RECHTBANK ROTTERDAM Zaaknummer: 7357740 VZ VERZ 18-24201 Uitspraak: 9 januari 2019 Beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van [verweerder] , hierna: ‘ [verweerder] ’, wonende te Rotterdam, verzoeker, tevens verweerder ingevolge het voorwaardelijk tegenverzoek, gemachtigde: mr. L. Vieira te Rotterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid FVH FACILITY B.V., hierna: ‘FVH’, gevestigd te Moordrecht, verweerster, tevens verzoekster ingevolge het voorwaardelijk tegenverzoek, gemachtigde: mr. A. Busse te Loenen. 1Het verloop van de procedure 1.1 Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken: het verzoekschrift, met producties, van [verweerder] , ter griffie ontvangen op 21 november 2018; het verweerschrift tevens houdende een voorwaardelijk tegenverzoek, met producties, van FVH; de brief van 4 december 2018 van de gemachtigde van FVH, met daarbij een productie (ter vervanging van de eerder ingediende productie 15); de brief van 7 december 2018 van de gemachtigde van [verweerder] , met daarbij een usb-stick met daarop video-bestanden; de brief van 7 december 2018 van de gemachtigde van FVH, met daarbij een drietal aanvullende producties. 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad ter zitting van 13 december 2018. Toen zijn verschenen [verweerder] , bijgestaan door [tolk] , tolk in de Portugese taal en mr. L. Vieira als zijn gemachtigde, en voorts namens FVH de heer [naam 1] , teamleider WTC, en mevrouw [naam 2] , operationeel manager, bijgestaan door de gemachtigde van FVH, mr. A. Busse. 1.3 De gemachtigde van FVH heeft ter zitting door haar aangekondigde video-opnamen getoond en deze toegelicht. [verweerder] is telkens in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Beide gemachtigden hebben het standpunt van de eigen partij mondeling toegelicht aan de hand van door hen overgelegde pleitnota’s. Ook partijen zelf zijn in de gelegenheid gesteld een mondelinge toelichting te geven. Van hetgeen ter zitting is verhandeld, heeft de griffier aantekening gehouden. 1.4 De datum voor deze uitspraak is door de kantonrechter bepaald op heden. 2De vaststaande feiten Uitgegaan wordt van de volgende feiten, nu deze enerzijds zijn gesteld dan wel blijken uit de overgelegde stukken en anderzijds zijn erkend dan wel niet althans niet (voldoende) gemotiveerd zijn bestreden: 2.1 FVH biedt een breed pakket aan schoonmaak- en huismeesterdiensten, te weten de schoonmaak van winkelcentra, roltrapreiniging, huismeesterdiensten, schoonmaak van kantoren, glasbewassing en gevelreiniging. De opdrachtgevers van FVH zijn met name beheerders en eigenaren van kantoorpanden, winkelcentra en openbare gebouwen. Zij heeft circa 185 medewerkers in dienst. 2.2 Met ingang van 1 januari 2009 is [verweerder] in dienst getreden van FVH. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van werknemer algemeen schoonmaakonderhoud / schoonmaakmedewerker, tegen een bruto maandloon van € 1.997,41, bij een 38-urige werkweek, op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. 2.3 Vanaf de aanvang van het dienstverband tot juni 2018 heeft FVH [verweerder] tewerkgesteld in het winkelcentrum Beursplein te Rotterdam. Vanaf juni 2018 heeft zij hem tewerkgesteld in het pand aan het WTC Beursplein te Rotterdam. 2.4 In het door FVH gehanteerde ‘handboek’ is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen: “(…) Oneigenlijk gedrag en diefstal en/of schade aan goederen: 1. Werknemer dient zich op correcte wijze te gedragen; (…) 2. Onder oneigenlijk gedrag valt tevens het verbod op meenemen goederen; Het is verboden goederen van FVH en/of van de opdrachtgever mee te nemen en/of te verbruiken, mits er schriftelijke toestemming voor gegeven is. Bij diefstal wordt aangifte gedaan bij de politie en volgt ontslag op staande voet. (…)”. 