vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/590953 / KG ZA 20-113 Vonnis in kort geding van 21 februari 2020 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] , eiseres, advocaat mr. J.R.F. Dessing te Rotterdam, met als partijen die zich aan de zijde van eiseres hebben gevoegd 1 [naam eiser 1] , wonende te [woonplaats eiser 1] , 2. [naam eiser 2], wonende te [woonplaats eiser 2] , advocaten mr. J.A. Meijer en mr. G. Gomez te Den Haag, tegen [naam gedaagde] , wonende te [woonplaats gedaagde] , gedaagde, advocaat mr. J.A. Zee te Amsterdam. Partijen worden hierna [naam eiseres] , [eisers] en [naam gedaagde] genoemd. [eisers] (in mannelijke enkelvoud) wordt afzonderlijk [naam eiser 1] en [naam eiser 2] genoemd. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding, met producties 1 tot en met 4; de brief van 7 februari 2020 van mr. Dessing, met productie 5; de brief van 10 februari 2020 van mr. Zee, met producties 1 tot en met 6; het faxbericht van 10 februari 2020 van mr. Zee, met producties 7 tot en met 9; het faxbericht van 10 februari 2020 van mr. Meijer, met een incidentele conclusie tot voeging in kort geding; voor zover nodig conclusie van eis tot voeging, met producties 1 tot en met 4; het faxbericht van 11 februari 2020 van mr Zee, met productie 10; de mondelinge behandeling op 11 februari 2020; de pleitnota van [naam eiseres] ; de pleitnota van [naam gedaagde] ; het faxbericht van 12 februari 2020 van mr. Dessing, met bijlage (welke toezending tijdens de mondelinge behandeling was besproken). 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten Op grond van de stukken, waaronder het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, van 12 juni 2018 in eerder tussen partijen (en enkele andere partijen) gevoerde procedures (hierna: het arrest van 12 juni 2018) en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling van 11 februari 2020, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. In 1997 hebben onder meer [naam gedaagde] en [eisers] [naam bedrijf 1] opgericht. [naam bedrijf 1] richt zich op de inkoop van ruwe grondstoffen om die vervolgens door te verkopen. 2.2. [naam bedrijf 2] . is financier van [naam bedrijf 1] . 2.3. Op 30 maart 2006 is opgericht de vennootschap [naam eiseres] . Tot bestuurder is benoemd [naam 1] (de zoon van [naam eiser 1] ). 2.4. In 2012 zijn [naam bedrijf 3] , [naam bedrijf 4] en [naam bedrijf 5] opgericht. Zij hebben, door afsplitsing, elk een deel van het vermogen van [naam bedrijf 1] verkregen. [naam gedaagde] en [naam eiser 2] houden ieder 25% van de aandelen in de TTM-vennootschappen en [naam eiser 1] 50%. [naam gedaagde] is bij de afsplitsing bestuurder geworden van de vennootschappen. 2.5. Vanaf 2013 zijn (aandeelhouders)geschillen ontstaan tussen partijen. 2.6. In de loop van 2013 zijn de activiteiten van [naam bedrijf 1] op het gebied van de in- en doorverkoop van ruwe grondstoffen afgenomen, terwijl in diezelfde periode sprake is van een corresponderende toename van diezelfde activiteiten bij [naam eiseres] . 2.7. Partijen waren en zijn verwikkeld in tientallen procedures in Nederland en in het buitenland. 2.8. Bij beschikking van 9 november 2017 heeft de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam de [naam vennootschappen] ontbonden en een vereffenaar benoemd. 2.9. Op 12 juni 2018 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, een arrest gewezen in een procedure tussen [naam gedaagde] als appellant en onder meer [naam eiseres] en [eisers] als geïntimeerden (hierna: het arrest van 12 juni 2018). Dit arrest luidt, voor zover van belang, als volgt: “(…) zaaknummers gerechtshof 200.176.618, 200.177.802 en 200.183.452 (in alle gevallen zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/368244 / HA ZA 14-134) (…) 4. Het geschil en de beslissing in eerste aanleg en de vordering in het hoger beroep 4.1 Alle procedures hebben betrekking op het in eerste aanleg door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 24 juni 2005 onder zaaknummer C/16/368244 / HA ZA 14-134 besliste geschil tussen partijen. [naam gedaagde] heeft in die procedure in conventie kort gezegd gevorderd te verklaren voor recht dat [eisers] en de [naam vennootschappen] tegenover hem onrechtmatig hebben gehandeld en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daardoor geleden schade, onder veroordeling van deze partijen tot betaling van het bedrag waarvoor zij aansprakelijk zijn, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. 