beschikking RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaakgegevens: C/10/590489 / JE RK 20-282 datum uitspraak: 10 februari 2020 beschikking ondertoezichtstelling in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht, hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam, betreffende het ongeboren kind [naam kind] De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] . Het procesverloop Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken: - het verzoek met bijlagen van de Raad van 29 januari 2020, ingekomen bij de griffie op 30 januari 2020. Op 10 februari 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn: - een vertegenwoordigster van de Raad, te weten mw. [naam vertegenwoordigster 1] , - een vertegenwoordigster van de GI, te weten mw. [naam vertegenwoordigster 2] . Opgeroepen en niet verschenen is: - de moeder. Het verzoek en het standpunt van de Raad De Raad heeft de ondertoezichtstelling van het ongeboren kind verzocht voor de duur van twaalf maanden. De Raad heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd. Het standpunt van de GI De GI heeft ter zitting het verzoek van de Raad ondersteund. De beoordeling Ingevolge het bepaalde in artikel 1:2 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt het kind waarvan een vrouw zwanger is als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. Naar het oordeel van de kinderrechter is daarvan in deze zaak sprake. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er zorgen bestaan over de opvoedomgeving bij de moeder, haar opvoedvaardigheden en emotieregulatie. Er is bij de moeder sprake geweest van verbale escalaties met haar ex-partner en met de hulpverlening. Zij heeft daarbij ongecontroleerde boosheid laten zien. Mogelijk hebben er ook fysieke escalaties tussen de moeder en haar ex-partner plaatsgevonden. Ondanks de geboden hulpverlening lukt het de moeder nog niet altijd om haar emoties onder controle te houden. Uit onderzoek van het Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek in 2019 is gebleken dat de moeder wel leerbaar is, maar dat de mogelijkheid bestaat dat zij als gevolg van haar verstandelijke beperking zal worden overvraagd. De moeder heeft moeite om haar vaardigheden juist in te schatten en zij heeft ondersteuning nodig bij praktische zaken, zoals haar financiën en het regelen van kraamhulp. Inmiddels is echter ook sprake van een prille positieve ontwikkeling, waarbij de moeder open staat voor feedback, zij leerbaar is gebleken en is gegroeid in het reguleren van haar emoties. Desondanks heeft de moeder na de geboorte van de baby nog steun en begeleiding nodig om uiteindelijk zelfstandig zorg te kunnen dragen voor de opvoeding en verzorging van de kwetsbare baby. Daarom is het de bedoeling dat zij na de bevalling voor de duur van tien dagen naar een kraamhotel gaat in afwachting van een plaatsing bij Pluryn in een moeder-kindproject. Indien deze plaatsing niet tijdig kan worden gerealiseerd, zal de moeder met de baby met de inzet van Ambulante Spoed Hulp bij een moeder-kindopvang worden geplaatst, waar vierentwintig uur per dag begeleiding beschikbaar is. Nu de moeder nog niet zelfstandig in staat is om de bedreigde ontwikkeling van het ongeboren kind af te wenden, is thans hulpverlening in het gedwongen kader noodzakelijk. In die periode kan worden bezien of de moeder de prille positieve ontwikkeling, zoals hiervoor omschreven, kan vasthouden. Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarom zal de kinderrechter het ongeboren kind onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden. De beslissing De kinderrechter: stelt het ongeboren kind onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, met ingang van 10 februari 2020 tot 10 februari 2021; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2020 door mr. M.J. van den Broek-Prins, kinderrechter, in tegenwoordigheid van D. van der Aa als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofDen Haag.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.