vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/571167 / HA ZA 19-304 Vonnis van 22 april 2020 in de zaak van [eiser01] handelend onder de namen [bedrijf01] en [bedrijf02] , wonende te [woonplaats01] , eiser, advocaat mr. A.H.F. Beiboer te Rotterdam, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE ROTTERDAM , zetelend te Rotterdam, gedaagde, advocaat mr. J.P. van der Valk te ’s-Gravenhage. Partijen zullen hierna [eiser01] en de gemeente genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 15 maart 2019, met producties 1 tot en met 67; de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 3; het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 21 november 2019, met de bij die gelegenheid genomen akte vermeerdering van eis en overlegging stukken (producties 68 tot en met 122) van [eiser01] ; de vooraf ingezonden juridische samenvatting van [eiser01] ; de spreekaantekeningen van [eiser01] en van de gemeente; het bij email van 29 november 2019 door de gemeente op verzoek van de rechtbank nagezonden afschrift van het gemeenteblad van de gemeente (2014/41710); de brief van 9 december 2019 van [eiser01] met opmerkingen over het proces-verbaal; de conclusie van repliek, tevens akte wijziging van eis van [eiser01] , met producties 123 tot en met 148; de conclusie van dupliek, met producties 4 tot en met 8. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. [eiser01] is eigenaar van een perceel grond met opstallen, waaronder een timmermanswerkplaats, aan de [adres01] te [plaats01] (het perceel). Kadastraal is het perceel bekend als gemeente Charlois, [sectie01] , nummers [nummer01] en [nummer02] . 2.1.1. Het perceel ligt ingeklemd tussen huizenblokken. Aan de westkant zijn dat huizen aan de Schilperoortstraat, aan de noordkant zijn het huizen aan de Rockanjestraat, aan de oostkant zijn het huizen aan de Boergoensevliet en aan de zuidkant zijn het huizen aan de Voorns vliet. De Schilperoortstraat en de Boergoensevliet lopen min of meer noord/zuid, de Rockanjestraat en de Voornsevliet lopen min of meer oost/west. 2.1.2. In de zuidwesthoek van het perceel is een uitrit naar de Schilperoortstraat, deze loopt min of meer oost/west. Deze uitrit loopt tussen de panden [huisnummers01] , aan de noordkant, en [huisnummer01] , aan de zuidkant, naar de openbare weg. De erfgrens ligt ter hoogte van de voorgevel van die panden. 2.1.3. In de noordwesthoek van het perceel is een uitrit naar de Rockanjestraat, deze loopt min of meer noord/zuid. De uitrit loopt tussen het pand [adres02] , aan de oostkant, en de achtertuinen van de huizen aan de Schilperoortstraat, aan de westkant, naar de openbare weg. De erfgrens ligt ter hoogte van de voorgevel van het pand [adres02] . 2.2. [naam01] huurt en bewoont het pand [adres03] . Hij werkt bij de gemeente. 2.3.1. Tot 14 maart 2002 was er geen erfafscheiding aan het einde van de uitrit naar de Rockanjestraat. Op 14 maart 2002 is er een hek met poorten geplaatst op die uitrit, ter hoogte van de erfgrens tussen de Rockanjestraat en het perceel van [eiser01] , zodat alleen mensen met een sleutel van het hek nog gebruik kunnen maken van de uitrit. Sleutels van de poort zijn verstrekt aan bewoners wier tuinen grenzen aan de uitrit van [eiser01] . Voordat het hek werd geplaatst, was er geen ander hek dat de doorgang belemmerde tussen de Rockanjestraat en het perceel van [eiser01] . 2.3.2. Medio 2004 is er een hek met poort geplaatst aan de zuidkant van het perceel van [eiser01] , tussen het perceel en het daaraan grenzende achterpad van de huizen aan de Voornsevliet. De sleutel van deze poort is verspreid aan de bewoners van die huizen. Uit een meting van het kadaster blijkt dat dit hek niet op de erfgrens staat, maar op korte afstand daarvan, aan de zuidkant. Het hek staat dus in zijn geheel niet op het perceel van [eiser01] . Voordat dit hek werd geplaatst, was er geen ander hek dat de doorgang belemmerde tussen het achterpad en het perceel van [eiser01] . 2.4. Er is een notarieel vastgelegde erfdienstbaarheid. Het perceel van [eiser01] is het dienende erf, het perceel van [naam01] ’ woning is één van de twee heersende erven. De erfdienstbaarheid luidt volgens de notariële akte van vestiging als volgt: “Ten behoeve van [de heersende erven] en ten laste van het [dienende erf], wordt bij deze gevestigd de erfdienstbaarheid van voetpad en uitpad om te komen van en naar de Schilperoortstraat.” 2.5. Op 25 maart 2013 heeft [naam02] , bouwinspecteur bij de gemeente, het dak van een van de opstallen van [eiser01] betreden en daaraan schade toegebracht. 2.6. Op 19 september 2013 is de Schilperoortstraat afgesloten geweest in verband met het rooien van bomen in opdracht van de gemeente. De afsluiting heeft één dag geduurd. 2.7. In de periode 11 november 2013 tot en met 31 maart 2014 is gewerkt aan de riolering en de bestrating in de directe omgeving van het perceel van [eiser01] . Dit heeft geleid tot onder meer straatopbrekingen. 2.8. In de periode maart 2014 tot eind 2014 is er gewerkt aan de renovatie van appartementen aan de Voornsevliet/Boergoensevliet. De werkzaamheden zijn uitgevoerd door Meerbouw Rotterdam B.V. en zijn verricht onder coördinatie van de betreffende vereniging van eigenaars. Vijf jaar voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden is daarvoor een last onder bestuursdwang uitgevaardigd, waaraan alle appartementseigenaren – op één na – vrijwillig hebben voldaan. Voor dat appartement is bestuursdwang ook daadwerkelijk toegepast en zijn de kosten daarvan verhaald op de appartementseigenaar. 2.9. Vanaf januari 2015 zijn er in opdracht van de gemeente werkzaamheden uitgevoerd aan de achtergevels van de gebouwen aan de Schilperoortstraat. De werkzaamheden zijn uitgevoerd door Duttron Bouw V.O.F. 2.10. In de loop van 2016 is er tussen de [eiser01] en de gemeente onderhandeld over wijziging van de hekwerken rondom zijn terrein en met name de poorten daarin. 