2.5 Op 27 september 2018 heeft FVH [verweerder] op non-actief gesteld. Bij e-mail van diezelfde dag heeft zij hem het volgende geschreven: “(…) Zoals vandaag door uw leidinggevende (de heer Ahmamdi) aan u is medegedeeld, bevestigen we u hierbij dat u vanaf heden (27/09/2018) hangende het onderzoek geschorst bent. De reden hiervan is omdat u ernstig verwijtbaar gedrag te verwijten valt, u wordt zelfs verdacht van het plegen van een strafbaar feit. (…) Morgen, vrijdag 28 september a.s. om 13:00 uur verwachten we u op ons hoofdkantoor (…). Na dit gesprek zullen wij ons beraden op de te nemen verdere stappen. (…) (…)”. 2.6 [verweerder] is verschenen voor het bedoelde gesprek van 28 september 2018 en ook voor een vervolggesprek op (dinsdag) 2 oktober 2018. Bij brief van die laatste datum, met als onderwerp ‘mededeling dringende reden’, heeft FVH hem het volgende geschreven: “(…) Hierbij bevestigen wij dat wij vandaag (…) de uitkomsten van het onderzoek dat wij hebben verricht naar aanleiding van de geconstateerde onregelmatigheden op woensdag 26 en donderdag 27 september 2018, met u hebben besproken. (…) Op donderdag 27 september 2018 zijn onze opdrachtgever en FVH geïnformeerd door de bewaking van het WTC Rotterdam. De bewaking heeft ons meegedeeld dat zij aan de hand van videobeelden hebben vastgesteld dat een FVH-medewerker op woensdag 26 september 2018 in de expeditie ruimte van het WTC Rotterdam goederen in een tas heeft gestopt en deze tas vervolgens uit het zicht heeft weggezet. Ook is zichtbaar op camerabeelden dat hij meerdere malen zenuwachtig met de tas naar binnen en naar buiten loopt. Ook vertrekt hij later deze middag (…) met een jas over de tas via de hoofdentree van het WTC, nadat hij de tas eerst naast een kolom heeft geplaatst naast het beveiligingskantoor waar men zich bij vertrek dient af te melden. Ook is op videobeeld vastgelegd dat deze FVH-medewerker de volgende dag, op donderdag 27 september 2018, goederen heeft klaar gezet achter een container, waaronder diverse bekers, een printer en een hand stofzuiger (stang). Deze goederen heeft hij samen met een andere persoon vanuit de expeditie ruimte van het WTC Rotterdam naar buiten meegenomen en in een busje/auto van GOM-schoonmaakbedrijf (…) geladen. Hij heeft nog enige tijd met deze persoon staan praten waarna de andere persoon met het busje met deze goederen erin is weggereden. Nadat wij deze videobeelden hebben gezien, hebben wij vastgesteld dat u de betreffende FVH-medewerker bent. Wij hebben u daarom per diezelfde dag geschorst. Ook heeft onze opdrachtgever u per direct de toegang tot het pand ontzegd. Vervolgens bent u per e-mail uitgenodigd voor een gesprek op vrijdag 28 september 2018 bij ons op kantoor (…). Op vrijdag 28 september 2018 hebben mevrouw [naam 2] , Operationeel Manager en een Portugees sprekende collega, namens FVH met u gesproken in het kader van het onderzoek naar de onregelmatigheden bij onze opdrachtgever WTC Rotterdam. U werd tijdens dit gesprek vergezeld door de heer Roberto die aangaf als uw woordvoerder te fungeren. Tijdens dit gesprek heeft u in eerste instantie ontkend dat u betrokken zou zijn bij de onregelmatigheden. Echter, vervolgens heeft u zelf – in het Nederlands – erkend dat het slechts om een kapotte printer zou gaan die in de expeditie ruimte stond. Aanvullend heeft u toen – in het Portugees – erkend dat de spullen, waaronder de printer, inderdaad in de expeditie ruimte van het WTC stonden. Een man van schoonmaakbedrijf GOM had die spullen daar zien staan en had aan u gevraagd wat hiermee gedaan werd en of u een aantal spullen voor hem wilde bewaren, zodat hij ze later kon komen ophalen. Toen de betreffende man later terugkwam heeft