4.2 [eisers] hebben in eerste aanleg in reconventie kort gezegd gevorderd [naam gedaagde] te veroordelen de ten laste van hen gelegde conservatoire beslagen op te heffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. 4.3 De rechtbank heeft in het bestreden vonnis de conventionele vordering van [naam gedaagde] afgewezen en heeft de reconventionele vordering toegewezen. 4.4 [naam gedaagde] handhaaft in het hoger beroep kort gezegd zijn oorspronkelijk conventionele vordering. (…) 6De beoordeling van de grieven en de vordering in alle zaken (…) Tussenconclusie 6.32 De conclusie moet luiden dat [naam eiser 1] , [naam eiser 2] en [naam 2] in elk hiervoor afzonderlijk behandeld onderdeel van de stellingen van [naam gedaagde] in hun verweer zijn tekortgeschoten. Daarmee zijn de op het verslag van de Onderzoekers en de beschikkingen van de Ondernemingskamer in de enquête procedure gegronde stellingen van [naam gedaagde] onvoldoende gemotiveerd weersproken door [naam eiser 1] , [naam eiser 2] en [naam 2] (zie hiervoor rov. 6.11-6.12) waarmee deze voor het hof als vaststaand hebben te gelden (artikel 149 Rv). Daarmee is gegeven dat zij tegenover [naam gedaagde] in zijn hoedanigheid van aandeelhouder een specifieke zorgvuldigheidsverplichting hebben geschonden, nu zij op basis van een vooropgezet plan, dat gebaseerd is op list en bedrog, hebben gepoogd hem als aandeelhouder van de [naam vennootschappen] in privé te treffen, onder veiligstelling van de aandeelhoudersbelangen van [naam eiser 1] en [naam eiser 2] . Daarbij weegt mee dat [naam eiser 1] en [naam eiser 2] in hun hoedanigheid van medeaandeelhouders en [naam 2] in zijn hoedanigheid van (opvolgend) bestuurder op de voet van artikel 2:8 BW zich jegens elkaar dienden te gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en de billijkheid wordt gevorderd. Het hoeft geen nader betoog dat wat hiervoor is komen vast te staan over de gedragingen van [naam eiser 1] , [naam eiser 2] en [naam 2] jegens medeaandeelhouder [naam gedaagde] in geen enkel opzicht in overeenstemming valt te brengen met hetgeen de norm van artikel 2:8 BW voorschrijft aan degenen die bij de organisatie van de rechtspersoon zijn betrokken. 6.33 Voor het leveren van tegenbewijs bestaat bij deze stand van zaken geen ruimte meer. Aannemelijkheid van de kans op schade als gevolg van het handelen van [naam eiser 1] , [naam eiser 2] en [naam 2] ? 6.34 [naam gedaagde] stelt dat hij schade lijdt, onder meer doordat zijn aandelen waardeloos zijn geworden (zogenoemde afgeleide schade, nu die schade een afgeleide is van de vermogenspositie van de [naam vennootschappen] ) en hij inkomsten heeft misgelopen die hij als aandeelhouder had kunnen genieten, en doordat hij aanzienlijke kosten maakt in zijn pogingen de toegebrachte schade te herstellen (directe schade). Het hof stelt bij de beoordeling hiervan het volgende voorop. 6.35 Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft de Hoge Raad in het arrest Poot/ABP van 2 december 1994 (ECLI:NL:HR:1994:ZC1564) ten aanzien van afgeleide schade overwogen dat naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid rechtspersonen zijn die zelfstandig, als dragers van eigen rechten en verplichtingen, aan het rechtsverkeer deelnemen. Het vermogen van een vennootschap is afgescheiden van dat van zijn aandeelhouders. Indien aan een vennootschap door een derde vermogensschade wordt toegebracht door het niet behoorlijk nakomen van contractuele verplichtingen jegens de vennootschap of door gedragingen die tegenover de vennootschap onrechtmatig zijn, dan heeft alleen de vennootschap het recht uit dien hoofde van de derde vergoeding van deze aan haar toegebrachte schade te vorderen. Die vermogensschade van de vennootschap zal, zolang zij niet is vergoed, een vermindering van de waarde van de aandelen in de vennootschap meebrengen. In beginsel kunnen de aandeelhouders op grond van dit (aanvankelijk) voor hen ontstane nadeel niet een eigen vordering tot schadevergoeding tegen de derde geldend maken. Dat ligt op de weg van de vennootschap, ter bescherming van de belangen van allen die bij het in stand houden van haar vermogen belang hebben. Slaagt zij daarin, dan moet ook de met die schade corresponderende waardevermindering van de aandelen geacht worden ongedaan te zijn gemaakt. Zou de vennootschap het vorderen van schadevergoeding nalaten, dan hoeven de belanghebbenden daarin niet te berusten. Het Nederlandse rechtsstelsel biedt dan voldoende mogelijkheden om het bestuur van de vennootschap tot het alsnog instellen van de vordering te nopen. 