Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 19/4927 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2020 in de zaak tussen [eiseres] , te [plaats] , eiseres, gemachtigde: mr. P.M.J. de Goede, en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, gemachtigde: drs. ing. H.D. Strookman. Procesverloop Bij besluit van 10 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 5.000,- vanwege een overtreding van de Wet dieren. Bij besluit van 28 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en aan eiseres een dwangsom toegekend van € 1.442,-. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam] , directeur. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. In deze zaak zijn de volgende Europese verordeningen relevant: Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (hierna: Verordening 1069/2009) en de ter uitvoering van deze verordening opgestelde Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening 1069/2009 en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (hierna: Verordening 142/2011). 2. Verweerder heeft aan eiseres een boete opgelegd voor het volgende beboetbare feit: “De exploitant zag er niet op toe dat dierlijke bijproducten voldeden aan de eisen inzake vervoer van bijlage VIII van de Verordening 142/2011. De exploitant die dierlijke bijproducten of afgeleide producten vervoerde zag er niet op toe dat er gebruik werd gemaakt van een schoon en droog recipiënt.” Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling dierlijke producten, met artikel 17, eerste lid en bijlage VIII, hoofdstuk I, afdeling 1, onder punt 2, van Verordening 142/2011 en met artikel 21, eerste lid, van Verordening 1069/2009. 3. Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op het rapport van bevindingen dat op 7 november 2017 is opgemaakt door een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De toezichthouder beschrijft in het rapport onder meer het volgende: “ Ik, toezichthouder [naam] , zag dat het vervoermiddel was voorzien van de Nederlandse kentekens [kenteken] (truck) en [kenteken] (aanhanger), met respectievelijk de containernummers [nummer] en [nummer] , hierna te noemen vervoermiddel. Ik, toezichthouder [naam] , sprak, nadat ik mij had gelegitimeerd als toezichthouder van de NVWA en het doel van de controle, had meegedeeld, een mannelijk persoon die zich voorstelde als [naam chauffeur] , chauffeur van voornoemd vervoermiddel aan. Op mijn verzoek verschafte [naam chauffeur] mij toegang tot de laadruimte van het vervoermiddel. Ik liep naar het vervoermiddel teneinde een controle uit te voeren en zag dat de containers leeg waren en bestemd waren voor het vervoeren van cat.3-materiaal. Ik zag dat in en op de lege container, met het nummer [nummer] , zich nog resten dierlijke bijproducten bevonden, namelijk veren en andere resten. Ik zag dat de resten vermoedelijk ook afkomstig waren van pluimvee. Ik stelde vast dat de containers vuil waren. Dit werd door de chauffeur, [naam chauffeur] , bevestigd. Ik zag dat tijdens het verzamelen/opslag/vervoer geen gebruik werd gemaakt van afgesloten/ lekvrije/ schone en droge recipiënten of voertuigen voor de opslag/verzamelen/vervoer van dierlijke bijproducten of afgeleide producten, ter voorkoming van risico’s voor de volksgezondheid en de diergezondheid, als omschreven in voornoemde verordeningen.” Vervolgens beschrijft de toezichthouder dat hij ter plaatse de chauffeur van het vervoermiddel heeft gehoord en dat die heeft verklaard: “Ik heb geen verklaring.” en dat hij op 3 november 2017 [naam] , als gemachtigde en vertegenwoordiger van eiseres, heeft gehoord en dat die heeft verklaard: “Ik wil als verklaring graag verwijzen naar een WhatsApp die naar iedere werknemer is gestuurd.” In het rapport is een weergave van een Whatsapp bericht opgenomen dat op 30 oktober 2017 naar alle werknemers is verzonden met de tekst: “Allemaal. Ik lees in de overzichten dat er containers bijzitten die echt heel smerig zijn. Let aub op en ik kan het niet vaak genoeg zeggen als ze je aanhouden met een smerige container dan kost je dat heel veel geld. Laten we er samen opletten want niemand heeft wat aan die narigheid. NOOIT gaan rijden met een smerige container vraag staat ook in de boordcomputer. Dank jullie wel. Gr [naam]” Bij het rapport van bevindingen zijn vier foto’s gevoegd. 4. Eiseres voert aan dat de container schoon en droog was. Uit de foto’s bij het rapport van bevindingen blijkt dat sprake was van droge veren en dus een droge container en de enkele aanwezigheid van enkele veren kan niet de conclusie dragen dat de container niet schoon was. De container is namelijk bij het vertrekpunt door gespecialiseerd personeel vakkundig gereinigd en gedroogd volgens de normen van de NVWA. De aanslag die op de foto’s is te zien is normaal bij deze containers en wordt niet gezien als vuil. Daarnaast stelt verweerder ten onrechte dat de containers vervuild waren op het moment dat ze in gebruik werden genomen aangezien er met lege containers werd gereden die pas bij de volgende bestemming in gebruik zouden worden genomen. Voorts stelt verweerder ten onrechte dat er een risico op versleping was; de enkele aanwezigheid van enkele veren nadat de container volgens de NVWA-normen is gereinigd en ontsmet is daarvoor onvoldoende. Daarnaast betwist eiseres dat sprake was van ‘andere resten’ in de container; verweerder verschaft geen duidelijkheid wat voor resten dit zouden zijn geweest. Ook voert eiseres aan dat zij erop mocht vertrouwen dat de containers waren gereinigd en ontsmet volgens de eisen van de NVWA, aangezien de containers vakkundig zijn gereinigd door gespecialiseerd personeel in een NVWA-erkende wasstraat waar minstens vier keer per jaar medewerkers van de NVWA aanwezig zijn voor controle. Die NVWA-medewerkers hebben nooit eerder aangegeven dat de methode of het resultaat van de reiniging niet afdoende zou zijn. Eiseres kan dan ook niet worden verweten dat andere NVWA-medewerkers later containers in dezelfde staat wel als een overtreding beschouwen. Nu bij eiseres elke schuld ontbreekt mocht verweerder geen boete opleggen, aldus eiseres. 4.1. Volgens verweerder heeft eiseres punt 2 van bijlage VIII, hoofdstuk I, afdeling 1, van Verordening 142/2011 overtreden. Daarin staat: Voertuigen en recipiënten die opnieuw gebruikt kunnen worden en alle opnieuw te gebruiken uitrusting of apparatuur die in contact komen met andere dierlijke bijproducten of afgeleide producten dan afgeleide producten die in de handel worden gebracht overeenkomstig Verordening (EG) nr. 767/2009 en die worden opgeslagen en vervoerd overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EG) nr. 183/2005, moeten schoon worden gehouden. Tenzij zij bestemd zijn voor het vervoeren van bijzondere dierlijke bijproducten of afgeleide producten op zodanige wijze dat er geen gevaar voor versleping bestaat, moeten zij met name:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.