u de spullen en de printer samen met hem in zijn busje/auto gelegd. Na deze bekentenis werd er ‘ingegrepen’ door uw woordvoerder; u werd meerdere keren door uw woordvoerder gemaand uw mond te houden en niets meer te zeggen. Uw woordvoerder gaf daarbij aan dat bewakingsbeelden onbetrouwbaar zouden zijn en dat FVH niet kon bewijzen dat u betrokken bent bij het wegnemen van spullen. Wij hebben u daarop meegedeeld dat (het betrokken zijn bij) het wegnemen en/of meegeven van spullen voor ons volstrekt onacceptabel is. Daarbij hebben wij u met klem gewezen op ons handboek, waarin heel duidelijk staat dat zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende geen goederen mogen worden meegenomen en/of verbruikt. Voor de volledigheid, de spullen waren niet van u en ook niet van deze persoon. U heeft geen schriftelijke toestemming gekregen van de eigenaar, de opdrachtgever en/of ons om de spullen c.q. de printer, mee te nemen of weg te geven. Daarbij komt nog dat u iemand toegang heeft verschaft tot het pand van onze opdrachtgever, hetgeen niet is toegestaan. Wij hebben u meegedeeld dat wij dit alles zeer hoog opnemen en dat de opdrachtgever overweegt aangifte te doen. Omdat uw woordvoerder aangaf dat u niets meer zou verklaren, hebben wij u tot uiterlijk maandag 1 oktober 2018 16:00 uur de gelegenheid gegeven uw visie kenbaar te maken. Wij hebben echter niet van u vernomen. Vervolgens hebben wij u gebeld en meegedeeld dat u op dinsdag 2 oktober 2018 om 13:30 uur werd bij ons op kantoor wordt verwacht. Vandaag, dinsdag 2 oktober 2018, hebben wij u meegedeeld dat voor ons vaststaat dat u betrokken bent geweest bij het wegnemen en/of meegeven van spullen; u heeft zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende, onze opdrachtgever en/of FVH, spullen (waaronder een printer) die stonden opgeslagen in de expeditie ruimte van het WTC Rotterdam en die niet in eigendom aan u toebehoren, weggenomen c.q. meegegeven aan een derde. Voorts heeft u een derde toegang verschaft tot het pand van onze opdrachtgever, zonder dat hiervoor toestemming is gegeven. Ook heeft u tijdens ons onderzoek verschillende, tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de spullen die u heeft weggenomen/weggegeven. Aan u is meegedeeld dat, gelet op al het bovenstaande, FVH geen enkel vertrouwen meer in u heeft. Door uw, voor FVH volstrekt onacceptabele gedragingen, bent u ons vertrouwen onwaardig geworden en heeft u grovelijk de plichten veronachtzaamd welke de arbeidsovereenkomst u oplegt. Als gevolg hiervan kan van FVH als werkgever redelijkerwijs niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst met u te laten voortduren. Uw gedragingen zoals in het bovenstaande omschreven leveren, zowel op zichzelf beschouwd als in onderlinge samenhang bezien, een dringende reden op voor een ontslag op staande voet en zijn tevens aan te merken als ernstig verwijtbaar handelen. FVH is dan ook van mening dat sprake is van een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. Daarbij weegt mee dat FVH een zero-tolerance-beleid voert wat het wegnemen c.q. meegeven van goederen betreft, hetgeen onder andere volgt uit ons handboek. Echter, gelet op uw persoonlijke omstandigheden, zijn wij eenmaal bereid u een vaststellingsovereenkomst aan te bieden, waarbij uw arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden wordt beëindigd per 1 november 2018, zonder toekenning van enige vergoeding. Bijgaand ontvangt u de vaststellingsovereenkomst*. Deze vaststellingsovereenkomst dient u uiterlijk donderdag, 4 oktober 2018 vóór 17.00 uur ondertekend aan ons te overhandigen. Indien wij 4 oktober 2018 vóór 17.00 uur geen getekend exemplaar hebben ontvangen, komt ons aanbod zoals neergelegd in de vaststellingsovereenkomst te vervallen, kunt u hieraan geen enkel recht ontlenen en wordt u in verband met de hierboven vermelde dringende reden op staande voet ontslagen. In dat geval zal de opdrachtgever aangifte doen van diefstal. Ook zullen wij ook de daadwerkelijk geleden schade en/of de gefixeerde schadevergoeding op u verhalen en deze schade (voor zover mogelijk) verrekenen met de eindafrekening. Tot en met donderdag 4 oktober 2018 17.00 uur bent u geschorst Wij adviseren u tot slot om voor ondertekening van de vaststellingsovereenkomst juridisch advies in te winnen. (…)”. 