6.36 Een uitzondering op dit uitgangspunt is mogelijk als de derde tegenover de aandeelhouder een bijzondere zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden en voorts aannemelijk is dat de vennootschap zelf geen vordering zal instellen of een dergelijke vordering (ondanks de mogelijkheden die het Nederlandse rechtsstelsel biedt om het bestuur daartoe te nopen) niet zal instellen met de in redelijkheid te eisen voortvarendheid en inspanning, zodat de afgeleide schade voor de betrokken aandeelhouder moet worden geacht ten laste van zijn vermogen te zijn gekomen en niet meer zal worden opgeheven door een eventuele schadevergoeding van de schadeveroorzaker aan de vennootschap. De vraag of een dergelijke situatie zich hier voordoet, zal het hof hierna bevestigend beantwoorden. 6.37 Het hof heeft onder rechtsoverweging 6.32 al geconcludeerd dat [eisers] een bijzondere zorgvuldigheidsverplichting hebben geschonden. Vast staat dat de [naam vennootschappen] daarna door de Ondernemingskamer zijn ontbonden. Gesteld noch gebleken is hoe dan ook, dat de vennootschappen thans nog over enige reële activa beschikken of over de mogelijkheid die te verwerven. Weliswaar zal een nog te benoemen vereffenaar in actie kunnen komen, maar bij gebreke van enige activa, en gegeven het feit dat de debiteuren zich in het buitenland bevinden (die er gezien hun 'uiterst contentieuze' houding alles aan zullen doen om eventuele claims te torpederen), moet dit scenario als strikt theoretisch worden gezien. Daarmee moet het belang van [naam gedaagde] als aandeelhouder door de gang van zaken als verdampt worden beschouwd, en moet zijn schade als aandeelhouder geacht worden definitief te zijn geleden. Naar het oordeel van het hof is met die constatering de mogelijkheid van de kans op afgeleide schade gegeven. Onrechtmatig handelen van [naam eiseres] , [naam 1] en [naam bedrijf 6] ? 6.38 [naam eiseres] wordt met name verweten dat zij de lucratieve handelsactiviteiten, inclusief kantoorpand en het personeel, van de [naam vennootschappen] heeft overgenomen, zonder daarvoor een vergoeding te betalen. Door [naam gedaagde] is voorts gesteld dat [naam eiseres] en [naam 1] wisten van de onrechtmatige gedragingen van [naam 2] (volgens [naam gedaagde] hierin bestaande dat [naam 2] naliet namens de [naam vennootschappen] [naam eiseres] op de gedragingen aan te spreken). Tot slot zou [naam bedrijf 6] op haar beurt hebben geprofiteerd van het onrechtmatig handelen van [naam 2] , doordat zij na de materiele liquidatie van de [naam vennootschappen] houder is van 90% van de aandelen in de [naam bedrijf 7] - dat 100% van de aandelen houdt in [naam bedrijf 8] - terwijl zij daarvoor niet of in elke geval veel te weinig heeft betaald, aldus [naam gedaagde] . 6.39 Het hof heeft hiervoor, in rov. 6.32, geoordeeld [naam eiser 1] , [naam 2] en [naam eiser 2] tegenover [naam gedaagde] in zijn hoedanigheid van aandeelhouder een specifieke zorgvuldigheidsverplichting hebben geschonden, nu zij op basis van een vooropgezet plan, dat gebaseerd is op list en bedrog, hebben gepoogd hem als aandeelhouder van de [naam vennootschappen] in privé te treffen, onder veiligstelling van de aandeelhoudersbelangen van [naam eiser 1] en [naam eiser 2] . [naam eiseres] en [naam bedrijf 6] hebben daarbij gezamenlijk een instrumentele rol gespeeld - en wel via [naam eiser 1] , [naam 2] en [naam eiser 2] - die heeft bijgedragen aan, en in zoverre het gevaar in het leven heeft geroepen voor het toebrengen van de hiervoor in rov. 6.37 besproken schade van [naam gedaagde] . De kans op het ontstaan van deze schade als gevolg van die instrumentele rol had [naam eiseres] en [naam bedrijf 6] daarvan behoren te onthouden. De kennis en kwade opzet van de feitelijke bestuurders van deze vennootschappen, en derhalve hun onrechtmatig handelen tegenover [naam gedaagde] , heeft in het maatschappelijk verkeer te gelden als handelen van de rechtspersoon en moet daarom ook aan die vennootschappen zelf worden toegerekend. Gelet daarop oordeelt het hof, met toepassing van artikel 25 Rv, dat de conclusie moet zijn dat [naam eiseres] en [naam bedrijf 6] op grond van toerekening naast en tezamen met [naam eiser 1] , [naam 2] en [naam eiser 2] tegenover [naam gedaagde] aansprakelijk zijn voor de door [naam gedaagde] geleden schade. 