Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/274167-19 Datum uitspraak: 16 november 2020 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] , raadsman mr. B.M.C.F. de Groen, advocaat te Breda. 1.Onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 november 2020. 2.Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3.Eis officier van justitie De officier van justitie mr. D.N.G. Woei-A-Tsoi heeft gevorderd: bewezenverklaring van het 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen met aftrek van de duur van de voorlopige hechtenis, waarvan 82 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarden meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling gericht op agressieregulatie en een contactverbod met de aangeefster [naam slachtoffer] ; dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden; oplegging van de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), inhoudende een contactverbod met de aangeefster [naam slachtoffer] , te vervangen door hechtenis voor de duur van één week per overtreding van de maatregel, met een maximum van zes maanden, waarbij deze maatregel dadelijk uitvoerbaar moet worden verklaard. 4.Waardering van het bewijs 4.1. Feit 1 Standpunt verdediging De verdacht ontkent dat hij de ogen van het slachtoffer heeft ingedrukt. Het letsel aan de ogen kan ook door de schop zijn veroorzaakt, zodat er voor het indrukken van de ogen onvoldoende bewijs is en vrijspraak moet volgen. Beoordeling Volgens de foto’s in het dossier had het slachtoffer letsel aan beide ogen (grote blauwe plekken rond de ogen). Dit letsel aan beide ogen tegelijk kan niet door één trap tegen het hoofd worden veroorzaakt. Het letsel past juist bij de verklaring van het slachtoffer dat haar beide ogen met de duimen werden ingedrukt. Conclusie Het verweer van de verdediging wordt verworpen. 4.2. Feit 3 Anders dan de officier van justitie, maar met de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard. De verdachte ontkent de aangeefster te hebben geslagen en/of gestompt en de aangeefster heeft evenmin over deze handelingen verklaard. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van het onder 3 ten laste gelegde feit. 4.3. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1 hij op 14 november 2019 te Vlaardingen aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en blijvend beperkt zicht, heeft toegebracht door - die [naam slachtoffer] tegen het gezicht te schoppen en- de ogen van die [naam slachtoffer] in te drukken; 2 hij op 14 november 2019 te Vlaardingen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen de keel van die [naam slachtoffer] heeft dichtgeknepen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. 5.Strafbaarheid feiten De bewezen feiten leveren op: 1. primair zware mishandeling 2 primair poging tot zware mishandeling Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. 6.Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7.Motivering straf 7.1. Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.2. Feiten waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft zijn ex-partner op straat op grove wijze mishandeld door haar onverhoeds tegen de grond te duwen en haar vervolgens, toen zij eenmaal op straat lag, tegen haar gezicht te schoppen en met zijn duimen haar ogen in te drukken. Daarnaast heeft hij ook haar keel dichtgeknepen, waardoor zij tijdelijk buiten bewustzijn is geweest. De verdachte is helemaal door het lint gegaan, en het is louter te danken aan het kordate optreden van een voorbijgangster dat het slachtoffer niet ernstiger gewond is geraakt. Door zo te handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Deze mishandelingen hebben een grote en blijvende impact op het slachtoffer. Het slachtoffer heeft door deze gebeurtenis pijn geleden en zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een gebroken neus en oogletsel waar zij nog steeds last van heeft. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij het in zijn frustratie vanwege relationele problemen heeft laten komen tot deze ernstige vormen van mishandeling. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijk geweld nog lange tijd daarna angstgevoelens en andere psychische klachten kunnen ondervinden door hetgeen hen is aangedaan. Dat dit ook het geval is bij de aangeefster, blijkt uit haar schriftelijke slachtofferverklaring die zij ter zitting heeft voorgelezen. Ook weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee dat hij weliswaar zegt zijn verantwoordelijkheid te nemen voor wat hij heeft gedaan, maar dat hij daarbij alleen de trap in het gezicht erkent en niet het dichtknijpen van de keel en het indrukken van de ogen. 7.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte 7.3.1. Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 februari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. 