober 2017, al is dat niet uit het arrest zelf op te maken nu het gerechtshof de bewijsmiddelen niet heeft uitgewerkt. Door voornoemde chatgesprekken opnieuw als bewijs aan te wenden voor de onderhavige strafrechtelijke vervolging voor deelname aan een terroristische organisatie, vervolgt de officier van justitie in strijd met het ne bis in idem-beginsel voor dezelfde gedragingen als waarvoor de verdachte reeds onherroepelijk is veroordeeld. Subsidiair -indien de rechtbank mocht oordelen dat er geen sprake is van strijd met het “ne bis in idem-beginsel”- is voornoemde handelswijze in strijd met de beginselen van een goede procesorde en dient de vervolging om die reden te stranden. Beoordeling Artikel 68, eerste lid, Sr bepaalt dat niemand andermaal kan worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter in Nederland is beslist. Of sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr moet op grond van vaste rechtspraak worden beoordeeld naar enerzijds de juridische aard van de feiten en anderzijds de aard van de gedraging van de verdachte, zulks tegen de achtergrond van het door artikel 68 Sr beschermde belang, namelijk verhinderen dat een verdachte opnieuw wordt bestraft voor dezelfde verwijtbare gedraging. De verdachte is eerder, in 2017, veroordeeld voor voorbereiding van misdrijven met een terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 96 Sr in de periode van 30 juli 2015 tot en met 9 oktober 2015. Nu wordt hem deelname aan een terroristische organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr verweten in de periode van 1 augustus 2015 tot en met 26 februari 2018. Naar het oordeel van de rechtbank verschilt het feit dat nu aan de verdachte ten laste is gelegd naar zijn aard van het feit waarvoor hij eerder is veroordeeld. Bij het thans ten laste gelegde feit ligt de nadruk op de deelname aan een samenwerkingsverband, terwijl het feit waarvoor hij eerder is veroordeeld in het bijzonder ziet op de voorbereidingshandelingen. De rechtbank heeft hierbij bovendien acht geslagen op het gegeven dat het gerechtshof geen medeplegen bewezen heeft verklaard. Met betrekking tot de (feitelijke) gedragingen in geding geldt dat de officier van justitie heeft gesteld en de raadsman niet heeft betwist, dat voorzover het huidig tenlastegelegde gebaseerd is op chatgespreken uit 2015, die chatgesprekken geen onderdeel uitmaakten van het strafdossier dat heeft geleid tot de veroordeling door het hof Den Haag. In zoverre zijn de gedragingen die de verdachte thans worden verweten ook daadwerkelijk andere gedragingen dan die waarvoor hij reeds is veroordeeld. Op grond van het voorgaande is er geen sprake van ‘hetzelfde’ feit in de zin van het ‘ne bis in idem-beginsel’. Nu voor de door de verdediging subsidiair gestelde strijd met de beginselen van een goede procesorde in essentie geen andere gronden naar voren zijn gebracht dan dat chatgesprekken uit een eerder strafrechtelijk onderzoek opnieuw als bewijsmiddel jegens de verdachte zouden worden gebruikt, mist het verweer feitelijke grondslag. Conclusie Het verweer van de raadsman wordt verworpen. De officier van justitie is ontvankelijk. Waardering van het bewijs feit 1 Standpunt verdediging De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken voor de onder 1 tenlastegelegde deelname aan een terroristische organisatie. Daartoe is - kort samengevat - aangevoerd dat er geen sprake was van een organisatie. Gelet op de sporadische contacten die de verdachte had met de andere personen was er geen sprake van de duurzaamheid en structuur die vereist is om te kunnen spreken van een organisatie in de zin van artikel 140a Sr. Subsidiair -indien de rechtbank oordeelt dat er wel degelijk sprake was van een organisatie in de zin van artikel 140a Sr- dan bestond die organisatie enkel tussen de in Afrika wonende medeverdachten en was cliënt geen deelnemer aan die organisatie. Beoordeling Terroristische organisatie Van een terroristische organisatie is sprake indien een organisatie beoogt misdrijven met een terroristisch oogmerk te plegen. Onder terroristisch oogmerk wordt ingevolge artikel 83a Sr verstaan het oogmerk om (een deel van) de bevolking ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen. Islamitische Staat (IS), voorheen Islamic State of Iraq and Shaam (ISIS) en Islamic State of Iraq and Levant (ISIL) genoemd, wordt aangemerkt als een (verboden) terroristische organisatie. Deelname aan IS moet dan ook worden beschouwd als deelname aan een terroristische organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr. Deelneming aan een terroristische organisatie Van deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie is sprake, indien een betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten. Het is voldoende dat een verdachte in zijn algemeenheid - in de zin van onvoorwaardelijk opzet - weet dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat de verdachte enige vorm van opzet heeft op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven. Wetenschap van een of meer concrete misdrijven is niet vereist. Evenmin is vereist dat de betrokkene zelf heeft meegedaan of meedoet aan de misdrijven die door andere leden zijn respectievelijk worden gepleegd, terwijl de verdachte niet met alle leden van de organisatie contact behoeft te hebben of zelfs maar te weten wie daarvan deel uit maken. Gebeurtenissen Zuid-Afrika De rechtbank gaat voor de beoordeling van de bewijsvraag uit van het volgende. Op 10 februari 2018 is het Brits-Zuid-Afrikaanse echtpaar [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] ontvoerd in de omgeving van de plaats Vryheid in Zuid-Afrika. Zij zijn diezelfde dag om het leven gebracht. In de dagen na de moord is van de bankrekening van de slachtoffers contant geld opgenomen en zijn met de betaalpas van [naam slachtoffer 2] goederen gekocht. Onderzoek door de Zuid-Afrikaanse politie heeft uiteindelijk geleid naar de verdachten [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en Musa. Na de aanhouding van deze verdachten worden tijdens de doorzoeking van de woning en tuin van [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] goederen van het echtpaar [naam slachtoffers] aangetroffen, alsmede luchtgeweren, een gasgeweer en IS-vlaggen. Uit onderzoek naar de telecomgegevens van de telefoons van de verdachten blijkt dat [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] onderling contact hebben gehad over het echtpaar, dat zij hebben aangeduid als hun “doelwit”. Start onderzoek [naam onderzoek 2] Het strafrechtelijk onderzoek “ [naam onderzoek 2] ” is gestart op basis van een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst (AIVD) van 22 februari 2018 met onderstaande inhoud: In het kader van de uitvoering van zijn wettelijke taak beschikt de AIVD over de volgende betrouwbare informatie betreffende [naam verdachte 1] , geboren [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] , Irak. Op 15 februari 2018 werden de Zuid Afrikaanse [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] gearresteerd na de ontvoering van twee personen in Zuid Afrika en vervolgens aangeklaagd in verband met een terrorisme gerelateerd misdrijf. De Nederlandse [naam verdachte 1] , [geboortedatum verdachte] , is een contact van [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] . [naam verdachte 1] is mogelijk op de hoogte van dan wel betrokken bij deze ontvoering. Waarschijnlijk is [naam verdachte 1] betrokken bij de financiële afhandeling van de ontvoering. [naam verdachte 1] heeft ervaring met bitcointransacties. De verdachte wordt naar aanleiding van bovenstaand bericht op 26 februari 2018 aangehouden in zijn woonplaats Maastricht. Tegelijkertijd wordt in Somaliland [naam medeverdachte 3] (hierna: [naam medeverdachte 3] ) als verdachte aangehouden in verband met de ontvoering. In de daaropvolgende periode vindt uitgebreid onderzoek plaats naar de gegevensdragers van de verdachte. De Nederlandse politie krijgt (uiteindelijk) eveneens de beschikking over het digitaal beslag uit Zuid-Afrika en via de FBI over het digitaal beslag uit Somaliland. Uit onderzoek aan diverse gegevensdragers blijkt van een handelswijze van een groep personen -waaronder de verdachte- die op een of andere manier betrokkenheid hebben gehad bij de ontvoering en moord op het echtpaar [naam slachtoffers] . [naam medeverdachte 3] blijkt daarin de spil te zijn, die contact heeft met zowel de [naam medeverdachte 1] als de verdachte. Er is geen bewijs dat de verdachte in deze periode rechtstreeks contact heeft met [naam medeverdachte 1] of [naam medeverdachte 2] . Naar