← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2020:11787

vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/559625 / HA ZA 18-939 Vonnis van 23 december 2020 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DAMEN SHIPREPAIR ROTTERDAM B.V., gevestigd te Schiedam, eiseres in conventie, verweerster in reconventie, verweerster in het incident, advocaat mr. N.J. Margetson te Rotterdam, tegen rechtspersoon naar vreemd recht WELDING COMPANY N.V., gevestigd te Schelle, België, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, eiseres in het incident, advocaat mr. J. Blussé van Oud -Alblas te Rotterdam. Partijen zullen hierna DSR en WelCom genoemd worden.

  1. De procedure 1.
  2. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 15 april 2020 en de daarin opgesomde processtukken; - de akte na het tussenvonnis van DSR met productie; - de akte uitlaten deskundigenbericht tevens incidentele vordering tot schorsing, althans aanhouding, van WelCom met producties; - de antwoordakte van DSR. 1.
  3. Ten slotte is vonnis in het incident bepaald.
  4. Het geschil in het incident 2.
  5. WelCom vordert primair de procedure te schorsen, subsidiair die voor onbepaalde tijd aan te houden en (althans) niet over te gaan tot het bevelen van het deskundigenbericht en/of benoemen van een of meer deskundige(n) totdat in het hoger beroep definitief over de door DSR gestelde ontbindingen van de lasovereenkomst en de vaststellingsovereenkomst zal zijn beslist, met veroordeling van DSR in de kosten van het incident. 2.
  6. WelCom voert als grond voor haar incidentele vordering (samengevat) aan dat DSR hoger beroep heeft ingesteld van het in deze zaak door de rechtbank gewezen vonnis van 20 november 2019 en dat als de grieven van DSR slagen, zal vast komen te staan dat DSR de lasovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden en daarmee ook de vaststellingsovereenkomst. In dat geval zal het door de rechtbank voorgenomen deskundigenonderzoek zijn nut hebben verloren, aldus WelCom. 2.
  7. DSR voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering met veroordeling van WelCom in de kosten van het incident. 2.
  8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
  9. De beoordeling in het incident 3.
  10. Bij tussenvonnis van 20 november 2019 zijn de vorderingen van DSR afgewezen, waarmee de procedure in conventie bij de rechtbank is geëindigd. In reconventie is WelCom toegelaten te bewijzen dat zij de laswerkzaamheden aan de [naam vaartuig] correct en volgens de ten tijde van de laswerkzaamheden geldende lasspecificatie heeft uitgevoerd. De procedure in reconventie is hiermee procesrechtelijk losgekoppeld van de procedure in conventie. 3.
  11. WelCom vordert nu schorsing, althans aanhouding van de procedure. Aangezien WelCom de eisende partij in reconventie is en aanhouding van de zaak er nog slechts toe leidt dat haar vordering voorlopig niet verder beoordeeld zal worden, is er in beginsel geen reden om haar verzoek af te wijzen. Dit is slechts anders als aan de kant van DSR een zodanig concreet belang bestaat bij voortzetting van de procedure dat van haar niet kan worden gevergd dat de procedure wordt aangehouden totdat op het door haar in conventie ingestelde hoger beroep is beslist. DSR heeft in dit kader slechts aangevoerd dat aanhouding van de zaak zal leiden tot vertraging en dat het tijd wordt dat de zaak in eerste aanleg wordt afgerond. Het enkele feit dat aanhouding van de procedure leidt tot vertraging is echter onvoldoende om de belangenafweging in het voordeel van DSR te doen uitvallen. Niet is gesteld of gebleken dat DSR in een nadeliger positie komt doordat de rechtbank later vonnis wijst. 3.
  12. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de incidentele vordering van WelCom toewijzen, in die zin dat de procedure zal worden aangehouden in afwachting van de uitkomst in de hogerberoepsprocedure. 3.
  13. De rechtbank ziet aanleiding de proceskosten in het incident te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
  14. De verdere beoordeling in de hoofdzaak 4.
  15. De procedure zal worden aangehouden totdat het gerechtshof Den Haag heeft beslist op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank van 20 november
  16. De beslissing De rechtbank in het incident 5.
  17. wijst de vordering tot aanhouding van de procedure toe, 5.
  18. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat ieder partij de eigen kosten draagt, 5.
  19. wijst af het meer of anders gevorderde, in de hoofdzaak 5.
  20. houdt de procedure aan tot totdat het gerechtshof Den Haag heeft beslist op het hoger beroep tegen het vonnis in conventie van deze rechtbank van 20 november 2019, 5.
  21. verwijst de zaak naar de parkeerrol van woensdag 7 april 2021, 5.
  22. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr.drs. J. van den Bos, mr. W.J. van den Bergh en mr. J.E. Molenaar en in het openbaar uitgesproken op 23 december
  23. 2474/2504/3152/1407

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.