Rechtbank Rotterdam Meervoudige kamer voor wrakingszaken Zaaknummer / rekestnummer: 592375 / HA RK 20-202 Beslissing van 3 maart 2020 op het verzoek van [naam verzoeker] , wonende te [adres] , verzoeker, strekkende tot wraking van: mr. [naam], senior juridisch medewerker bij de rechtbank Rotterdam, team bestuur 1 (hierna ook: de juridisch medewerker). 1Het procesverloop en de processtukken Op 3 februari 2020 heeft de bestuursrechtelijke voorzieningenrechter in deze rechtbank uitspraak gedaan ten aanzien van het verzoek van verzoeker tot het treffen van een voorlopige voorziening. De juridisch medewerker was de griffier bij die uitspraak. Die procedure draagt als kenmerk ROT 20 /
- Bij brief van 5 februari 2020 heeft verzoeker wraking van de griffier mr. [naam] verzocht. Aan de wrakingskamer is ter beschikking gesteld het dossier van de hiervoor omschreven procedure, waarin zich onder meer bevindt de hiervoor omschreven uitspraak van 3 februari
- Behalve de hiervoor genoemde stukken heeft de wrakingskamer voorts nog kennis genomen van: de brief van verzoeker aan de rechtbank, gedateerd 6 februari 2020; de brief van de secretaris van de wrakingskamer aan verzoeker, gedateerd 26 februari 2020; de e-mailberichten van verzoeker aan de secretaris van de wrakingskamer, gedateerd 28 februari 2020 te 09.21 uur en 09.28 uur. 2De ontvankelijkheid van het verzoek 2.1 De wet biedt niet de mogelijkheid tot wraking van de griffier. Gelet op artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan een wrakingsverzoek alleen zijn gericht tegen rechters of een rechter die een zaak behandelen of behandelt en niet tegen de griffier. Verzoeker is daarom kennelijk niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van de griffier. Verzoeker zal op die grond, met toepassing van het bepaalde in artikel 9.1, aanhef en onder d, van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank, niet-ontvankelijk worden verklaard in het verzoek tot wraking van de griffier. 2.2 Voor zover verzoeker heeft bedoeld de rechter te wraken, die de door verzoeker bestreden beslissing heeft genomen, overweegt de wrakingskamer ten overvloede het volgende. Op 3 februari 2020 heeft de rechter in de hiervoor omschreven procedure uitspraak gedaan. Die uitspraak is een eindbeslissing waarmee de behandeling van de zaak door de rechter is geëindigd. Het wrakingsverzoek is op 5 februari 2020 en derhalve na voormelde uitspraak ingediend. Uit het vorenstaande volgt dat de rechter de zaak niet meer behandelde op het moment dat het verzoek tot wraking is gedaan. Verzoeker is daarom kennelijk niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van de rechter. Ook in dit geval zou de beslissing zijn dat verzoeker kennelijk niet-ontvankelijk is in het wrakingsverzoek (van de rechter). 3De beslissing De rechtbank: - verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van de griffier mr. [naam] . Deze beslissing is gegeven door mr. K.J. Bezuijen, voorzitter, mr. W.P.M. Jurgens en mr. N. Doorduijn, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 maart 2020 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier. Verzonden op: aan: - verzoeker - mr. [naam]