Rechtbank Rotterdam Team insolventie afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling rekestnummer: [nummer] uitspraakdatum: 9 december 2020 [naam] [adres] [woonplaats] , verzoekster. 1De procedure Verzoekster heeft op 18 september 2020 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster en mevrouw R. Gonesh, werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam, zijn gehoord ter terechtzitting van 2 december
- 2De feiten Verzoekster ontvangt inkomsten uit Participatiewet-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 48.493,
- 3De beoordeling Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is. De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke. Op de schuldenlijst van verzoekster staan diverse schulden aan de Gemeente Rotterdam met een totaalbedrag van € 16.763,94, die door de gemeente als fraudeschulden worden aangemerkt. Volgens verzoekster is deze schuld ontstaan omdat zij in de periode mei 2018 – januari 2019 een Participatiewet-uitkering heeft ontvangen terwijl zij daar geen recht op had. Naar het oordeel van de rechtbank is het de verantwoordelijkheid van verzoekster om er voor zorg te dragen dat de uitkeringsinstantie juist en volledig is geïnformeerd. Verzoekster heeft dit niet gedaan. Dit valt verzoekster te verwijten. Voorts valt het verzoekster te verwijten dat het bedrag waarop geen recht bestond na ontvangst niet is gereserveerd zodat dit terugbetaald had kunnen worden. Aldus is deze schuld niet te goeder trouw ontstaan althans onbetaald gelaten. Daarnaast heeft verzoekster schulden gemaakt die duiden op overbesteding. Daaronder verstaat de rechtbank schulden waarvan het aangaan niet strikt noodzakelijk was en waarvan verzoekster op het moment van aangaan wist of redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zij niet in staat zou zijn om deze te betalen. Verzoekster had reeds in 2010 een schuld aan Vodafone van € 5.673,19 laten ontstaan, welke thans buiten de vijfjaarstermijn valt. Vervolgens heeft verzoekster in 2017 en 2018 wederom telefoonschulden laten ontstaan bij Ziggo en T-Mobile met een totaalbedrag van € 2.809,
- Deze schulden zijn niet te goeder trouw ontstaan en staan aan toelating in de weg. Tevens moet voldoende aannemelijk zijn dat verzoekster de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is. Verzoekster heeft immers, ondanks het uitdrukkelijk verzoek daartoe in de bijlage bij de oproepingsbrief voor de mondelinge behandeling van haar verzoek, geen sollicitaties overgelegd. Daarnaast heeft schuldhulpverlening aangegeven dat verzoekster meermaals de gemaakte afspraken niet is nagekomen. De motivatie van verzoekster is moeilijk te toetsen, aldus schuldhulpverlening. Begin 2019 is het minnelijk traject door de Kredietbank gestaakt omdat er nieuwe schulden waren ontstaan in de vaste lasten en aan het Zilveren Kruis en de schulden toenamen. Gelet op het vorenstaande moet gevreesd worden dat verzoekster de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen, meer in het bijzonder de sollicitatieverplichting. Verzoekster heeft ter zitting niet aangetoond dat er thans sprake is van een stabiele financiële situatie. Indien zij gedurende de schuldsaneringsregeling niet in staat zal zijn om aan de daarmee samenhangende verplichtingen te voldoen, kan de regeling tussentijds worden beëindigd. In dat geval kan verzoekster gedurende tien jaar niet opnieuw een beroep op de schuldsaneringsregeling doen. Verzoekster is kortgeleden door de gemeente aangemeld bij het wijkteam en er heeft slechts één gesprek plaatsgevonden. Zodra verzoekster schriftelijk kan aantonen dat zij beschikt over voldoende ondersteuning (zoals bijvoorbeeld beschermingsbewind), kan zij een nieuw verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling indienen, welk verzoek dan mogelijk meer kans van slagen heeft. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden. 4De beslissing De rechtbank: - wijst het verzoek af. Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van B.G. van der Vlies, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 december
- Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.