6.40 Voor [naam 1] kan die conclusie niet worden getrokken, nu het enkele feit dat hij formeel bestuurder is van [naam eiseres] en bovendien een zoon van sr. onvoldoende is om zodanige betrokkenheid aan te nemen dat ook zijn doen en nalaten als onrechtmatig tegenover [naam gedaagde] kan worden aangemerkt. Nadere onderbouwing is aan de tegen hem gerichte vordering niet verschaft. Voor toepassing van de leer van groepsaansprakelijkheid is wat hem aangaat geen plaats, omdat die aansprakelijkheid specifiek is geschreven voor feitelijk groepsgedrag, waarbij de rol van de individuele participanten niet kan worden onderscheiden. Daarvan is in dit geval geen sprake, en er is geen bijzondere aanleiding om [naam 1] toch op grond van deze regel aansprakelijk te achten. Onrechtmatig handelen van de [naam vennootschappen] ? 6.41 Op grond van hetgeen daartoe is aangevoerd, ziet het hof niet in dat de [naam vennootschappen] onrechtmatig tegenover [naam gedaagde] hebben gehandeld. Het handelen dat aan de eerder genoemde natuurlijke personen wordt verweten, heeft die vennootschappen immers juist nadeel toegebracht, en het is dat nadeel waaraan [naam gedaagde] zijn eigen schade ontleent. (…) Slotconclusies 6.43 Het voorgaande betekent dat het bestreden vonnis voor zover dat in conventie en in reconventie is gewezen tegen [naam eiser 1] , [naam 2] , [naam eiser 2] , [naam eiseres] en [naam bedrijf 6] moet worden vernietigd. Het hof zal, opnieuw recht doende, de conventionele vorderingen van [naam gedaagde] alsnog toewijzen voor zover die zijn gericht tegen deze partijen. De reconventionele vorderingen zullen alsnog worden afgewezen. Het verweer van [naam 1] treft doel. In zoverre dient het bestreden vonnis te worden bekrachtigd. (…) 7De beslissing in alle drie de zaken Het gerechtshof, recht doende in hoger beroep: In de zaak met nummers 200.176.618 en 200.183.452 7.1 vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden Nederland, locatie Lelystad van 24 juni 2005 en doet opnieuw recht; In de oorspronkelijke conventie verklaart voor recht dat [naam eiser 1] , [naam eiser 2] , [naam 2] , [naam eiseres] en [naam bedrijf 6] jegens [naam gedaagde] onrechtmatig hebben gehandeld en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens [naam gedaagde] voor de daardoor geleden schade; veroordeelt [naam eiser 1] , [naam eiser 2] , [naam 2] , [naam eiseres] en [naam bedrijf 6] hoofdelijk tot betaling van het bedrag waarvoor zij aansprakelijk zijn, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. In de oorspronkelijke reconventie wijst het gevorderde af. (…) In de zaak met nummers 200.176.618, 200.177.802 en 200.183.452 7.4 wijst het meer of anders gevorderde af. 2.10. Tegen het arrest van 12 juni 2018 is geen cassatieberoep ingesteld. 2.11. Bij dagvaarding van 29 januari 2019 heeft [naam gedaagde] een schadestaatprocedure aanhangig gemaakt (hierna: de schadestaatprocedure) bij de rechtbank Midden-Nederland. Hij maakt daarin aanspraak op een schadevergoeding van ruim € 10,5 miljoen. 2.12. Bij dagvaarding van 12 april 2019 hebben onder meer [naam eiseres] en [eisers] op grond van artikel 382 Rv een vordering tot herroeping van het arrest van 12 juni 2018 ingesteld. 2.13. Bij vonnis in incident van 19 juni 2019 is een verzoek van [naam eiseres] en [eisers] om de schadestaatprocedure aan te houden in afwachting van de uitspraak in de herroepingszaak, afgewezen. De rechtbank overwoog dat zij dient toe te zien op een voortvarende behandeling van een zaak en ervoor dient te waken dat de procedure onredelijk vertraagd wordt. Voorts overwoog de rechtbank dat de gronden de vordering niet konden dragen. 