RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 8031738 CV EXPL 19-39438 uitspraak: 3 april 2020 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats eiser] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, gemachtigde: mr. L.H.E.M. Berendse-de Gruijl, tegen de stichting Stichting Vestia, gevestigd te Rotterdam, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, gemachtigde: mr. J.B.L. van de Weteringe Buys-Kroon. Partijen worden hierna aangeduid als: ‘ [eiser] ’ en ‘Vestia’. 1. Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken: het exploot van dagvaarding van 4 september 2019, met producties; de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, met producties; het vonnis van deze rechtbank van 11 november 2019 waarin een comparitie van partijen is gelast; de brief van de gemachtigde van [eiser] van 27 januari 2020, met producties; de brief van de gemachtigde van Vestia, met productie; het proces-verbaal van de op 13 februari 2019 gehouden comparitie van partijen. 2. De feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast. 2.1 De moeder van [eiser] (hierna: moeder) huurde van Vestia een woonruimte gelegen aan de [adres] te Rotterdam (hierna: het gehuurde). 2.2 [eiser] staat sinds 22 augustus 2018 in het bevolkingsregister ingeschreven op het adres van het gehuurde. Eind april 2019 heeft [eiser] zijn vrouw en dochter uit India laten overkomen en sindsdien wonen zij in het gehuurde. 2.3 Bij brieven van 20 januari 2019 en 26 juni 2019 is Vestia verzocht [eiser] als medehuurder aan te merken en de huurovereenkomst met hem voort te zetten. Deze verzoeken zijn door Vestia afgewezen. 2.4 Moeder is op 28 juni 2019 overleden. 2.5 Bij brief van 10 juli 2019 heeft [eiser] verzocht de huurovereenkomst op eigen naam te mogen voortzetten. Per brief van 1 augustus 2019 heeft Vestia aangegeven niet met dit verzoek in te kunnen stemmen. 3. Het geschil in conventie 3.1 [eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, - kort weergegeven – te bepalen dat hij de huurovereenkomst welke tussen Vestia en zijn moeder heeft bestaan met betrekking tot het gehuurde voortzet en Vestia te veroordelen in de proceskosten. 3.2 Aan de eis is - zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. [eiser] wenst de huurovereenkomst voort te zetten op grond van artikel 7:268 lid 2 BW. [eiser] voerde een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn moeder. Vanaf 2012 heeft hij zijn hoofdverblijf gehad in het gehuurde. De vaste lasten werden door hen gezamenijk voldaan. [eiser] verzorgde zijn moeder als mantelzorger voor 35 uur per week. De ziekte van moeder was niet tijdelijk zodat niet een tijdelijke samenleving beoogd werd. [eiser] heeft voldoende inkomsten om de huur te kunnen voldoen. 3.3 Vestia heeft tegen de vordering - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. De dagvaarding voldoet niet aan het vereiste van artikel 111 lid 2 sub e Rv zodat deze nietig is. Voor zover [eiser] ontvankelijk is, geldt dat hij niet gedurende twee jaar zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad en er geen sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 7:268 lid 2 BW; eveneens ontbreekt de wederkerigheid. Daarnaast is onvoldoende aangetoond dat [eiser] over voldoende financiële middelen beschikt om de huur te voldoen. in reconventie 3.4 Vestia vordert om bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen om op 28 december 2019, althans een in goede justitie te bepalen datum, het gehuurde te ontruimen en te verlaten met al het zijne en de zijnen en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Vestia te stellen, alsmede een veroordeling in de proceskosten. 3.5 Vestia heeft hiertoe, naast hetgeen in conventie is aangevoerd, gesteld dat [verweerder] en zijn gezin zonder recht of titel in het gehuurde verblijven nu er geen huurovereenkomst tussen [verweerder] en Vestia bestaat. 3.6 [verweerder] heeft de vordering betwist. 4. De beoordeling Gelet op de samenhang van de vordering in conventie met de vordering in reconventie, zullen beide vorderingen gezamenlijk worden behandeld. 4.1 De dagvaarding voldoet aan de vereisten van artikel 111 Rv nu daarin vermeld is dat het de kantonrechter te Rotterdam is die van de zaak kennisneemt, zodat deze niet nietig is. 4.2 Beoordeeld dient te worden of [eiser] , die geen medehuurder is, na het overlijden van zijn moeder, de huurovereenkomst met Vestia kan voortzetten. Een dergelijke vordering moet op grond van artikel 7:268 lid 3 BW in ieder geval worden afgewezen: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.