aanleiding van voornoemde onderzoeksbevindingen worden de onderzoeksgegevens uit het digitaal beslag genaamd “ [naam onderzoek 1] ” opnieuw geanalyseerd. Hieruit blijkt dat de verdachte wel al eerder, te weten in een periode gedurende een aantal maanden voorafgaand aan zijn detentie in 2015, niet alleen contact had met [naam medeverdachte 3] , maar ook met voornoemde [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 1] . Onderzoek [naam onderzoek 1] Uit het onderzoek [naam onderzoek 1] blijkt, wat betreft de periode van 1 augustus 2015 (aanvang van de ten laste gelegde periode) tot en met 9 oktober 2015 (de datum van de aanhouding van de verdachte in de zaak [naam onderzoek 1] ) onder meer het volgende: In augustus en september 2015 brengt de verdachte diverse mensen die naar het kalifaat willen in contact met accounts die aan [naam medeverdachte 3] zijn toe te schrijven. Op 21 en 22 augustus 2015 chat de verdachte met een man in Sudan. Laatstgenoemde zit nog steeds op [naam medeverdachte 3] te wachten en de Sudanese man zegt tegen de verdachte dat hij contact met hem heeft opgenomen “because it is you who bonded us”. Later koppelt de verdachte aan de Sudanese man terug dat hij opnieuw contact moet opnemen met [naam medeverdachte 3] , zodat het geregeld kan worden. Op 23 augustus 2015 heeft de verdachte een gesprek met [naam medeverdachte 3] via Telegram waarin [naam medeverdachte 3] zegt dat hij de Rwandese man en twee vrienden van hem heeft geholpen en dat hij ze volgende maand meeneemt. Op 28 september 2015 heeft de verdachte contact met [naam medeverdachte 1] . Hij vertelt hem dat hij contact moet opnemen met [naam medeverdachte 3] , zodat die hem kan helpen om via Sudan naar Libië te komen. [naam medeverdachte 3] kan ook een visum regelen. Op 6 oktober 2015 heeft de verdachte contact met [naam medeverdachte 2] en bespreekt hij met haar dat hij gegevens van zijn vrouw naar [naam medeverdachte 3] heeft gestuurd, zodat hij voor haar een visum kon maken voor Libië. Op 10 oktober 2015 bespreekt de verdachte met zijn vrouw dat hij samen met [naam medeverdachte 3] meer dan 20 personen heeft geholpen om Libië te bereiken. Vanaf 10 augustus 2015 neemt de verdachte deel aan een Telegram-chatgroep onder de naam [naam chatgroep] (Hierna: [naam chatgroep] ). In deze chatgroep worden pro-IS berichten gewisseld. Een chat waaraan de verdachte onder de naam [schuilnaam] deelneemt gaat over een aanslag in Sadr City (Bagdad), waarbij meer dan 60 doden zijn gevallen. De verdachte verheugd zich over deze aanslag: “Ahhhh the explosions in Baghad was in sadr city that killed 60+ that's like jackpot alhamdulliiah”. Onderzoek [naam onderzoek 2] Uit het onderzoek [naam onderzoek 2] blijkt, wat betreft de periode van 18 oktober 2017 (zijnde de dag waarop de detentie van de verdachte is geëindigd) tot 25 februari 2018 (de aanhouding van de verdachte in onderzoek [naam onderzoek 2] ), het volgende: Op 25 november 2017 opent de verdachte een Coinbase-account. Op 14 december 2017 zoekt de verdachte naar Bittrex, een platform voor het handelen in virtuele valuta. Van 31 december 2017 tot en met 25 februari 2018 bezoekt hij meerdere platforms voor virtuele valuta. Op 5 januari 2018 zoekt de verdachte naar “crypto Somalia”. Op 9 januari 2018 zoekt hij naar “coins exchange somalia”. Op 10 januari 2018 heeft de verdachte contact met [naam 1] , een Keniaanse bitcoinverkoper. Er vindt een transactie plaats van 340 USD (verkoop bitcoins). Op 27 januari 2018 neemt [naam medeverdachte 3] contact op met de vendor over deze transactie omdat het geld nog niet is aangekomen. Er vinden diverse bitcointransacties plaats begin 2018, onder meer via Local Bitcoins. Uit de gegevensdragers van [naam medeverdachte 3] blijkt dat de groep bezig is met het verzamelen van geld voor een project, gericht op het opzetten van een kamp voor strijders en het kopen van wapens. Op 5 januari 2018 laat [naam medeverdachte 3] aan een derde persoon weten dat zowel de verdachte als “ [bijnaam medeverdachte 2] ” met hem zijn. De verdachte noemt [naam medeverdachte 2] “ [bijnaam medeverdachte 2] ” (zie de bewijsmiddelen 3. en 4. over de uitleg van de bijnamen). Op 25 februari 2018 laat [naam medeverdachte 3] opnieuw aan een derde persoon weten dat het werk aan de cryptocurrency