2.10.1. Op 9 november 2016 is er een bijeenkomst op het erf van [eiser01] geweest. Daarbij waren in elk geval [naam03] , [eiser01] en de raadsvrouw van [eiser01] aanwezig. Een geluidsopname is op USB-stick (productie 95) in het geding gebracht. De rechtbank heeft het volgende kunnen beluisteren in de opname met de bestandsnaam [bestandsnaam01] : “[…] Stem 1: Ja, twee weken vooraf bewoners informeren, maar eh, hè… [stemmen door elkaar] Stem 2: Anders is die tijd ook weer voorbij. Stem 3: Is er al een conceptbrief? Stem 1: Wij moeten twee, eh, na vandaag stellen wij de conceptbief op. Als we groe-groen licht hebben voor eh, van de brandweer en op uitvoering, dan stellen wij die brief op; hoeft niet lang te duren en dan informeren wij de mensen. Hij gaat eerst even langs u. Eh, na akkoord wordt die brief verspreid; termijn van twee weken, dan voeren we het uit. [twee keer instemmend gebrom, onduidelijk van wie] Stem 1: Voor het einde van het jaar zit die poort dicht. Stem 2: Einde van de maand. Stem x: Zou mogelijk moeten zijn. Stem 1: Zou mogelijk moeten zijn, zou mogelijk moeten zijn. Stem 2: We hebben nog drie weken. Ja. Stem 1: Ja. […]” De rechtbank kan niet vaststellen of ‘stem x’ dezelfde is als een van de genummerde stemmen. 2.10.2. Bij email van 25 november 2016 (productie 18 van [eiser01] ) heeft [naam03] het volgende bericht: “[…] Zoals tijdens ons overleg op 24 oktober [2016] en het bezoek bij u op locatie op 9 november [2016] besproken, moet aan een aantal voorwaarden voldaan zijn voordat ik opdracht kan verstrekken voor het (als noodoplossing) dichten van de poort in het bestaande hekwerk langs de tuinen aan de Voornsevliet. Het betreft de volgende voorwaarden […] 1.-2. […] 3. Kadastrale grensreconstructie Resultaat: de kadastrale grensreconstructie heeft nog niet plaatsgevonden. […] 4. Informeren eigenaren/bewoners Resultaat: de concept bewonersbrief is in de maak. De inhoud is mede afhankelijk van uitkomst van 3 (eigendomssituatie). […]” 2.10.3. Bij email van 22 december 2016 (productie 16 van [eiser01] ) heeft [naam03] [eiser01] het volgende bericht: “[…] Bijgevoegd ontvangt u zoals afgesproken het concept plan van aanpak, inclusief bijlagen, voor de werkzaamheden met betrekking tot de hekwerken rond uw perceel. […] Zodra u akkoord bent met het plan van aanpak zal ik de benodigde vervolgstappen in gang zetten. […]” 2.10.4. Het bij deze email gevoegd plan van aanpak vermeldt onder meer: “[…] Uitvoering werkzaamheden na akkoord van de heer [eiser01] Indien de heer [eiser01] akkoord is met de voorgestelde aanpak, wordt een verklaring opgesteld die door de [eiser01] ondertekend dient te worden. In deze verklaring geeft de heer [eiser01] finale kwijting voor alle claims m.b.t. de hekwerken na uitvoering van de afgesproken werkzaamheden. […]” (vet in origineel) 2.10.5. [eiser01] heeft niet ingestemd met het plan van aanpak. 2.11.1. In juli 2016 is een verkeersbesluit genomen voor het westelijk deel van de Boergoensevliet in Rotterdam, waarbij een 30 km-zone is ingesteld, ondersteund door wegversmallingen en verkeersdrempels. In oktober 2018 zijn er extra wegversmallingen aangebracht en rotsblokken op wegversmallingen geplaatst. Hierdoor is de Boergoensevliet niet langer feitelijk toegankelijk voor voertuigen langer dan 15 meter. 2.11.2. [eiser01] heeft op 20 mei 2019 verzocht om bestuursrechtelijke handhaving van het verkeersbesluit van juli 2016, in die zin dat de weg (weer) feitelijk toegankelijk wordt gemaakt voor voertuigen langer dan 15 meter. Dit houdt in elk geval in verwijdering van de rotsblokken. Naar aanleiding van het verzoek is namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente besloten de rotsblokken te verwijderen, maar de lengtebeperking te behouden. Het bezwaar tegen het besluit tot afwijzing van het verzoek tot handhaving is ongegrond verklaard bij besluit van het college van 29 november 2019. 2.11.3. Bij besluit van 16 december 2019 heeft het college een nieuw verkeersbesluit genomen voor de Boergoensevliet, strekkende tot het instellen van een verbod voor voertuigen langer dan 15 meter. 3. Het geschil 3.1. [eiser01] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. verklaart voor recht dat (dossier [naam01] ) A1. de gemeente aansprakelijk is voor het onrechtmatig handelen van haar ondergeschikte [naam01] en/of zijn Roteb-collega’s en de gemeente uit dien hoofde verplicht is tot vergoeding aan [eiser01] van de schade die [eiser01] hierdoor heeft geleden, lijdt en nog zal lijden; A2. de gemeente aansprakelijk is voor het onrechtmatig handelen van haar ondergeschikten, te weten twee leidinggevenden van [naam01] , die op 23 juli 2015 het erf van [eiser01] betraden en hem intimiderend bejegenden en de gemeente uit dien hoofde verplicht is tot vergoeding aan [eiser01] van de schade die [eiser01] hierdoor heeft geleden, lijdt en nog zal lijden; A3. de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser01] onder meer door: a. onvoldoende maatregelen te treffen en onvoldoende aanwijzingen te verstrekken aan [naam01] en/of zijn collega’s ter voorkoming van inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser01] dan wel ter voorkoming van hinder dan wel overlast bij [eiser01] doordat [naam01] en zijn collega’s, tezamen dan wel ieder afzonderlijk, tijdens diensttijd gebruik maken van het erf van [eiser01] om te gaan van en naar de tuingang van de heer [naam01] , ter aflevering of tot het ophalen van zaken bij de woning van [naam01] dan wel ter pauzering; b. zodanige maatregelen te treffen dat de huidige, voor [eiser01] , zeer hinderlijke situatie in stand blijft, door onder meer aan [naam01] financiële ondersteuning te bieden, in het bijzonder door rechtsbijstand in te kopen voor [naam01] ten behoeve van zijn advocaten voor het voeren van gerechtelijke procedures tegen [eiser01] en het rechtstreeks afdragen van de door [naam01] verschuldigde huurpenningen aan diens verhuurder Pasman Holding B.V.; c. niet alle klachten van [eiser01] , noch al het door [eiser01] aan de gemeente verstrekte bewijs en beeldmateriaal te betrekken bij het door de gemeente uitgevoerde integriteitsonderzoek ten aanzien van [naam01] en/of zijn Roteb-collega’s en/of zijn leidinggevenden; (dossier hekwerken) B1. de gemeente aansprakelijk is voor de door [eiser01] geleden schade en nog te lijden schade als gevolg van de plaatsing van hekwerken rond en op zijn erf, het aanbrengen van een toegangsdeur aan de zijde Voornsevliet terwijl er vanaf die zijde geen sprake is van te respecteren rechten tot toegang tot het erf van [eiser01] en het soort slot dat in beide toegangsdeuren is geplaatst (geen uniek cilinderslot) en de wijze waarop de sleuteluitgiften van de toegangsdeuren heeft plaatsgevonden, leidende tot diverse rechtsinbreuken, hinder en vernieling/beschadiging van onder meer de aanwezige – toen net nieuw aangelegde – bestrating (onder meer verfvlekken); B2. de gemeente aansprakelijk is voor de door [eiser01] geleden schade en nog te lijden schade door geen uitvoering te geven aan de overeenkomst plaatsing van een tijdelijk (demontabel) noodhek op het erf van [eiser01] aan de zijde Voornsevliet dan wel wegens het voortijdig afbreken van de onderhandelingen dienaangaande door ter zake met nieuwe – onredelijke – eisen te komen (finale kwijting) vooruitlopend op een algehele regeling aangaande de kwestie hekwerken; (dossier bomen kappen, riolerings en herbestratingswerkzaamheden, renovatiewerkzaamheden Meerbouw en Duttron) C1. de gemeente uit hoofde van onrechtmatige daad en/of artikel 7:760 leden 2 en 3 BW aansprakelijk is jegens [eiser01] voor de schade die [eiser01] heeft geleden en nog lijdt als gevolg van het niet in acht nemen van de zorgvuldigheid die zij behoorde te nemen in het kader van de aanbesteding van de werkzaamheden aan derden wegens de riolerings en herbestratingswerkzaamheden, bomen kappen en de renovatiewerkzaamheden rond het erf van [eiser01] ; C2. de gemeente uit hoofde van onrechtmatige daad en/of artikel 7:760 leden 2 en 3 BW aansprakelijk is jegens [eiser01] voor de schade die [eiser01] heeft geleden en nog lijdt als gevolg van het niet tijdig treffen van deugdelijke voorzieningen en/of maatregelen, zoals deugdelijke omleidingsroutes, ter behoud van de bereikbaarheid van het bedrijf van [eiser01] tijdens de uitvoering van de werkzaamheden bomen kappen en riolerings en herbestratingswerkzaamheden; (bedrijfsreinigingrecht) D. de gemeente aansprakelijk is voor de door [eiser01] geleden voor de door [eiser01] geleden schade ten gevolge van de onjuiste oplegging van aanslagen bedrijfsreinigingsrecht over de jaren 2014, 2015 en 2016, welke schade nader dient te worden opgemaakt en vereffend volgens de wet; ( [naam02] ) E. de gemeente aansprakelijk is voor het onrechtmatig handelen van haar ambtenaar [naam02] , die op of omstreeks 25 maart 2013 tijdens een vorstperiode het dak van een opstal van [eiser01] heeft betreden, waardoor [eiser01] schade heeft geleden; (onteigeningsdeskundige) F. de gemeente aansprakelijk is voor de door [eiser01] gemaakte kosten wegens de inschakeling van de onteigeningsdeskundige [naam04] ; (tegenwerking exploitatie bedrijf) G. de gemeente onrechtmatig handelt jegens [eiser01] onder meer door onvoldoende rekening te houden met zijn bedrijfsexploitatie ter plaatse aan de [adres01] te [plaats01] , deze bedrijfsexploitatie – al dan niet opzettelijk – te belemmeren dan wel te bemoeilijken middels feitelijke handelingen (bijvoorbeeld het plaatsen van rotsblokken zonder onderliggend verkeersbesluit), haar bedrijfsexploitatie ten onrechte niet te hebben meegenomen bij de totstandkoming van het vigerende bestemmingsplan Oud-Charlois en/of de onderhandelingen over een bedrijfsverplaatsing niet te vervolgen; II. primair: de gemeente veroordeelt tot vergoeding aan [eiser01] van schade die [eiser01] heeft geleden, lijdt en nog zal lijden ten gevolge van de hierboven onder I gevraagde verklaringen voor recht, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 november 2013 althans vanaf de dag dat de onrechtmatige handeling heeft plaatsgevonden, subsidiair vanaf 15 maart 2019, meer subsidiair vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum; subsidiair: de gemeente gelet op het égalitébeginsel veroordeelt tot vergoeding aan [eiser01] van de door [eiser01] geleden schade als gevolg van de uitvoering van de riolerings en herbestratingswerkzaamheden, bomen rooien, renovatiewerkzaamheden rond het erf van [eiser01] , de foutieve plaatsing van de hekwerken, de toegangsdeur daarin aan de zijde Voornsevliet alsmede de wijze van uitgifte van sleutels van die toegangsdeuren aan diverse omwonenden die geen recht daartoe hadden en/of als gevolg van de schade en hinder die de ambtenaren van de gemeente, waaronder [naam01] , zijn Roteb-collega’s en zijn leidinggevenden en [naam02] aan [eiser01] hebben toegebracht en/of nog zullen toebrengen, welke vergoeding nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2013, althans vanaf de dag dat de onrechtmatige handeling heeft plaatsgevonden, subsidiair vanaf 15 maart 2019, meer subsidiair vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum; III. de gemeente veroordeelt tot vergoeding van de redelijkerwijze door [eiser01] gemaakte kosten wegens rechtsbijstand in de diverse geschillen, voor rechtskosten en werkzaamheden voorafgaand aan deze gerechtelijke procedure alsmede tijdens deze procedure (onder meer ten behoeve van de rechtszitting van 20 december 2019 waarop de gemeente niet is verschenen), op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; IV. de gemeente gebiedt dat zij noch haar ambtenaren noch door haar in te schakelen derden bij uitvoering van werken in haar opdracht: a. het erf van [eiser01] zullen betreden of belemmeren; b. [eiser01] tijdig een voorafgaande kennisgeving zal sturen in voorkomende gevallen van uitvoering van werken in opdracht van de gemeente op of rond het bedrijf