Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/754511-19 Datum uitspraak: 30 oktober 2019 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] (Roemenië) op [geboortedatum verdachte] , niet ingeschreven in de basisregistratie personen, ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet, raadsvrouw mr. A. Petrescu, advocaat te Amsterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 oktober 2019. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis van de officier van justitie De officier van justitie mr. M. Luijpen heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde, met uitzondering van het onderdeel dat verdachte het feit heeft begaan in de uitoefening van zijn ambt of beroep als chauffeur; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van het voorarrest. 4Waardering van het bewijs 4.1. Bewijswaardering 4.1.1. Standpunt van de verdediging De verdachte moet van het ten laste gelegde worden vrijgesproken, omdat hij geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de personen in een houten kist in de laadruimte van de vrachtauto en hij die aanwezigheid redelijkerwijs ook niet heeft kunnen vermoeden. De vrachtauto was reeds geladen op het moment dat de verdachte deze overnam. Hij heeft aan zijn zorgplicht voldaan door te verifiëren wat er in de laadruimte zat (een partij autobanden). Dat hij de houten kist niet heeft gezien, komt doordat de vrachtauto met autobanden was volgestapeld en de achterkant van de wagen niet zichtbaar was. Overigens leveren de verwijderde notitie op de telefoon van de verdachte, het tanken door de verdachte één dag voor de aanhouding en de op zijn telefoon aangetroffen berichten geen bewijs op van zijn betrokkenheid bij het ten laste gelegde feit en ook anderszins bevat het dossier daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. 4.1.2. Beoordeling door de rechtbank Op 12 juli 2019 vond bij de haven van Hoek van Holland een uitreiscontrole plaats en sloeg de speurhond aan bij het door de verdachte bestuurde voertuig. De wagen bleek volgestapeld met autobanden. Tegen de achterwand van de wagen was een houten kist gemonteerd. In de - van binnenuit niet te openen - kist bleken vijf vreemdelingen met de Albanese en de Chinese nationaliteit te zitten. De rechtbank stelt voorop dat de omstandigheid dat de chauffeur van een vrachtwagen vreemdelingen in zijn lading aanwezig heeft, in beginsel wijst op betrokkenheid en wetenschap van de chauffeur bij het vervoer van deze vreemdelingen. Dat kan anders zijn indien de verdachte daarvoor een andersluidende plausibele en verifieerbare verklaring geeft. Onder deze omstandigheden mag derhalve van de chauffeur worden verlangd dat hij inzicht geeft in zijn reisbewegingen, handelingen en de gang van zaken rond het transport. De verdachte heeft verklaard dat hij niets wist van de vreemdelingen in het voertuig. Hij is op 11 juli 2019 vanuit Engeland naar België afgereisd om daar op 12 juli 2019 de wagen van ene [naam 1] over te nemen. Hij heeft [naam 1] pas kort voor zijn aanhouding voor het eerst gesproken en de opdracht om de banden te vervoeren kreeg hij ook pas op 11 juli 2019. De vrachtwagen had hij nog niet eerder gezien. Op 12 juli 2019 heeft hij de lading gecontroleerd “om er zeker van te zijn dat hij geen cocaïne vervoerde” en is rechtstreeks naar de haven gereden. De rechtbank acht deze verklaring van de verdachte niet aannemelijk en overweegt hiertoe het volgende. Uit de telefoongegevens van de verdachte is gebleken dat hij al een week voor zijn aanhouding contact heeft gehad met [naam 1] en dat hij op 10 juli 2019 voor een dag later een overtocht met de Stena Line vanuit Hoek van Holland naar Harwich heeft geboekt. Later is deze boeking gewijzigd naar 12 juli 2019. Tussen de e-mailberichten op verdachtes telefoon is een e-mail van 2 juli 2019 aangetroffen, met daarin een verzekeringscertificaat van de betreffende vrachtwagen met kenteken [kentekennummer] en op Google heeft de verdachte, zo blijkt uit aangetroffen zoekslagen, in juni en juli 2019 onder andere opgezocht welke grens in Engeland geen scanner heeft en hoe Engeland op een illegale manier kan worden bereikt. Verder komt uit het onderzoek naar voren dat de verdachte reeds op 11 juli 2019 in Nederland heeft getankt, hetgeen haaks staat op zijn verklaring dat hij eerst op 12 juli 2019 de vrachtauto in Belgie in ontvangst heeft genomen en daarmee vervolgens rechtstreeks naar Hoek van Holland is gereden. De verdachte heeft voor deze omstandigheden - ook ter terechtzitting - geen verklaring willen geven. Met één van de in zijn wagen aangetroffen vreemdelingen, [naam slachtoffer 1] , heeft de verdachte in januari 2019 contact gehad over het aanschaffen van autobanden en op 12 juli 2019 heeft de verdachte via Whats App verschillende berichten naar [naam slachtoffer 1] gestuurd, onder andere met de tekst ‘bro we must go’ en ‘I need to buy ticket for