de taak van de verdachte is. Op die dag hebben de verdachte en [naam medeverdachte 3] ook een gesprek over wapens: over niet traceerbare pistolen, raketten, drones en een manpad (draagbare luchtafweerraketten). [naam medeverdachte 3] heeft begin februari 2018 veelvuldig contact met [naam medeverdachte 1] . Ze bespreken onder andere hoe ze zoveel mogelijk geld buit kunnen maken door middel van overvallen. Op 9 februari 2018 bericht [naam medeverdachte 3] dat hij goed nieuws heeft. Hij heeft vijf broeders in Kenia gevonden. Hij wil in Kenia ook een programma starten en ook twee broeders naar [naam medeverdachte 1] sturen. [naam medeverdachte 1] wil dit graag omdat hij iedere dag mogelijkheden ziet. Voor nu doet hij ‘klein werk’ en hij wacht op een groot doelwit. Op 10 februari 2018 vanaf 04.12 uur bespreken ze dat als de broeders uit Kenia zoiets als een ontvoering doen dat het dan erg belangrijk is dat het slachtoffer nooit gevonden wordt zodat het een zaak wordt van een vermist persoon. Zolang de indruk bestaat dat er geen misdrijf gepleegd is zal de bank de beveiliging niet wijzigen. Ze spreken over een ontvoering waar mogelijk een broeder bij betrokken is die van [naam medeverdachte 3] plannen heeft gekregen net als [naam medeverdachte 1] . [naam medeverdachte 1] zegt dat ze vanavond op jacht zullen gaan. Eveneens op 10 februari 2018 stuurt [naam medeverdachte 1] een chatbericht naar [naam medeverdachte 3] dat ze een grote prooi hebben, met veel spullen en bankpassen. Vervolgens bespreken zij hoe zij het geld overgemaakt krijgen naar [naam medeverdachte 3] . [naam medeverdachte 1] heeft het over Western Union, juwelen kopen met de creditcards en dan weer verkopen voor cash en contant geld opnemen. Op de mededeling van [naam medeverdachte 1] dat hij bijna 85.000 dollar heeft, reageert [naam medeverdachte 3] dat dat genoeg is om hun projecten te starten en dat als het allemaal lukt, zij geschiedenis schrijven. Op 12 februari 2018 stuurt [naam medeverdachte 3] twee afbeeldingen naar de verdachte. Het zijn afbeeldingen van de ID-kaarten van [naam slachtoffer 2] en [naam slachtoffer 1] . Een dag later maakt de verdachte op naam van [naam slachtoffer 2] een xCoins bitcoin account aan. xCoin is een bitcoin exchange website, waarmee onmiddellijk bitcoins kunnen worden aangekocht door middel van credit cards of paypal accounts. Op 12 en 13 februari 2018 initieert de verdachte transacties via localbitcoins.com met een Spaanstalig account in Guatemala. Hij vraagt aan [naam medeverdachte 3] op enig moment: “Any payments yet?” Vervolgens stuurt hij gegevens en een telefoonnummer door aan [naam medeverdachte 3] van een man in Guatemala. Uit een WhatsApp-gesprek op de telefoon van [naam medeverdachte 3] blijkt dat hij op 13 februari 2018 contact heeft gehad met dit telefoonnummer. Hij schrijft dat hij de partner is van de “jongen uit Nederland”, dat hij in Afrika zit en dat ze 8 bitcoins nodig hebben. De man in Guatemala schrijft vervolgens dat hij op de betaling wacht. Ze bespreken vervolgens andere mogelijkheden om geld naar Guatemala over te maken. Op de laptop van de verdachte zijn berichten aangetroffen van diezelfde dag, die afkomstig zijn van een Guatemalaanse verkoper die vraagt om “proof of payment”. Op 13 februari 2018 maakt de verdachte een Paypal-account aan op naam van [naam slachtoffer 2] met de gegevens van haar VISA pinpas. Dezelfde dag probeert hij een bedrag van 127,19 USD over te maken naar het door hem voor dit doel aangemaakte email-adres [emailadres] , maar dat mislukt. Van deze transactiepoging is een screenshot gemaakt en dit screenshot is aangetroffen op de telefoon van [naam medeverdachte 3] . Op 13 februari 2018 maakt de verdache een LocalBitcoinsaccount aan. Op 14 februari 2018 wordt er vanuit Zuid-Afrika ook een LocalBitcoins-account aangemaakt met de identiteit van [naam slachtoffer 2] . De verdachte zoekt op 14 februari 2018 ook naar bitcoinhandelaren die in staat zijn om 2.000 USD aan Bitcoin te verkopen, die actief zijn in Nederland en die creditcards accepteren. Op 14 februari stuurt de verdachte zijn eigen bitcoinadres aan [naam medeverdachte 3] . Op 14 en 15 februari 2018 worden er vanuit Zuid-Afrika meerdere Simplex cryptocurrency-accounts aangemaakt en worden er drie succesvolle aankopen gedaan