Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/750279-18 Datum uitspraak: 30 oktober 2019 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] , raadsman mr. M.E. Pennings, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 9 en 17 oktober 2019. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. S. Sondermeijer heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest. 4Waardering van het bewijs 4.1. Bewijswaardering Gelet op de feitelijke samenhang tussen de ten laste gelegde feiten zullen deze hierna gezamenlijk besproken worden. 4.1.1. Standpunt verdediging De verdachte moet worden vrijgesproken van betrokkenheid bij de invoer van cocaïne wegens het ontbreken van zijn opzet daarop. De verdachte heeft slechts een opdracht aangenomen om een vracht op te halen en wist niet dat er cocaïne tussen die vracht zat. De ‘verdachte’ omstandigheden waaronder dit ophalen heeft plaatsgevonden zijn verklaarbaar, maar zelfs als ze dat niet zouden zijn, is dat onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte wist van de cocaïne. De belastende verklaring van de medeverdachte [naam medeverdachte 1] , namelijk dat hij aan de verdachte maandenlang informatie moest verstrekken over de beveiliging bij [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf] ), is onbetrouwbaar, inconsistent en oncontroleerbaar en daarom niet bruikbaar voor het bewijs. 4.1.2. Beoordeling Vaststaande feiten en omstandigheden De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag. Op 28 juni 2018 heeft het motorschip [naam schip] aangelegd bij het bedrijf [naam bedrijf] (voorheen genaamd [voormalige naam bedrijf] ) aan de [naam haven] in Rotterdam en op 29 juni 2018 is zijn lading bananen afkomstig uit Zuid-Amerika gelost. De medeverdachte [naam medeverdachte 2] , werkzaam als heftruckchauffeur bij [naam bedrijf] , heeft bij het lossen één specifieke pallet bananen met daarin cocaïne apart gezet. De verdachte heeft op 27 juni 2018 een vrachtwagen met kenteken [kentekennummer 1] gehuurd en is daarmee op 29 juni 2018 in de avond naar [naam bedrijf] gereden met de bedoeling om de betreffende pallet bananen op te halen. De verdachte is toen echter weggestuurd door [naam medeverdachte 2] . Op maandagochtend 2 juli 2018 is de verdachte opnieuw met de vrachtwagen naar [naam bedrijf] gereden. De verdachte had daarvoor de huur van de vrachtwagen verlengd. Tussen de bezoeken aan [naam bedrijf] op 29 juni en 2 juli is de vrachtwagen niet voor andere doeleinden gebruikt. De verdachte heeft ter plaatse een laadbon afgegeven, waarop de volgende - foutieve - gegevens stonden vermeld: soort: bananen Cavendish, merk: San Lucar, cel: 7A; totaal aantal pallets: 22; leverdatum: 14/05/18 ; vervoerder: [naam vervoerder] , kenteken: [kentekennummer 2] ; handgeschreven tekst: ‘7A’; waarbij het nummer 7A betrekking heeft op het laaddok waar de vracht ingeladen moet worden. De verdachte heeft de vrachtwagen vervolgens voor laaddok 8 geparkeerd en de laadklep geopend, waarna [naam medeverdachte 2] (enkel) de betreffende pallet bananen, die van het merk Cordero Bony waren, in de vrachtwagen heeft geladen. Tijdens het laden van de pallet is er een woordenwisseling ontstaan tussen [naam medeverdachte 2] en de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] , respectievelijk teamleider en beveiliger bij [naam bedrijf] . Zij merkten namelijk dat de laadbon niet klopte, waarna [naam getuige 2] [naam medeverdachte 2] tevergeefs heeft gemaand om de pallet weer uit de vrachtwagen te halen. Toen [naam getuige 2] en [naam getuige 1] naar de verdachte toeliepen, is hij met de vrachtwagen met een nog half geopende laadklep weggereden van het terrein van [naam bedrijf] . Vervolgens is hij naar een loods aan de [adres] in Rotterdam gereden. Daar is de vrachtwagen korte tijd later zonder de verdachte aangetroffen door de politie. Tussen de in totaal – in de laadbak omgevallen - 48 bananendozen blijken zich vijf bananendozen te bevinden met daarin 100 pakketten met in totaal ongeveer 100 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. De verdachte heeft in de periode van 19 maart 2018 tot en met 2 juli 2018 ruim 400 telefonische contacten gehad met de medeverdachte [naam medeverdachte 1] , die werkzaam was als beveiliger bij [naam bedrijf] en die ten tijde van de eerste ophaalpoging op 29 juni 2018 ook op het terrein van [naam bedrijf] aanwezig was. Verklaring verdachte Voor de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, heeft de verdachte een summiere verklaring gegeven. Hij zou zijn benaderd om een pallet met fruit op te halen, niet wetende dat zich daarin cocaïne bevond. Wie hem daartoe de opdracht heeft gegeven en wie hem de foutieve laadbon heeft gegegeven, wil de verdachte niet zeggen. Ten aanzien van het intensieve telefonische contact dat de verdachte in de maanden voorafgaand aan de invoer van de cocaïne met de medeverdachte [naam medeverdachte 1] onderhield, heeft de verdachte verklaard dat dit op vriendschappelijke basis was en geen verband hield met de invoer van verdovende middelen. Verklaring van de medeverdachte [naam medeverdachte 1] De medeverdachte [naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij in maart/april 2018 is benaderd door de verdachte