ferry’. Ook hiervoor heeft de verdachte geen enkele verklaring willen geven, terwijl hij bovendien eerder had verklaard eigenlijk uitsluitend Appcontact te onderhouden met zijn vriendin. Dat verdachte tweedehands autobanden zou vervoeren naar Groot-Brittannie vanuit een bedrijfseconomisch motief, acht de rechtbank onder de door de verdachte geschetste omstandigheden ongeloofwaardig. De verdachte heeft niet kunnen aangeven waar hij in Groot-Brittannië naartoe zou rijden en aan wie hij de autobanden zou afleveren en van de identiteit van de door de verdachte genoemde [naam 1] en [naam 2] is de rechtbank niets gebleken. Daarnaast zijn tweedehands autobanden niet veel waard en heeft de verdachte niet duidelijk gemaakt waarom het lucratief zou zijn om deze van België naar Groot-Britannië te vervoeren, mede in aanmerking genomen de kosten die kennelijk aan de reis en het verblijf van de verdachte en het transport waren verbonden en de vergoedingen die de verdachte naar zijn zeggen daarvoor al had gekregen en nog zou krijgen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de autobanden slechts als deklading dienden. Afgezien van het vorenstaande heeft de verdachte onder meer wisselend verklaard over de eigendom van de vrachtauto en heeft hij geen verklaring willen geven over het feit dat uit het onderzoek van zijn telefoon naar voren is gekomen dat deze in verschillende landen is aangestraald (waaronder ook Nederland en België), in een periode waarin de verdachte volgens zijn eigen verklaring uitsluitend in Roemenie is geweest. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat het door de verdachte aangevoerde alternatieve scenario onvoldoende aannemelijk is gemaakt en gaat zij er van uit dat de verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de vreemdelingen in de vrachtwagen en dat het - met zijn medeweten en toestemming - de bedoeling was dat zij door hem naar Engeland zouden worden vervoerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensensmokkel. Winstbejag De rechtbank acht eveneens bewezen dat de verdachte uit winstbejag heeft gehandeld. Van winstbejag is sprake indien het handelen van de dader is ingegeven door een gerichtheid op verrijking, waarbij het niet noodzakelijk hoeft te gaan om een op geld waardeerbaar voordeel en evenmin bepalend is of het beoogde voordeel daadwerkelijk is behaald. Voldoende is dat de dader op verrijking uit is geweest. De term winstbejag strekt er toe om handelen met zuiver ideële motieven uit de werkingssfeer van artikel 197a lid 2 van het Wetboek van Strafrecht te houden. Vreemdeling [naam slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij 5.000 dollar voor haar reis heeft betaald en uit het dossier blijkt dat zij en de andere vreemdelingen grote geldbedragen bij zich droegen. Op de telefoon van de verdachte zijn foto’s van een grote hoeveelheid geld aangetroffen. De rechtbank gaat er van uit dat de verdachte onderdeel is geweest van de keten die met dit bedrag werd betaald, omdat het onwaarschijnlijk is dat hij de genomen risico’s heeft genomen zonder daarvoor betaald te krijgen, naast het feit dat hij kosten heeft gemaakt om het ticket voor de ferry te betalen. Nu daarnaast van ideële motieven aan de zijde van de verdachte niet is gebleken, acht de rechtbank bewezen dat de verdachte uit winstbejag heeft gehandeld. In de uitoefening van zijn beroep De rechtbank is van oordeel dat dit onderdeel van de tenlastelegging onvoldoende uit het dossier blijkt en zal de verdachte daarvan vrijspreken. 4.1.3. Conclusie Bewezen is dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. 4.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij, in de periode van 11 juli 2019 tot en met 12 juli 2019 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam, althans in Nederland, en België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, anderen, te weten 5, personen met de Chinese en Albanese nationaliteit, - behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland en een andere lidstaat van de Europese Unie, te weten België en Groot-Brittannië en genoemde personen daartoe gelegenheid en middelen heeft verschaft en - uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en een andere lidstaat van de Europese Unie, te weten België en Groot-Brittannië door - bovengenoemde personen in een (afgesloten) kist in de laadruimte van een voertuig (met kenteken [kentekennummer] ) (achter/tussen de lading autobanden) te vervoeren door België en Nederland richting Hoek van Holland om vervolgens de boot naar Groot-Brittanië te nemen, en - een ticket aan te schaffen voor de ferry (Stena Line) van Hoek van Holland naar Groot-Brittannië, en (aldus) de doorreis en het transport en toegang door/naar en het verblijf in Nederland en België en Groot-Brittannië gefaciliteerd, terwijl hij, verdachte, en zijn mededader(s), wist(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.