RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 8711381 CV EXPL 20-28854 uitspraak: 24 december 2020 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van 1. de stichtingStichting Bewaarder Kralust, 2. de commanditaire vennootschap EDS Rotterdam C.V., beide gevestigd te Naarden, eiseressen bij exploot van dagvaarding van 12 augustus 2020, gemachtigde: mr. Z.H. van Dorth tot Medler te Rotterdam, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats gedaagde] , gedaagde, gemachtigde: [naam 1] te Rotterdam. Partijen worden hierna aangeduid als “Kralust” en “EDS” respectievelijk “ [gedaagde] ”. 1. Het verloop van de procedure 1.1 Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken: de dagvaarding, met producties; de conclusie van antwoord, met producties; het tussenvonnis van 7 oktober 2020, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald. 1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 november 2020. Van de zijde van Kralust en EDS zijn verschenen de gemachtigde en [naam 2] , als beheerder werkzaam bij Vastgoed010. [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. 1.3 De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden. 2. De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast. 2.1 [gedaagde] huurde met ingang van 1998 de woning aan de [adres] van Woonstad Rotterdam (hierna: Woonstad). 2.2 Op 8 februari 2019 is Kralust eigenaar geworden van de woning en is zij daarmee als verhuurder in de plaats getreden van Woonstad. De rechten uit de huurovereenkomst worden uitgeoefend door EDS, die met Kralust een samenwerkingsverband vormt. Als beheerder van de woning treedt op Vastgoed010, die voor Kralust en EDS de huur ontvangt en contactpersoon is voor [gedaagde] . 2.3 Met het oog op renovatie van het pand, waarvan de woning van [gedaagde] deel uitmaakt, heeft Vastgoed010 op 5 maart 2019 een brief gestuurd aan [gedaagde] . 2.4 Bij brief van 8 maart 2019 heeft [gedaagde] op die brief gereageerd. Hierin staat - voor zover van belang - het volgende: “(…) Tot mijn spijt ben ik niet in staat om te beoordelen of de aangeboden vergoeding overeenkomt met de werkelijke kosten. Dit omdat in uw aanbod de alternatieve huurwoning ontbreekt. (…) Afrondend wil ik u vragen het voor mij mogelijk te maken uw aanbod te accepteren waarbij het aanbieden van een alternatieve huurwoning voor mij de belangrijkste overweging zal zijn.” 2.5 Bij e-mail van 12 maart 2019 heeft Vastgoed010 - voor zover van belang - als volgt gereageerd: “(…)De verhuurder zal - zonder alternatieve woonruimte aan te bieden - een eenmalige vergoeding van EUR 8.000,- uitkeren indien het huurcontract vrijwillig door u zal worden beëindigd. (…)” 2.6 Bij e-mail van 27 maart 2019 heeft [gedaagde] - voor zover van belang - als volgt gereageerd: “(…) Het lijkt bijna onmogelijk voor mij om binnen de gestelde tijdsduur in aanmerking te kunnen komen voor een huurwoning. Mocht van uw zijde zich een mogelijkheid voor huur aandienen houd ik mij aanbevolen. (…)” 2.7 Bij e-mail van 10 april 2019 heeft Vastgoed010 - voor zover van belang - het volgende voorstel aan [gedaagde] gedaan: “(…) De verhuurder zal - zonder alternatieve woonruimte aan te bieden - een eenmalige vergoeding van EUR 8.000,-- uitkeren indien het huurcontract vrijwillig door u zal worden Beëindigd. Indien het voorstel wordt geaccepteerd en het huurcontract wordt opgezegd zal u een termijn van 12 maanden worden gegund teneinde het gehuurde vrijwillig te verlaten en leeg op te leveren. (…)” 2.8 Bij e-mail van 19 april 2019 heeft [gedaagde] hierop - voor zover van belang - als volgt gereageerd: “(…) Ik heb uw mail van 10 april gelezen met daarin verwoord uw aanbod om bij vrijwillige huurbeëindiging er door u een verhuisvergoeding betaald zal worden van euro 8.000. Inmiddels ben ik ingeschreven als woningzoekende en verwacht in aanmerking te komen voor een toewijzing van een woning. Zeker omdat ik ook nu al een huurwoning heb. Onder voorbehoud van de juiste contractuele beschrijving kan ik instemmen met uw voorstel.(…)” 2.9 Bij e-mail van 19 april 2019 heeft Vastgoed010 een (concept-)vaststellingsovereenkomst aan [gedaagde] gestuurd. 2.10 Bij e-mail van 20 april 2019 heeft [naam 3] (hierna: [naam 3] ) - voor zover van belang - als volgt gereageerd: “Zoals u bekend heeft [gedaagde] geen e-mail adres en maakt ze gebruik van dit mail adres. Gelijktijdig zult u begrepen hebben dat ik [gedaagde] assisteer. (…) De huurovereenkomst is niet op 19 april opgezegd er is door [gedaagde] een voorbehoud gemaakt mbt de contractuele verwoording. De huurovereenkomst wordt dus vrijwillig opgezegd bij ondertekening van de vaststellingsovereenkomst. (…)” 2.11 Op 10 juli 2019 hebben EDS en [gedaagde] de vaststellingsovereenkomst ondertekend. Hierin zijn zij onder meer overeengekomen dat de huurovereenkomst met ingang van 20 april 2020 zal eindigen door middel van opzegging, dat [gedaagde] haar woning uiterlijk op die datum zal ontruimen en aan EDS zal opleveren, dat EDS binnen vijf dagen na het einde van de huurovereenkomst bij wijze van een verhuisvergoeding een bedrag van € 8.000,00 aan [gedaagde] zal uitkeren en dat EDS [gedaagde] geen alternatieve woonruimte zal aanbieden. 2.12 Bij brief van 6 maart 2020 heeft de gemachtigde van [gedaagde] – kort samengevat – gesteld dat [gedaagde] naast de verhuisvergoeding een vervangende woning had moeten krijgen en dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om zich te laten adviseren. 2.13 Bij brief van 20 april 2020 heeft de gemachtigde van Kralust en EDS de gemachtigde van [gedaagde] bericht dat [gedaagde] tot 20 augustus 2020 in de woning mag verblijven en dat EDS alsnog ontruiming zal vorderen indien [gedaagde] de woning op 20 augustus 2020 niet heeft verlaten. 2.14 Bij brief van 25 juni 2020 heeft de gemachtigde van [gedaagde] hierop - voor zover van belang - als volgt gereageerd: “(…) In antwoord op uw schrijven d.d. 20-04-2020, delen wijn mede dat cliente de woning niet zonder tussenkomst van de kantonrechter zal ontruimen. Het is in casus van groot belang dat u cliente binnen 7 dagen een woning van gelijke strekken aanbied (…)” 2.15 Bij brief van 17 juli 2020 heeft de gemachtigde van EDS - voor zover van belang – als volgt gereageerd: “(…) Cliënte blijft bij haar standpunt dat uw cliënte [gedaagde] op grond van de met cliënte gesloten vaststellingsovereenkomst, gehouden is uit haar woning aan de [adres] . De huurovereenkomst is immers middels voornoemde vaststellingsovereenkomst geëindigd. (…) In de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen dat cliënte niet verplicht is gelijke woonruimte aan te bieden zoals u verzoekt in uw brief. Cliënte zal daartoe dan ook niet overgaan. (…)” 3. Het geschil 3.1 Kralust en EDS hebben bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.