van [eiser01] ; c. op het erf van [eiser01] zaken zal (doen) stallen of anderszins hinder, in welke vorm dan ook, zal veroorzaken; zulks op straffe van een aan [eiser01] te betalen dwangsom van € 500,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, per overtreding en voor iedere dag dat niet door de gemeente aan deze veroordeling wordt voldaan, een deel van een dag daaronder begrepen; V. primair: de gemeente veroordeelt tot het wijzigen van de toegangsdeur in het hekwerk zijde Voornsevliet zodanig dat deze deur niet meer door omwonenden gebruikt kan worden, bijvoorbeeld zoals door de gemeente is toegezegd en geoffreerd door [naam05] aan de gemeente blijkens het plan van aanpak (22 december 2016), de huidige deur in het hekwerk te verwijderen en een vast segment daarvoor terug te plaatsen, waardoor ook het noodhek kan komen te vervallen dan wel door het plaatsen van een ander cilinderslot en de sleutel niet aan de bewoners af te geven, een en ander na verkregen toestemming van ‘de VvE Boergoensevliet, Voornsevliet, Schilperoortstraat’, althans onder eventuele nadere door de rechtbank in goede justitie te bepalen voorwaarden, waaronder een tijdsbepaling betreffende het starten met uitvoering geven aan deze veroordeling en het informeren van [eiser01] over de ontwikkelingen dienaangaande, alsmede te bepalen wanneer de uitvoering gereed dient te zijn; subsidiair: de gemeente veroordeelt tot vervangende schadevergoeding indien de feitelijke uitvoering van het onder V primair gevorderde onmogelijk is wegens het ontbreken van benodigde medewerking van derden; VI. primair: de gemeente veroordeelt tot het plaatsen van hekken langs de tuinen van de bewoners aan de Schilperoortstraat en Rockanjestraat, waarvan de tuinen grenzen aan de zijde van het erf van [eiser01] , uitrit Rockanjestraat, welke hekken zijn opgenomen in het door de gemeente opgestelde en op 22 december 2016 toegezonden plan van aanpak en blijkens dit plan ook geoffreerd zijn door [naam05] , een en ander na verkregen toestemming van de betreffende bewoners en met inachtneming van eventuele notariële rechten van erfdienstbaarheid, althans onder althans onder eventuele nadere door de rechtbank in goede justitie te bepalen voorwaarden, waaronder een tijdsbepaling betreffende het starten met uitvoering geven aan deze veroordeling en het informeren van [eiser01] over de ontwikkelingen dienaangaande, alsmede te bepalen wanneer de uitvoering gereed dient te zijn; subsidiair: de gemeente veroordeelt tot vervangende schadevergoeding indien de feitelijke uitvoering van het onder VI primair gevorderde wegens het ontbreken van benodigde toestemming van derden; VII. de gemeente veroordeelt tot betaling van een dwangsom van € 500,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere keer dat een werknemer van de gemeentelijke reinigingsdienst in dienstkleding dan wel zich met een voertuig van de gemeente zich bevindt op het erf van [eiser01] en daarbij zaken verplaatst van dan wel naar de achtertuin van de woning [adres03] [plaats01] ; VIII. 1. de gemeente gebiedt tot verwijdering van de litigieuze rotsblokken zich bevindende in de berm van het westelijk weggedeelte van de Boergoensevliet, tussen de Frans Bekkerstraat en de Kromme Zandweg binnen 48 uur na betekening van het vonnis aan de gemeente, althans binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn; 2. de gemeente gebiedt wegversmallingen die belemmerend zijn voor de belevering van [eiser01] ongedaan te maken, en dergelijke handelingen die de aanrijroute naar het bedrijf van [eiser01] negatief beïnvloeden, dan wel waarvan verwacht kan worden dat deze redelijkerwijze de aanrijroute negatief kunnen beïnvloeden, te staken en gestaakt te houden, totdat een deugdelijke oplossing door de gemeente is gerealiseerd ter belevering van het bedrijf van [eiser01] , gevestigd aan de [adres01] te [plaats01] van 06.00 uur tot 18.00 uur op werkdagen en zaterdagen, middels vrachtwagens met een lengte van 16,5 meter en 18 meter, waarvoor een parkeerruimte benodigd is van minimaal 21 meter en daarbij rekening houdend dat de vrachtwagens aan twee zijden gelost dienen te worden in verband met gebruik van een kooiaap, een en ander in de directe nabijheid van zijn erf aan de [adres01] te [plaats01] ; 3. de gemeente verbiedt tot het nemen van feitelijke maatregelen en/of besluiten die de aanrijroute naar het bedrijf van [eiser01] negatief beïnvloeden, dan wel waarvan redelijkerwijze verwacht kan worden dat deze maatregelen en/of besluiten de aanrijroute negatief kunnen beïnvloeden; 4. de gemeente veroordeelt tot betaling van een dwangsom aan [eiser01] voor elk schending van elk van de onder VIII.1, VIII.2 en VIII.3 genoemde geboden en verboden, ten bedrage van € 5.000,00 per overtreding voor iedere dag, een deel van een dag daaronder begrepen, althans een door de rechtbank in goede justitie te betalen bedrag, dat de gemeente in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen na betekening van het vonnis; 5. de gemeente veroordeelt tot betaling van schadevergoeding aan [eiser01] voor schade die [eiser01] heeft geleden ten gevolge van de in oktober 2018 feitelijk aangebrachte verkeersbelemmerende maatregelen (rotsblokken en/of wegversmallingen) in (de berm van) het westelijk weggedeelte van de Boergoensevliet, tussen de Frans Bekkersstraat en Kromme Zandweg zonder dat er rechtsgeldige besluitvorming hieraan ten grondslag ligt dan wel lag en wel voor de duur dat deze belemmeringen aldaar zich hebben bevonden zonder rechtsgeldige besluitvorming, welke schadevergoeding nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet; IX. de gemeente veroordeelt in de kosten van het geding, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na uitspreken ervan en nakosten ter hoogte van € 131,00 of € 199,00 indien betekening van het vonnis plaatsvindt. 3.2. De gemeente voert verweer, dat strekt tot onbevoegdverklaring van de rechtbank, niet-ontvankelijkverklaring van [eiser01] en afwijzing van de vorderingen. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling Wijzigingen van eis 4.1. De gemeente heeft in haar conclusie van dupliek verklaard zich niet te verzetten tegen de eiswijzigingen van [eiser01] . De rechtbank doet dan ook recht op de eis zoals geformuleerd aan het slot van de conclusie van repliek. Algemene overwegingen met betrekking tot de vorderingen 4.2. Het is niet aan de rechtbank om de vorderingen van één van partijen te formuleren. Het is ook niet aan de rechtbank om erbij te verzinnen wat er niet staat. De formulering ‘onder meer’ (zoals in vordering I.A3) is dus zinledig. De rechtbank kan alleen beoordelen wat is uitgeschreven. De rechtbank zal dan ook overal ‘onder meer’ (of soortgelijke formuleringen) negeren en alleen de concrete invulling die erop volgt, beoordelen. Vordering I.A: dossier [naam01] onderdeel 1: algemene aansprakelijkheid voor [naam01] en zijn collega’s 4.3.1. De rechtbank is van oordeel dat de formulering van de gevorderde verklaring voor recht aan haar toewijzing in de weg staat. Als de verklaring wordt uitgesproken zoals gevorderd, is onduidelijk welke gedragingen, wanneer en door wie gepleegd, nu precies onrechtmatig zijn. Concrete gedragingen (wat en wanneer) ontbreken geheel, de omschrijving van de vermeende plegers is bijzonder ruim. Het is niet aan de rechtbank om in te vullen op welke concrete gedragingen van welke personen de verklaring voor recht precies moet zien; het is aan [eiser01] om dat te doen. onderdeel 2:het voorval van 23 juli 2015 4.3.2.1. De feitelijke stellingen in onderdeel 53 van de dagvaarding zijn nogal summier. Afgaande op de stellingen van [eiser01] hebben twee mensen het erf betreden en daar [eiser01] geïntimideerd. Hoe dat intimideren is gebeurd, is onduidelijk, want [eiser01] komt niet verder dan het stellen van twee min of meer concreet gedane uitspraken. Naar de stellingen van [eiser01] was er een discussie over “waarom [eiser01] dacht dat het terrein tot zijn eigendommen behoorde”. Ook zou een van de bezoekers gezegd hebben dat hij bezig was “een probleem van [naam01] op te lossen”. Deze uitspraken zijn naar hun inhoud noch op zichzelf, noch gezamenlijk, intimiderend. Er wordt niets gesteld over een mogelijke fysieke bedreiging en er is van een dergelijke situatie ook helemaal niets te zien op de foto’s die [eiser01] als productie 31 in het geding heeft gebracht. 4.3.2.2. Verder laat [eiser01] na om te stellen waarom de gemeente aansprakelijk zou zijn. Dat [eiser01] een gemeentelogo zou hebben herkend op de kleding van een van beiden, is niet voldoende. Ook de blote stelling dat het leidinggevenden van [naam01] zouden zijn – hoe [eiser01] tot deze conclusie komt, is overigens onduidelijk –, is niet voldoende. Voor werkgeversaansprakelijkheid op grond van artikel 6:170 BW is het enkele feit dat er een werkgever-werknemer-verhouding is, niet voldoende. Er moet sprake zijn van de vervulling van een taak (daarover heeft [eiser01] niets gesteld) waardoor de kans op de fout (kennelijk: de intimidatie) is vergroot (ook daarover heeft [eiser01] niets gesteld in het kader van dit voorval). 4.3.2.3. Al met al kan dit onderdeel van de vordering kan dan ook niet worden toegewezen. onderdeel 3a: maatregelen tegen [naam01] en/of zijn collega’s in verband met het gaan van en naar de tuin van [adres03] 4.3.3. Dat [naam01] en collega’s van [naam01] via het erf van [eiser01] de achtertuin van de [adres03] betreden, is niet tussen partijen in geschil. 4.3.3.1. Het enkele betreden van erf van [eiser01] is echter op zichzelf niet onrechtmatig, want er is een erfdienstbaarheid gevestigd (rechtsoverweging 2.4). Er is geen enkel aanknopingspunt in de omschrijving van de erfdienstbaarheid te vinden die het gevestigde recht beperkt tot bepaalde tijden, bepaalde gebruikers (al dan niet herkenbaar aan bepaalde kleding) of het gebruik voor een bepaald doel (zoals het kunnen houden van pauze). Er is ook niets geregeld over het al dan niet meevoeren van zaken. Alleen al hierom kan niet worden geoordeeld dat sprake is van onrechtmatig handelen van werknemers van de gemeente, noch – in het verlengde daarvan – van onrechtmatig handelen door de gemeente door het – gesteld – achterwege laten van maatregelen en aanwijzingen. 4.3.3.2. Voorts is de manier waarop een erfdienstbaarheid wordt benut primair een zaak tussen de benutter en de gerechtigde tot het dienende erf. De gemeente staat hier in beginsel buiten. Voor een uitzondering moet méér worden gesteld dan het werknemerschap van [naam01] alleen (zie ook rechtsoverweging 4.3.2.2). 4.3.3.3. Al met al kan dit onderdeel van de vordering kan dan ook niet worden toegewezen. onderdeel 3b, eerste concrete verwijt: inkoop van rechtsbijstand 4.3.4.1. Gelet op het grondrecht dat iedereen vrije toegang heeft tot de rechter (artikel 17 van de Grondwet (Gw) en artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden), kan slechts in uitzonderlijke gevallen worden geoordeeld dat het voeren van een rechterlijke procedure onrechtmatig is. Het is bij uitstek de rechter die een dergelijke procedure voorgelegd krijgt, die hierover een oordeel kan vormen. 4.3.4.2. Het is al zeldzaam dat het enkele voeren van een procedure onrechtmatig is, maar vanwege het grondrecht op bijstand in rechte (artikel 18, eerste lid, Gw), kan slechts in nog uitzonderlijker gevallen het (doen) ondersteunen van een ander in rechte onrechtmatig zijn. Om tot dat oordeel te kunnen komen moet niet alleen worden geoordeeld dat degene die de procedure voert onrechtmatig handelt, maar in elk geval ook dat degene die ondersteunt dit ten minste wist of behoorde te weten. 