2.7 Op 3 oktober 2018 heeft FVH [verweerder] schriftelijk medegedeeld hem per die dag op staande voet te ontslaan. Zij schrijft daarin, voor zover thans van belang, het volgende: “(…) In vervolg op onze brief van 2 oktober 2018 delen wij u hierbij mee dat wij u vandaag, 3 oktober 2018, op staande voet ontslaan. In voormelde brief van 2 oktober 2018 hebben wij aan u medegedeeld dat voor ons vaststaat dat u betrokken bent bij het wegnemen en/of meegeven van spullen zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Voorts heeft u een derde toegang verschaft tot het pand van onze opdrachtgever, zonder dat hiervoor toestemming is gegeven. Ook heeft u tijdens ons onderzoek verschillende, tegenstrijdige verklaringen afgelegd. U heeft vandaag door middel van uw advocaat laten weten dat u de vaststellingsovereenkomst (…) niet zal ondertekenen. FVH (…) is van oordeel dat uw in de brief van 2 oktober 2018 genoemde daden, eigenschappen en/of gedragingen ieder afzonderlijk en in ieder geval in onderlinge samenhang bezien een dringende reden opleveren die een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt en daarom wordt u op staande voet ontslagen. Bij ons besluit om u op staande voet te ontslaan hebben wij onze belangen tegen uw belangen afgewogen, waarbij voor ons meeweegt dat wij een zero-tolerance-beleid voeren wat het wegnemen van goederen betreft. Ook hebben wij bij deze belangenafweging acht geslagen op uw leeftijd, de duur van de arbeidsovereenkomst, uw staat van dienst en de overige (persoonlijke) omstandigheden van het geval. Dit heeft ons evenwel niet tot een ander oordeel gebracht. (…)”. 3Het geschil 3.1 [verweerder] heeft verzocht, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking: het door FVH aan hem op 3 oktober 2018 gegeven ontslag op staande voet te vernietigen en (FVH te veroordelen) [verweerder] toe te laten de bedongen werkzaamheden te verricht op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag, FVH te veroordelen om vanaf 3 oktober 2018 aan [verweerder] te betalen het overeengekomen bruto maandsalaris en overige emolumenten, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en met de wettelijke rente, te bepalen dat FVH ernstig verwijtbaar heeft gehandeld jegens [verweerder] en dientengevolge een billijke vergoeding aan [verweerder] is verschuldigd ter hoogte van 24 maal zijn bruto maandsalaris, te bepalen dat FVH een transitievergoeding van € 9.528,43 bruto is verschuldigd alsook dat zij de schade die [verweerder] als gevolg van het onterechte ontslag op staande voet heeft geleden aan hem moet vergoeden, en FVH te veroordelen in de kosten van de procedure. 