om informatie te verstrekken over zijn werk als beveiliger bij [naam bedrijf] . Hij heeft dagelijks informatie aan de verdachte verstrekt over zijn werk bij [naam bedrijf] . Dat betrof informatie over waar de camera’s hingen, hoe vaak de politie en de douane het terrein op kwamen, wanneer de douane kwam controleren en wanneer en hoe laat de boot aan kwam. Als [naam medeverdachte 1] informatie had, belde hij de verdachte en als de verdachte dacht dat [naam medeverdachte 1] informatie had, belde hij [naam medeverdachte 1] . Daarnaast heeft [naam medeverdachte 1] specifiek over telefonische contacten tussen hem en de verdachte in de avond van 29 juni 2018 verklaard. Die contacten zagen op de komst van de verdachte die avond naar [naam bedrijf] . De verdachte vertelde hem dat hij om de hoek in de vrachtwagen zou wachten op het sein van binnenuit wanneer hij naar binnen kon komen en dat de leiddinggevende van [naam medeverdachte 2] nog aanwezig was en dat [naam medeverdachte 1] in de gaten moest houden wanneer hij weg zou gaan. Later die avond heeft [naam medeverdachte 1] , zo verklaart hij, op verzoek van de verdachte nog enkele foto’s gemaakt van pallets met bananen en die foto’s aan de verdachte verstuurd. Betrouwbaarheid van de verklaring van de medeverdachte [naam medeverdachte 1] De rechtbank vindt de verklaring van [naam medeverdachte 1] betrouwbaar. Hierbij is van belang dat [naam medeverdachte 1] met zijn verklaring ook zichzelf ernstig belast en dat op geen enkele wijze van een motief is gebleken om daarnaast nog (onjuist) belastend over de verdachte te verklaren. Zijn verklaring vindt bovendien steun in de – door de verdachte erkende - vele telefonische contacten die tussen hen in de maanden voorafgaand aan de invoer van de cocaïne, en met name ook op 29 juni en op 2 juli 2018 hebben plaatsgevonden. Ook zijn – overeenkomstig de door [naam medeverdachte 1] afgelegde verklaring - in de telefoon van [naam medeverdachte 1] drie foto’s aangetroffen, gemaakt in de avond van 29 juni 2018, met daarop afgebeeld pallets met bananen. Verder is de verklaring van [naam medeverdachte 1] in grote lijnen consistent en vindt deze ook anderszins steun in andere bewijsmiddelen. De verklaring van [naam medeverdachte 1] zal daarom worden gebruikt voor het bewijs. Wetenschap van de cocaïne De onmiskenbare strekking van de inhoud van de verklaring van [naam medeverdachte 1] is dat de verdachte via hem al langere tijd bezig was met het vergaren van informatie over de beveiliging op het terrein van [naam bedrijf] gericht op het mogelijk maken van de invoer van verdovende middelen via [naam bedrijf] . Dit gegeven kan niet los worden gezien van de omstandigheden waaronder en de wijze waarop de verdachte de betreffende pallet met bananen op 2 juli bij [naam bedrijf] heeft opgehaald. De verdachte heeft een aantal dagen een vrachtwagen gehuurd, die voor niets anders is gebruikt dan om bij [naam bedrijf] te komen en daar de betreffende pallet op te halen. Daarbij heeft hij gebruik gemaakt van een laadbon die gelet op de daarop vermelde gegevens onmogelijk op de door de verdachte opgehaalde pallet betrekking kon hebben. Zo stond op de laadbon als leverdatum 14 mei 2018 en ging het om 22 pallets, terwijl de vrachtwagen daar geen plaats voor bood. De verdachte is met de pallet, terwijl de laadklep van de vrachtwagen nog half openstond, weggevlucht van het terrein van [naam bedrijf] . De verdachte heeft niets willen verklaren over degene die hem de opdracht en de laadbon heeft gegeven, zodat zijn verklaring in zoverre niet kan worden geverifieerd. Mede gelet daarop zijn de aanwezigheid en de handelingen van de verdachte in hun onderlinge samenhang bezien en in het licht van de verklaring van de medeverdachte [naam medeverdachte 1] en de overige bewijsmiddelen, redengevend voor het bewijs dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van cocaïne in de door hem opgehaalde en vervoerde pallet en daarmee opzet heeft gehad op de invoer hiervan en de voorbereidingshandelingen daartoe. Alles overziend is de rechtbank ervan overtuigd dat de verdachte maar met één doel met de door hem gehuurde vrachtwagen bij [naam bedrijf] was en dat was het ophalen en verder vervoeren van de cocaine die per schip was gearriveerd. In dit oordeel ligt dus ook besloten dat de rechtbank de (alternatieve) verklaring die de verdachte heeft gegeven voor de ‘verdachte’ omstandigheden waaronder het ophalen van de pallet heeft plaatsgevonden, niet geloofwaardig vindt. 4.1.3. Conclusie Bewezen is daarom dat de verdachte samen met anderen opzettelijk ongeveer 100 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne heeft ingevoerd en daartoe voorbereidingshandelingen heeft gepleegd. 4.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij in de periode 01 maart 2018 tot en met 02 juli 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, heeft gebracht ongeveer 100 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1; 2. hij in de periode 01 maart 2018 tot en met 02 juli 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 100 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst 1 voor te bereiden en/of te bevorderen, - een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.