4.3.4.3. Dit alles betekent dat hoge eisen worden gesteld aan de onderbouwing van de stellingen dat een ander ten onrechte een derde ondersteunt bij het voeren van een geding. Aan die hoge eisen heeft [eiser01] niet voldaan. Uit de stellingen van [eiser01] kan de rechtbank niets afleiden dat duidt op misbruik van (proces)recht door [naam01] . Evenmin is gesteld of gebleken dat een rechter dat in een concreet geding heeft vastgesteld. Laat staan dat uit de stellingen van [eiser01] volgt dat de gemeente dit wist of behoorde te weten. [eiser01] heeft dan ook onvoldoende gesteld om te kunnen komen tot het oordeel dat de gemeente op dit punt onrechtmatig heeft gehandeld en ook dit onderdeel van de vordering zal worden afgewezen. onderdeel 3b, tweede concrete verwijt: rechtstreekse afdracht van huurpenningen 4.3.5. De wijze van uitbetaling van bezoldiging is een zaak van (overheids)werkgever en werknemer, waar [eiser01] volledig buiten staat. Van enig onrechtmatig handelen van de gemeente jegens [eiser01] is op dit punt dus geen sprake. Dit onderdeel van de vordering kan niet worden toegewezen. onderdeel 3c: integriteitsonderzoek 4.3.6.1. Wanneer een (overheids)werkgever de integriteit van een of meer van haar werknemers onderzoekt, is dat primair een zaak tussen werkgever en werknemer. Het onderzoek kan worden verricht op instigatie van een derde, maar dat maakt die derde nog geen partij daarbij en geeft hem ook geen recht de omvang, aard of werkwijze van dat onderzoek (mede) te bepalen. Er is geen maatschappelijke norm die ertoe strekt dat een overheidswerkgever als de gemeente jegens een derde verplicht is bepaald integriteitsonderzoek op een bepaalde wijze uit te voeren, laat staan dat een dergelijke norm in deze zaak zou zijn geschonden. 4.3.6.2. Dit alles laat onverlet dat er afspraken kunnen worden gemaakt met degene die vraagt om een onderzoek. Als dergelijke afspraken niet worden nagekomen, is sprake van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis uit overeenkomst en dat is in de regel onrechtmatig jegens de wederpartij. Echter, [eiser01] heeft dergelijke afspraken onvoldoende gemotiveerd gesteld. De stelling dat door [naam06] het overzicht van punten van productie 38 van [eiser01] “zou worden onderzocht” is niet meer dan een blote stelling die op geen enkele wijze wordt onderbouwd. De rechtbank laat deze dan ook voor wat zij is en concludeert dat ook dit onderdeel van de vordering niet kan worden toegewezen. Vordering I.B: dossier hekwerken bevoegdheid 4.4.1. Het betoog van de gemeente dat de rechtbank onbevoegd is deze vordering te beoordelen, wordt verworpen. De burgerlijke rechter is de rechter die bevoegd is te oordelen over vorderingen uit onrechtmatige daad (eerste onderdeel) en de niet-nakoming van verbintenissen uit overeenkomst of het afbreken van onderhandelingen daarover (tweede onderdeel). Dit zijn immers allemaal verbintenissen naar burgerlijk recht. ontvankelijkheid 4.4.2. Het betoog van de gemeente dat [eiser01] niet-ontvankelijk is in deze vordering, wordt verworpen. 4.4.2.1. De Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten is per 1 juli 2013 voor een deel in werking getreden. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nieuwe titel 8.4 ingevoegd. Centraal staat artikel 8:88 Awb, waar is geregeld in welke gevallen de bestuursrechter bevoegd is een veroordeling tot schadevergoeding uit te spreken. De bestuursrechter is bevoegd wanneer de schade samenhangt met – kort gezegd – besluiten in de zin van de Awb of feitelijke handelingen ten aanzien van een ambtenaar als zodanig (eerste lid), en alleen als deze niet zijn uitgezonderd van beroep bij de bestuursrechter (tweede lid). 4.4.2.2. Het plaatsen van hekwerken met een toegangsdeur, de keuze voor een slot, de uitgifte van sleutels, het niet-nakomen van een (gestelde) overeenkomst tot het plaatsen van een hek, het afbreken van onderhandelingen: het zijn allemaal feitelijke handelingen en dus geen besluiten in de zin van de Awb. Op die grond is de bestuursrechter dus niet bevoegd en is er geen reden voor de burgerlijke rechter om [eiser01] niet ontvankelijk te verklaren. 4.4.2.3. De Algemene Verordening Nadeelcompensatie (AVN) van Rotterdam staat, los van het exacte moment van inwerkingtreding, evenmin in de weg aan ontvankelijkheid. Ten eerste is er simpelweg niet gesteld of gebleken dat een besluit is genomen, of aangevraagd, in de zin van artikel 2 AVN. Ten tweede is de AVN van toepassing op schade ten gevolge van de rechtmatige uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid, terwijl [eiser01] nu juist stelt dat er onrechtmatig is gehandeld door de gemeente. 4.4.2.4. Zelfs als deze twee hordes zouden worden genomen, dan nog is [eiser01] ontvankelijk bij de burgerlijke rechter. Een besluit op grond van de AVN is niet een besluit waarover in enige of hoogste instantie wordt geoordeeld door de Centrale Raad van Beroep of de belastingkamer van de Hoge Raad, zodat er geen exclusieve bevoegdheid is van de bestuursrechter op grond van artikel 8:89, eerste lid, Awb. Uit de combinatie van het tweede en derde lid van artikel 8:89 Awb volgt dat de benadeelde kan kiezen. [eiser01] heeft gekozen voor de burgerlijke rechter, hetgeen juist de bestuursrechter onbevoegd maakt. 4.4.2.5. Ten slotte wijst de rechtbank op artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb, waarin is bepaald dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit inzake vergoeding van schade wegens onrechtmatig bestuurshandelen. Ook deze bepaling leidt tot onbevoegdheid van de bestuursrechter, op grond van artikel 8:88, tweede lid, Awb. onderdeel 1: algemene aansprakelijkheid 4.5.1. De rechtbank herinnert eraan dat eenieder wordt geacht geleden schade zelf te dragen: het uitgangspunt is dat de schade ligt waar zij valt. Dat wordt alleen anders op basis van een wettelijke grondslag. De meest voorkomende zijn overeenkomst (inclusief alle bedingen en wettelijke bepalingen met betrekking tot niet of gebrekkig nakomen) en onrechtmatige daad. [eiser01] grondt deze vordering kennelijk op onrechtmatige daad. Dan moet gesteld en zo nodig bewezen worden dat de gemeente een inbreuk op een recht heeft gepleegd, dan wel heeft gedaan of nagelaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. 