3.2 Aan dat verzoek heeft [verweerder] -samengevat weergegeven- het volgende ten grondslag gelegd. Hij stelt voorop dat hij zijn werkzaamheden voor FVH altijd naar volle tevredenheid heeft uitgevoerd en dat er nimmer (eerder) enige klacht daarover is geuit. Van de door FVH aan het ontslag ten grondslag gelegde dringende reden is geen sprake. [verweerder] heeft geen spullen uit de expeditie ruimte van het pand WTC Beursplein Rotterdam meegenomen of meegegeven. Vanaf zijn tewerkstelling in juni 2018 daar heeft hij bemerkt dat een schoonmaker van een ander bedrijf (GOM), die ook toegang heeft tot die ruimte, wekelijks spullen uit die ruimte kwam halen. [verweerder] keek hier in eerste instantie vreemd van op maar die schoonmaker verzekerde hem dat hij dit reeds jarenlang deed met instemming van zijn opdrachtgever. [verweerder] had geen aanleiding aan deze mededeling te twijfelen nu hij deze schoonmaker regelmatig openlijk en ook in het bijzijn van collega’s van [verweerder] spullen uit de ruimte zag meenemen. Overigens is [verweerder] niet steeds aanwezig in die ruimte en heeft hij ook niet als taak toezicht te houden op hetgeen zich daar afspeelt. Dat zou overigens ook praktisch niet mogelijk zijn, nu de ruimte vrij toegankelijk is en door werknemers van andere bedrijven wordt betreden en zelfs wordt gebruikt als schuilplek voor daklozen, die daar voorts regelmatig op zoek zijn naar etenswaar of bruikbare danwel verhandelbare spullen. [verweerder] betwist dan ook aan wie dan ook toestemming te hebben gegeven enig goed uit de betrokken ruimte mee te nemen dan wel toegang daartoe te hebben verstrekt voor het wegnemen van spullen. Hij merkt daarbij op dat eenieder zich toegang tot de betrokken ruimte kan verschaffen nu de deuren, die bediend worden door middel van een bewegingssensor, vanzelf opengaan als iemand -een schoonmaker of medewerker maar ook langslopend publiek- langsloopt. Uit de beelden waaraan FVH refereert, blijkt bovenal niet dat [verweerder] spullen uit de betrokken ruimte meeneemt dan wel meegeeft en evenmin dat hij genoemde schoonmaker van GOM toegang tot die ruimte verschaft. Op die beelden is (wel) te zien dat [verweerder] door het pand loopt met een tas, waarvan de inhoud niet zichtbaar is. Die tas bevatte de dikke winterjas die [verweerder] van FVH had gekregen en niet, naar FVH heeft geconcludeerd, goederen die hij uit meergenoemde ruimte zou hebben meegenomen. Daarbij merkt [verweerder] op dat de inhoud van de tas nimmer is gecontroleerd en dat FVH met de door haar gedane maar niet onderbouwde aannames de smetteloze reputatie van [verweerder] op de werkvloer aantast. Bovenal kan het hier niet gaan om ‘diefstal’, nu de ruimte slechts afval bevat, dat aan niemand toebehoort en, als ‘res nullius’, wordt achtergelaten op een plek die voor eenieder toegankelijk is. [verweerder] is niet bekend met enig ander doel waarvoor de goederen in de ruimte worden geplaatst en wijst erop dat enig bedrijfsbeleid omtrent de omgang met afval (uit deze containerruimte) ontbreekt. Hij betwist het bestaan van het door FVH genoemde handboek (zie 2.4). Dat is hem in ieder geval nimmer verstrekt noch heeft FVH [verweerder] daaromtrent ooit iets medegedeeld. Uit navraag bij collega’s is [verweerder] gebleken dat dit voor hen evenzeer geldt. FVH heeft hem (derhalve) nooit enige instructie gegeven met betrekking tot spullen die worden weggegooid/in genoemde ruimte worden geplaatst, terwijl dit op haar weg had gelegen. Het kan [verweerder] niet worden verweten in strijd te handelen met hem onbekende regels of beleid. Niet alleen ontbreekt derhalve een dringende reden voor het ontslag maar ook is het ontslag niet onverwijld gegeven. FVH is immers op 26 september 2018 bekend geraakt met de beelden waarop zij het ontslag baseert, waarna zij op 27 en 28 september 2018 aan [verweerder] heeft meegedeeld dat sprake zou zijn van ernstig verwijtbaar handelen. Op 2 oktober 2018 heeft zij vervolgens aan [verweerder] medegedeeld dat zij op basis van het verrichte onderzoek tot de conclusie is gekomen dat hij zich zodanig gedragen zou hebben dat een ontslag op staand voet gerechtvaardigd is maar ook toen, op het moment dat haar onderzoek was afgerond en zij haar conclusie had getrokken, heeft FVH [verweerder] niet ontslagen maar hem een vaststellingsovereenkomst