← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2019:8671

Rechtbank Rotterdam Meervoudige kamer voor wrakingszaken Zaaknummer / rekestnummer: 581570 / HA RK 19-1052 Beslissing van 23 september 2019 op het verzoek van [naam verzoeker] , wonende te [woonplaats] , verzoeker, strekkende tot wraking van: mr. J.C.A.M. Los, rechter in de rechtbank Rotterdam, team insolventie (hierna: de rechter). 1Het procesverloop en de processtukken 1.1 Bij vonnis van 9 mei 2018 (insolventienummer C/10/18/176 F) is [naam verzoeker] door de rechter in staat van faillissement verklaard. Bij dat vonnis werd de rechter tot rechter-commissaris benoemd en werd mr. M.M.E. Bowmer, advocaat te Dordrecht, tot curator aangesteld. Op 9 september 2019 is ter griffie per e-mail een verzoek van [naam verzoeker] tot wraking van de rechter ontvangen. 1.2 Het griffiedossier van de hiervoor omschreven procedure is ter beschikking van de wrakingskamer gesteld. Verzoeker en de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld, te weten 16 september 2019, en zijn voor de zitting uitgenodigd. De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij e-mail van 13 september

  1. 1.3 Ter zitting van 16 september 2019 is verzoeker verschenen. Ook de rechter is verschenen. Zij hebben beiden een mondelinge toelichting gegeven. 2De ontvankelijkheid van het verzoek 2.
  2. De rechtbank ziet zich vóór alles gesteld voor de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan, namelijk zodra de feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gegrond aan verzoeker bekend waren, zoals artikel 37 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vereist. In de eerste plaats dient daartoe te worden vastgesteld welke feiten en omstandigheden aan de wraking ten grondslag zijn gelegd. Verzoeker formuleert dit in een e-mail van 9 september 2019 (met als onderwerp: “SPOED – WRAKING mvr. mr. J.C. A.M. Los”) als volgt: “Middels deze geef ik aan, de behartiging/beoordeling van bovenstaande in kenmerk C/10/18/176 F met onmiddellijke ingang te WRAKEN! Er is in deze overduidelijk sprake van bevooroordeeld en partijdig zijn m.b.t. de door haar zelf aangestelde curator. Tevens is er sprake van grote onkunde/onbekendheid met het erfrecht, waarover ik al eerder berichtte in mijn mail aan haar d.d. 20 mei jl. ! welke zij volledig blijkt te negeren. Het “ondersteunen” van totaal verkeerde conclusies van een curator, eveneens niet oordeelkundig, en welke daarbij alle wettelijke en notariële registraties die o.a. reeds per 15 januari 2008 hebben plaatsgevonden denkt te kunnen negeren, is dan ook een schande en de reden tot mijn WRAKING. (…)”. De wrakingskamer is van oordeel dat het verzoek getuigt van onvrede met het door de rechter als rechter-commissaris jegens (beslissingen van) de curator ingenomen standpunt(en), doch dat hieruit niet valt op te maken welke feiten en omstandigheden voor hem reden waren voor indiening van het wrakingsverzoek. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft verzoeker desgevraagd nader toegelicht dat het vermoeden van partijdigheid werd versterkt enkele dagen na 10 juli 2019, toen hij kennis had genomen van de inhoud van het door de rechter bij brief van die datum aan de rechtbank kenbaar gemaakte standpunt in de door hem aangespannen procedure strekkende tot ontslag van de curator. Deze brief heeft bij verzoeker nog meer het idee opgeroepen dat de rechter zijn belangen niet goed behartigt en dat zij de curator de hand boven het hoofd houdt. Verzoeker heeft zijn advocaat toen voorgesteld een wrakingsverzoek tegen de rechter in te dienen. Toen die daar niet op inging, is verzoeker zelf overgegaan tot het indienen van een wrakingsverzoek. 2.
  3. Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede “zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn” betekent dat een wrakingsverzoek dient te worden gedaan onmiddellijk na het bekend worden van de feitelijke grond tot wraking, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is. In dit geval is die termijn ruimschoots overschreden. Verzoeker is immers enkele dagen na 10 juli 2019 bekend geraakt met de inhoud van de door hem bedoelde brief van de rechter die voor hem redengevend is geweest de rechter te wraken, terwijl het verzoek tot wraking eerst is ingediend op 9 september
  4. 2.
  5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het wrakingsverzoek. 3De beslissing De rechtbank: - verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van mr. J.C.A.M. Los. Deze beslissing is gegeven door mr. C.M.E. van der Hoeven, voorzitter, mr. P.C. Santema en mr. J.J. van den Berg, rechters, en uitgesproken door mr. C.M.E. van der Hoeven ter openbare terechtzitting van 23 september 2019 in tegenwoordigheid van mr. O.M. Stoute, griffier. Verzonden op: aan: - - - -

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.