4.5.2. Een ander uitgangspunt is dat degene die onrechtmatig handelt, ook degene is die aansprakelijk is voor de schade. Een derde kan alleen aansprakelijk zijn voor niet door hem gepleegd onrechtmatig handelen als daarvoor een wettelijke grondslag is (doorgaans te vinden in afdeling 6.3.2 BW). Die grondslag moet dan wel worden gesteld en zo nodig moeten de feiten die de grondslag ondersteunen worden bewezen. 4.5.3. Ten slotte wijst de rechtbank op een aantal uitgangspunten van het eigendomsrecht. Het staat de eigenaar met uitsluiting van een ieder vrij van de zaak gebruik te maken, mits dit gebruik niet strijdt met rechten van anderen en de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen daarbij in acht worden genomen (artikel 5:1, lid 2, BW). De eigenaar van een erf is bevoegd dit af te sluiten (artikel 5:48 BW). Wanneer een erf niet is afgesloten, mag ieder er zich op begeven, tenzij de eigenaar schade of hinder hiervan kan ondervinden of op duidelijke wijze kenbaar heeft gemaakt, dat het verboden is zonder zijn toestemming zich op het erf te bevinden, een en ander onverminderd hetgeen omtrent openbare wegen is bepaald (artikel 5:22 BW). 4.5.4.1. Het hek tussen het perceel en het achterpad van de panden aan de Voornsevliet (aan de zuidkant van het perceel) staat niet op het perceel van [eiser01] , maar staat daarnaast. De eigenaar van die grond (de buureigenaar) is bevoegd zijn perceel af te sluiten, maar is dat niet verplicht. De buureigenaar mag dus ervoor kiezen een hek te plaatsen of geen hek te plaatsen. Hij mag er ook voor kiezen een hek te plaatsen langs slechts een deel van de erfgrens of er doorgangen in te maken; wie het meerdere mag (helemaal afsluiten), mag ook het mindere (gedeeltelijk afsluiten). Of vanaf het buurerf het erf van [eiser01] mag worden betreden, is niet afhankelijk van het hek op het buurerf; dat is afhankelijk van een erfafsluiting op [eiser01] erf, dan wel andere wijzen waarop kenbaar is gemaakt dat [eiser01] de toegang tot zijn erf verbiedt. 4.5.4.2. Hieruit volgt dat het plaatsen van het hek op het buurerf aan de zuidkant van [eiser01] perceel niet onrechtmatig is jegens [eiser01] . Het uitgeven van sleutels voor deuren in dat erf, is dat daarom in beginsel evenmin: dat staat de eigenaar van het buurerf vrij; hij is immers niet verplicht zijn eigen erf af te sluiten. Of de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens de buureigenaar – het hek is immers niet op gemeentegrond geplaatst – is een zaak tussen de buureigenaar en de gemeente, waar [eiser01] buiten staat. 4.5.4.3. Als [eiser01] hinder ondervindt van het gebruik van de doorgang in het hek, staat het hem vrij om op zijn eigen erf die maatregelen te treffen die toegang onmogelijk maken; hij mag immers zijn erf afsluiten. Het staat [eiser01] ook vrij degenen die zonder toestemming van zijn erf gebruik maken aan te spreken – al dan niet in rechte –, maar de gemeente staat buiten die rechtsverhouding. [eiser01] heeft ook niet gesteld op welke wettelijke grondslag de gemeente mede aansprakelijk zou zijn voor gepleegde onrechtmatige daden voor anderen. 4.5.5. Ook voor de uitrit naar de Rockanjestraat geldt dat als [eiser01] hinder ondervindt van het gebruik van zijn erf door derden, hij (dat deel van zijn) erf kan afsluiten of de derden kan aanspreken. De gemeente staat in beginsel buiten die rechtsverhouding en als uitgangspunt geldt ook hier dat de gemeente niet aansprakelijke is voor door derden veroorzaakte schade of hinder, tenzij er een grondslag is te vinden in de wet. 4.5.6. Ten slotte verwerpt de rechtbank het betoog van [eiser01] dat de gemeente als facilitator van onrechtmatig handelen van derden is opgetreden en aldus zelf een onrechtmatige daad heeft begaan. Er was namelijk al toegang op beide plaatsen, zowel aan de noordzijde als aan de zuidzijde: er stonden immers geen hekken. Bij het plaatsen van de hekken is geen eerdere toegangsblokkade weggehaald (want die was er niet), noch is op andere wijze de toegang vergemakkelijkt ten opzichte van de eerdere situatie. Het uitgeven van sleutels maakt dit niet anders. 4.5.7. Kortom, ook dit onderdeel van de vordering kan niet worden toegewezen. onderdeel 2: aansprakelijkheid in verband met een noodhek 4.6.1. De vraag die als eerste moet worden beantwoord, is of er een overeenkomst tot stand is gekomen tussen [eiser01] en de gemeente waarin de gemeente zich heeft verbonden tot plaatsing van een noodhek. 4.6.2. Wat er ook zij van de inhoud van het plan van aanpak dat de gemeente op 22 december 2016 heeft gezonden aan [eiser01] : [eiser01] heeft dit plan niet aanvaard en er is dus in elk geval geen overeenkomst tot stand gekomen op basis van dit plan van aanpak. 4.6.3. Wat partijen verdeeld houdt, is of eerder een overeenkomst tot stand is gekomen, te weten op 9 november 2016, die (alleen) betrekking heeft op de plaatsing van een noodhek. 4.6.3.1. [eiser01] heeft een geluidsopname ingebracht van een gesprek van 9 november 2016 (rechtsoverweging 2.10.1). De gemeente heeft zich niet tegen deze inbreng verzet, noch heeft zij zich uitgelaten over wat er te horen is op de opname. De rechtbank heeft de opname beluisterd. De rechtbank herkent uit eigen waarneming op de comparitie van partijen stem 2 als de stem van [eiser01] ; wat door stem 2 wordt gezegd past ook bij de positie van [eiser01] . De rechtbank herkent uit eigen waarneming op de comparitie van partijen stem 3 als de stem van mr. Beiboer; wat door stem 3 wordt gezegd past ook bij de positie van mr. Beiboer. Stem 1 is kennelijk van [naam03] . Dit wordt gesteld door [eiser01] (expliciet in onderdeel 9 van de akte van 21 november 2019 en impliciet in de bestandsnaam van de geluidsopname) en het is niet betwist door de gemeente. Bovendien past hetgeen door stem 1 wordt gezegd bij de positie van [naam03] . Het staat voorts vast dat [naam03] nadien een aantal van de in het gesprek aangekondigde stappen heeft gezet. 