aangeboden. Door hem niet al op een van deze drie momenten te ontslaan heeft FVH niet voldaan aan het vereiste van onverwijldheid. Ook daarom kan het ontslag geen stand houden. Daarnaast zijn ook de persoonlijke omstandigheden van [verweerder] van belang. Hij is een 51-jarige man die niet beschikt over enig diploma. Hij is op jonge leeftijd uit zijn geboorteland vertrokken en heeft om financiële redenen niet de mogelijkheid gehad een opleiding te volgen. Verder is het zo dat hij een minderjarig kind onderhoudt dat met ernstige beperkingen kampt en dat volledig van hem afhankelijk is. Handhaving van het ontslag kan er dan ook toe leiden dat [verweerder] niet in staat zal zijn goede zorg aan zijn kind te bieden. Dit klemt te meer nu hij vanwege zijn achtergrond aangewezen is op de schoonmaakbranche, een kleine wereld, terwijl hij nu al door derden is benaderd met het verhaal dat hij zich schuldig gemaakt zou hebben aan diefstal. Het vinden van een nieuwe baan zal dan ook nagenoeg onmogelijk worden, gegeven ook de taalbarrière, terwijl het ontslag ook in de weg staat aan het recht op een WW-uitkering, waardoor [verweerder] zijn maandelijkse financiële lasten niet zal kunnen dragen. Voor het geval het ontslag geen stand houdt maar de kantonrechter toch (naar aanleiding van het door FVH gedane voorwaardelijk tegenverzoek) de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbindt, verzoekt Fortes Soares hem de hiervoor onder 3.1 sub c en d bedoelde vergoedingen toe te kennen. 3.3 FVH heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het door [verweerder] verzochte en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van de procedure alsook in de nakosten. Samengevat betoogt zij dat het ontslag op staande voet, dat onverwijld is gegeven, stand houdt, dat sprake is geweest van de door haar aan het ontslag ten grondslag gelegde dringende reden en dat -om die reden- geen plaats is voor enige vergoeding, noch een billijke vergoeding, noch de wettelijke transitievergoeding. Ter onderbouwing van haar verweer heeft FVH verwezen naar de door haar overgelegde producties en de door haar ter zitting getoonde camerabeelden. 3.4 In het voorwaardelijk tegenverzoek heeft FVH verzocht de arbeidsovereenkomst voor het geval deze nog bestaat te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1 sub a BW jo. (primair) artikel 7:669 lid 3 sub e BW (verwijtbaar handelen of nalaten) danwel (subsidiair) artikel 7:669 lid 3 sub g BW (verstoorde arbeidsverhouding). Volgens FVH is sprake van een redelijke grond (primair gelegen in het verwijtbaar handelen van [verweerder] , subsidiair omdat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding) en is herplaatsing van [verweerder] in een andere passende functie niet aan de orde. Zij verzoekt daarbij tevens om te bepalen dat, omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door [verweerder] als bedoeld in artikel 7:673 lid 7 sub c BW, zij niet de transitievergoeding aan hem verschuldigd is. 3.5 [verweerder] heeft op zijn beurt verweer gevoerd in het voorwaardelijk tegenverzoek. Voor zover daaraan wordt toegekomen, zal op dat verweer nader worden ingegaan. 3.6 Op hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd zal, voor zover relevant, hierna bij de beoordeling worden ingegaan. 4De beoordeling 4.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of het aan [verweerder] gegeven ontslag op staande voet moet worden vernietigd en voorts (in het geval daaraan wordt toegekomen) in het voorwaardelijk tegenverzoek om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden, op de door FVH aangevoerde gronden. Onverwijldheid 4.2 Partijen worden onder meer verdeeld gehouden door (het antwoord
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.