met de credit card van [naam slachtoffer 2] . Bij deze aankopen wordt onder meer gebruik gemaakt van een IP-adres in Zuid-Afrika, dat ook kan worden gelinkt aan het xCoins-account van de verdachte. Op 19 februari 2018 zegt [naam medeverdachte 3] tegen een derde dat er al een succesvolle operatie is uitgevoerd en dat het oprichten van een kalifaat zijn prioriteit is. Op 25 februari 2018 hebben de verdachte en [naam medeverdachte 3] een gesprek over het kopen van drones. De verdachte wil dat [naam medeverdachte 3] drones koopt van het geld dat de verdachte hem gaat sturen. De verdachte vertelt ook dat hij op zoek gaat naar blauwdrukken van wapens, raketten, drones en een manpad. Ook bespreken zij mogelijkheden om het geld via allerlei cryptocurrencytransacties over te maken, waarbij het heel belangrijk is dat alle sporen worden gewist. Conclusie De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot het oordeel dat de verdachte door het verrichten van voornoemde handelingen feitelijk een bijdrage heeft geleverd en derhalve heeft deelgenomen aan een terroristische organisatie. Deze organisatie bestond naast de verdachte in ieder geval uit de voornoemde [naam medeverdachte 3] , [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] . Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte reeds voorafgaand aan zijn detentie in oktober 2015 -kort gezegd- contact heeft gehad met voornoemde personen, aan meerdere jihadistisch getinte telegramgroepen heeft deelgenomen en daarop propaganda heeft verspreid en personen heeft geholpen om uit te reizen naar het kalifaat. Onmiddellijk na zijn detentie in oktober 2017 heeft de verdachte zich verdiept in cryptocurrency en is hij samen met voornoemde personen bezig geweest om geld in te zamelen voor een op te richten trainingskamp en kalifaat, waarbij hij onder meer gebruik heeft gemaakt van de persoonsgegevens van de door zijn mededaders ontvoerde en vermoorde [naam slachtoffer 2] . Binnen het georganiseerde verband is sprake van een duidelijke taakverdeling. [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] hebben tot taak het binnen brengen van geld door het ontvoeren, vermoorden en beroven van rijke slachtoffers, de verdachte is belast met cryptocurrency om het aldus gestolen geld te verplaatsten, [naam medeverdachte 3] is de spil en heeft plannen om een trainingskamp op te zetten in Somaliland. Dat de verdachte in de periode januari/februari 2018 geen contact heeft gehad met [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] doet hieraan niet af. In gezamenlijkheid hebben zij plannen gemaakt voor het opzetten van een trainingskamp in Somaliland en daarvoor de voorbereidingen getroffen, waarbij de verdachte met [naam medeverdachte 3] heeft gesproken over de aanschaf van raketten, wapens en drones. Dat trainingskamp maar ook de ontvoeringen waarover [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 1] spraken hebben geen ander doel gehad dan het voorbereiden van het plegen van terroristische aanslagen, hetgeen zelfstandige terroristische misdrijven oplevert. Het onder 1 tenlastegelegde kan derhalve wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, in zoverre dat de verdachte met genoemde personen een aan IS gelieerde organisatie heeft gevormd met het oogmerk om terroristische misdrijven voor te bereiden. Waardering van het bewijs feiten 2 en 3 De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de onder 2 en 3 ten laste gelegde poging tot diefstal met valse sleutel en poging tot oplichting. De verklaring van de verdachte dat hij slechts in opdracht van [naam medeverdachte 3] handelde en niet wist dat het ging om diefstal en oplichting wordt als ongeloofwaardig terzijde geschoven. De verdachte wist, gezien de hiervoor geschetste omstandigheden, dat zijn handelen een strafbaar karakter had. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij in de periode 1 augustus 2015 tot en met 26 februari 2018 te Maastricht, en/of Libië en/of Somalië(land) en/of Zuid-Afrika, heeft deelgenomen aan een aan IS/ISIS/ISIL gelieerde organisatie, die de gewapende Jihadstrijd voorstaat, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven, te weten A. het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (zoals bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.