4.6.3.2. Het onderwerp van het geluidsfragment is kennelijk het noodhek; dit blijkt uit de stellingen van [eiser01] en is niet bestreden door de gemeente. 4.6.3.3. [naam03] eindigt zijn beschrijving van wat er gaat gebeuren met: “Na akkoord wordt die brief verspreid; termijn van twee weken, dan voeren we het uit.” Deze tekst is niet anders te begrijpen dan dat hier [naam03] namens de gemeente aanbiedt het noodhek te plaatsen zodra wordt voldaan aan de voorwaarden. Die voorwaarden zijn nog eens uitgeschreven in de email van 25 november 2016 (rechtsoverweging 2.10.2). Andere voorwaarden voor plaatsing van het noodhek worden niet genoemd; noch in de opname, noch in de email. De woorden “finale kwijting” of iets dat erop lijkt of dezelfde strekking heeft, worden door niemand gebruikt. Een verbinding met een definitieve oplossing wordt niet gelegd. 4.6.3.4. Uit de in rechtsoverweging 2.10.1 weergegeven verklaring van [eiser01] op 9 november 2016 blijkt de aanvaarding van het aanbod. In zijn ogen kan het noodhek er nog sneller komen, als alles meezit, maar in elk geval is duidelijk dat hij het noodhek wil zoals de gemeente het heeft aangeboden. Dit wordt ondersteund door alle acties die [eiser01] daarna heeft ondernomen. 4.6.3.5. Er is aldus een overeenkomst tot stand gekomen tot plaatsing van het noodhek. 4.6.4. Dat de gemeente later een plan van aanpak heeft opgesteld waarin niet alleen een noodhek, maar ook een definitieve afhandeling is opgenomen, doet daaraan niet af. Dit plan van aanpak kan eerdere verbintenissen immers alleen vervangen of veranderen met instemming van beide partijen. De rechtbank wijst er bovendien op dat het noodhek – het woord zeg het al – een nood maatregel was. Noodmaatregelen gaan, naar hun aard, vooraf aan definitieve oplossingen. [eiser01] hoefde er dan ook niet van uit te gaan dat het plaatsen van het noodhek, dat was toegezegd zonder voorwaarden met betrekking tot een definitieve oplossing, afhankelijk was van later te bereiken overeenstemming over een definitieve oplossing. 4.6.5. De voorwaarden voor het intreden van verzuim aan de zijde van de gemeente zijn onbetwist gesteld door [eiser01] . De conclusie is dan ook dat de gemeente een verbintenis niet is nagekomen en op grond van artikel 6:74 BW gehouden is de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden. Het eerste deel van de gevorderde verklaring voor recht kan dan ook worden toegewezen als volgt: De gemeente is aansprakelijk voor de door [eiser01] geleden schade en nog te lijden schade door geen uitvoering te geven aan de overeengekomen plaatsing van een tijdelijk (demontabel) noodhek op het erf van [eiser01] aan de zijde Voornsevliet. 4.6.6. Het debat over de omvang van de schade en dat deel waarvoor de gemeente aansprakelijk is, wordt niet in dit geding gevoerd. De rechtbank neemt met het uitspreken van de verklaring voor recht dan ook geen voorschot op de beantwoording van causaliteitsvragen, schadebeperkingskwesties, voordeelstoerekening enzovoorts. 4.6.7. Het tweede deel van de gevorderde verklaring voor recht is kennelijk bedoeld als een impliciet subsidiair deel (“[…] dan wel […]”). Omdat het impliciet primaire deel wordt toegewezen, komt de rechtbank aan de beoordeling van dit deel niet toe. Vordering I.C: werkzaamheden rond het erf van [eiser01] algemeen 4.7.1. De beroepen van de gemeente op onbevoegdheid van de rechtbank en niet-ontvankelijkheid van [eiser01] worden onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 4.4.1 tot en met 4.4.2.5 verworpen. 4.7.2. Voor zover deze vordering is gegrond op artikel 7:760 BW wordt zij afgewezen. Artikel 7:760 BW is een bepaling uit de titel die betrekking heeft op aanneming van werk. Deze titel heeft, zoals heel boek 7, betrekking op verbintenissen uit overeenkomst. Die verbintenissen gelden alleen tussen de partijen bij de betreffende overeenkomst. Artikel 7:760 BW regelt dus (een deel van) de verhoudingen tussen aannemer en opdrachtgever. Deze bepaling regelt niet de verhouding tussen de opdrachtgever en een derde. Zij is daarom dus niet van toepassing op de verhouding tussen [eiser01] en de gemeente en [eiser01] kan er geen beroep op doen. onderdeel 1: zorgvuldigheid van de aanbesteding 4.7.3. Dit onderdeel kan niet worden toegewezen, omdat [eiser01] niet heeft voldaan aan de stelplicht. 4.7.3.1. Er is een brei van stellingen waarin [eiser01] heeft betoogd dat er van alles niet goed is gegaan bij de uitvoering van werkzaamheden. Daaruit volgt echter op zichzelf niet dat de aanbesteding van die werkzaamheden onzorgvuldig is verlopen. Het proces van aanbesteding is er primair op gericht een opdracht op een nette manier uit te zetten in de markt. De vormen en normen die daar in acht moeten worden genomen gelden in de verhouding tussen aanbesteders en (potentiële) inschrijvers. [eiser01] heeft niet gesteld daartoe te behoren. 4.7.3.2. Daarnaast merkt de rechtbank op dat [eiser01] niet heeft gesteld dat (of aan wie) de boomkap is aanbesteed. onderdeel 2: deugdelijke bereikbaarheidsmaatregelen 4.7.4. Dit onderdeel kan niet worden toegewezen, omdat de door [eiser01] gevorderde verklaring voor recht niet specifiek genoeg is. “Bereikbaarheid van het bedrijf” is een ruim begrip dat niet hanteerbaar is als norm zonder daar nadere invulling aan te geven, zoals bijvoorbeeld: bereikbaar voor wie, wanneer en met welke middelen? “Deugdelijke voorzieningen en/of maatregelen” is ook een te ruim begrip; wat deugdelijk is, is in grote mate afhankelijk van de situatie. Van bereikbaarheidsvoorzieningen en/of maatregelen bij werkzaamheden die een dag duren (de bomenkap) kan iets anders worden verwacht dan maatregelen bij langduriger werkzaamheden (de riolerings en herbestratingsmaatregelen). De toevoeging “zoals deugdelijke omleidingsroutes” maakt de vordering evenmin nauwkeurig genoeg. Ook hierin komt het (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.