7.3.2. Rapportages Psycholoog [naam psycholoog] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 31 maart 2020. Dit rapport houdt, zakelijk weergegeven, onder meer het volgende in. Bij de verdachte is sprake is van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met vooral narcistische en borderline trekken. Hiervan was sprake ten tijde van het hem ten laste gelegde. In aanloop tot het hem ten laste gelegde, voelde hij de ernstige dreiging verlaten te worden, wat emoties uit het verleden heeft aangewakkerd. Toen de verlating voor hem een feit was, werd hij overspoeld door angst, woede en verdriet en ‘flipte’ hij. Door deze narcistische ‘krenking’ had hij zijn gedrag niet meer onder controle en was er een derde nodig om hem te stoppen. Daarom moet volgens de psycholoog het ten laste gelegde hem slechts in verminderde mate worden toegerekend. De kans op recidive wordt als matig geschat. Middels schematherapie zou de verdachte kunnen leren om zijn emoties beter te reguleren. Concreet wordt derhalve geadviseerd om hem in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel onder behandeling te stellen van een forensische polikliniek voor individuele therapie. Een reclasseringstoezicht is noodzakelijk om zicht te houden op de voortgang daarvan. De rechtbank heeft ook kennis genomen van de inhoud van de reclasseringsrapporten van 17 januari 2020 en 18 maart 2020, opgemaakt door de heer [naam reclasseringsmedewerker] . Uit deze rapporten komt naar voren dat de verdachte op sociaal- en economisch maatschappelijk vlak zonder daadwerkelijke problematiek en/of opmerkelijkheden functioneert. De kans op een herhaling van dergelijk gedrag is niet in hoge mate aanwezig, maar kan niet worden uitgesloten, omdat frustraties, die aan het tenlastegelegde ten grondslag hebben gelegen, nog altijd bij de verdachte aanwezig zijn en hij deze (nog) niet voldoende adequaat weet te kanaliseren. De reclassering adviseert om de verdachte, in geval van een veroordeling, een verplicht reclasseringscontact bij Reclassering Nederland op te leggen, gekoppeld aan een (ambulante) behandelverplichting. Binnen deze kaders kan het gedrag en de daarin een rol gespeelde hebbende problematiek nader worden geduid, kunnen eventuele verdere risico's worden belicht en kunnen er in het verlengde hiervan risico beperkende en gedragsveranderende interventies worden ingezet, gericht op de minimalisering van de kans op herhaling van gedrag zoals in onderhavige kwestie. Ter zitting heeft de verdachte zich bereid verklaard aan alle door de rechtbank te stellen voorwaarden te zullen houden. 7.4. Conclusies van de rechtbank Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. Op dergelijke ernstige feiten kan slechts worden gereageerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. In strafmatigende zin zal rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de feiten de verdachte in verminderde mate worden toegerekend. Hoewel de rechtbank ook heeft meegewogen dat terugkeer naar de gevangenis nadelige gevolgen kan hebben voor zijn onderneming, acht zij de ernst van de feiten zo zwaarwegend dat niet kan worden volstaan met een straf waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, zoals de officier van justitie heeft geëist. Daarom zal de rechtbank een hogere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist. Nu de psycholoog en de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk achten, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de onderstaande bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering: meldplicht bij reclassering ambulante behandelverplichting contactverbod met het slachtoffer De verdachte kan daardoor in het kader van daaraan te verbinden bijzondere voorwaarden worden behandeld voor zijn persoonlijkheidsproblematiek. De rechtbank ziet ook aanleiding tot het opnemen van een contactverbod met de aangeefster, zoals door haar verzocht. De aangeefster heeft aangegeven nu, maanden later, nog last te hebben van gevoelens van angst, onzekerheid en onveiligheid. Zij ervaart nog steeds veel spanningsklachten die een negatieve invloed hebben op haar dagelijks leven en wenst in de toekomst op geen enkele wijze contact te hebben met de verdachte. Het daarnaast nog opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Sr, acht de rechtbank niet noodzakelijk. Dat de officier van justitie bij eventuele overtreding van het contactverbod via twee wegen kan ingrijpen, zoals zij ter zitting heeft betoogd, vindt de rechtbank onvoldoende motivering voor oplegging van een dergelijke ingrijpende maatregel. Het voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal bevelen dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar zijn. Hierdoor wordt voorkomen dat de verdachte zonder toezicht (en zonder forensische hulpverlening) in vrijheid wordt gesteld. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. 8.Vordering benadeelde partij Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd mevrouw [naam slachtoffer] , wonende te Vlaardingen. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 744,90 aan materiële schade, bestaande uit: reiskosten à € 46,16. € 313,74 aan de dagwaarde van beschadigde bril, rekening houdend met 17 % afschrijving en de aanschafdatum van de bril (januari 2018); het verbruikte eigen risico 2019 à € 385,--. Daarnaast vordert zij een vergoeding van € 5.700,-- aan immateriële schade, in totaal een bedrag van € 6.444,90. 8.1. Standpunt officier van justitie De vordering van de benadeelde partij is genoegzaam onderbouwd en kan integraal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente. Voorts vordert de officier van justitie oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 8.2. Standpunt verdediging Primair verzoekt de verdediging de benadeelde partij in de gevorderde materiële kosten voor de posten b. en c. niet-ontvankelijk te verklaren, omdat: (ad
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.