2.14. Bij overeenkomst van 11 juli 2019 heeft de vereffenaar van de [naam vennootschappen] alle vorderingen op (onder meer) [naam eiseres] en [eisers] gecedeerd aan [naam gedaagde] . Van deze cessie is op 11 september 2019 mededeling gedaan aan de schuldenaars. 2.15. Op 1 oktober 2019 heeft [naam gedaagde] een dagvaarding uitgebracht jegens [naam eiseres] en [eisers] op grond van aan hem gecedeerde vorderingen van de [naam vennootschappen] (hierna: de cessieprocedure). In die dagvaarding heeft [naam gedaagde] een voorwaardelijke eisvermindering opgenomen voor het geval reeds op grond van een onherroepelijke uitspraak inde schadestaatprocedure bedragen aan hem, betaald zijn. 2.16. Op 8 oktober 2019 hebben [naam eiseres] en [eisers] met een B-formulier verzocht om uitstel van een rolhandeling in de schadestaatprocedure (voor een periode van meer dan twee weken). Zij hebben in hun toelichting gewezen op het door hen gepercipieerde risico op dubbele betaling in de schadestaatprocedure en de cessieprocedure. [naam gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen dit uitstelverzoek. Rechtbank Midden-Nederland heeft het uitstelverzoek afgewezen. 2.17. Bij brief van 21 november 2019 hebben [naam eiseres] en [eisers] op grond van proceseconomische en klemmende redenen verzocht om uitstel voor het nemen van de conclusie van dupliek in de schadestaatprocedure totdat beslist is in de cessieprocedure en totdat de Russische Federatie uitspraak heeft gedaan in een strafzaak tegen [naam gedaagde] . 2.18. Op de rol van 11 december 2019 heeft mr. Meijer zich als advocaat van [naam eiseres] onttrokken. Op dezelfde datum heeft mr. Goethals zich gesteld als (opvolgend) advocaat zijn. 2.19. Bij faxbericht van 20 december 2019 heeft Rechtbank Midden-Nederland partijen te kennen gegeven dat het pleidooi in de schadestaatprocedure gepland staat op 24 februari 2020. 2.20. Bij brief van 28 januari 2020 heeft mr. Meijer [naam gedaagde] namens [naam bedrijf 2] . bericht dat hij [naam bedrijf 2] . willens en wetens ernstig in haar verhaalsmogelijkheden heeft benadeeld door de activa van de [naam vennootschappen] “voor een schijntje” over te nemen middels een onvoorwaardelijke Asset Purchase Agreement (hierna: de cessieovereenkomst). [naam bedrijf 2] . heeft de cessieovereenkomst op grond van artikel 3:45 BW buitengerechtelijk vernietigd en [naam gedaagde] aansprakelijk gesteld indien [naam gedaagde] ondanks de vernietiging van de cessieovereenkomst enige verdere actie onderneemt op grond van die overeenkomst. 3Het geschil in het incident 3.1. [eisers] vordert dat hij in de hoofdzaak wordt toegelaten als voegende partij. 3.2. [eisers] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij belang heeft bij voeging omdat de hoofdzaak zich richt tegen de executie van het arrest van 12 juni 2018 in welke procedure hij gedaagde is. in de hoofdzaak 3.3. [naam eiseres] en [eisers] vorderen – na schriftelijke eiswijziging van [naam eiseres] – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, A. [naam gedaagde] , op straffe van een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen dwangsom, verbiedt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, van 12 juni 2018 (met zaaknummers 200.176.618, 200.177.802 en 200.183.452) ten uitvoer te leggen en de reeds getroffen tenuitvoeringsmaatregelen staakt; B. de executie van het onder A genoemde arrest schorst; en C. [naam gedaagde] veroordeelt in de (na)kosten van de procedure. 3.4. [naam eiseres] legt – kort samengevat – het volgende aan haar vorderingen ten grondslag. [naam gedaagde] maakt misbruik van zijn bevoegdheid door het arrest van 12 juni 2018 te executeren, althans door die executie voort te zetten. [naam eiseres] stelt dat een schadestaatprocedure een wijze van tenuitvoerlegging is, namelijk par suite d’instance (volgens HR 21 juni 1918, NJ 1918/781 (Volgen/ESM). Volgens [naam eiseres] heeft [naam gedaagde] geen belang (meer) bij de schadestaatprocedure. Deze procedure heeft uitsluitend betrekking op afgeleide schade. Die afgeleide schade is of wordt geacht al vergoed te zijn nu de [naam vennootschappen] een vergoeding hebben ontvangen voor de (gestelde) vordering(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.