ECLI:NL:RBROT:2020:2977
Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 18/6213 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2020 in de zaak tussen [naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser, gemachtigde: mr. M.C.V. Dornstedt, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goeree-Overflakkee, verweerder, gemachtigde: [naam 1].
Als derde-belanghebbenden hebben aan het geding deelgenomen: [naam 2], [naam 3] en [naam 4], gemachtigde: [naam 2].
Procesverloop Bij besluit van 20 juni 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij op 19 juni 2018 spoedeisende bestuursdwang heeft toegepast inhoudende de sluiting en verzegeling van het pand [adres].
Bij besluit van 1 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door [naam 5] en [naam 6], beiden werkzaam bij de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. Namens de derde-belanghebbenden zijn aanwezig: mr. [naam 2], tevens gemachtigde, en [naam 4].
Overwegingen 1. Het pand aan de [adres] is in eigendom van eiser. Eiser is bestuurder van [naam bedrijf 1], een handelsnaam van [naam bedrijf 2]. [naam bedrijf 1] verzorgt de huisvesting voor arbeidsmigranten.
6.2 Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.
6.3 Ingevolge artikel 1.1, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012 worden de begrippen logiesfunctie en woonfunctie als volgt gedefinieerd:
In het derde lid van dit artikel staat - voor zover hier van belang - dat wordt verstaan onder:
Ingevolge artikel 5 van het bestemmingsplan zijn de voor ‘Centrum’ aangewezen gronden bestemd voor: a. wonen, met huis-aan-huis- gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘horeca’ tevens wonen op de verdieping is toegestaan; standpunt eiser 8. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiser stelt dat verweerder in strijd met het verbod van reformatio in peius heeft gehandeld door de grondslag van het bestreden besluit aan te vullen met strijd met de bestemmingsplanregels. Eiser stelt dat zijn rechtspositie hierdoor is verslechterd. Voorts betwist eiser dat sprake is van strijd met het bestemmingplan. Het begrip ‘wonen’ is niet in het bestemmingsplan gedefinieerd zodat diverse woonvormen zijn toegestaan, waaronder het verhuren van een woning aan buitenlandse werknemers. Subsidiair stelt eiser dat sprake is van legaliseringsmogelijkheden nu een tijdelijke omgevingsvergunning voor vijf jaar kan worden verleend in afwijking van het bestemmingsplan en dat mogelijk aansluiting kan worden gezocht bij de horecabestemming die past binnen de bestemming ‘Centrum’.
Een dergelijke vergunning kan worden verleend gelet op de Beleidsnotitie Buitenlandse werknemers. Eiser betwist voorts dat sprake is van overtreding van het Bouwbesluit. Er is volgens eiser geen sprake van een zogeheten logiesfunctie, het gaat volgens hem om de opvang van buitenlandse arbeidsmigranten in een pand met een woonfunctie. Subsidiair stelt eiser dat de genoemde voorzieningen niet per definitie moeten worden gerealiseerd. Ook rechtvaardigt overtreding van het Bouwbesluit volgens eiser niet zonder meer de toepassing van spoedeisende bestuursdwang, nu het een ingrijpende vorm van handhaving betreft waarvoor een zwaarwegend belang aan de kant van de gemeente is vereist. Tevens heeft verweerder er geen blijk van gegeven dat hij met de belangen van eiser rekening heeft gehouden.
Er bestond geen acute noodzaak om tot handhaving over te gaan en verweerder had een begunstigingstermijn moeten geven. Eiser had het pand ook nog maar vier weken in eigendom en was bezig met het realiseren van de laatste voorzieningen. reformatio in peius 9. Verweerder heeft aan het primaire besluit ten grondslag gelegd dat sprake is van strijd met het bestemmingsplan en van overtreding van het Bouwbesluit. In het dictum van dit besluit heeft verweerder alleen de overtreding van artikelen van het Bouwbesluit vermeld. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit in zoverre herroepen dat het dictum van het primaire besluit wordt aangevuld met de zin: “De verzegeling heeft tevens plaatsgevonden wegens overtreding van artikel 5 van het vigerende, onherroepelijke bestemmingsplan ‘Oude Tonge’ “. Voor zover al geoordeeld zou moeten worden dat niet al in het primaire besluit strijd met het bestemmingsplan ten grondslag is gelegd, geldt dat deze aanvulling van de grondslag, anders dan eiser betoogt, niet in strijd is met het verbod van reformatio in peius, nu eiser door deze aanvulling niet in een nadeliger positie is komen te verkeren. Het gaat in het bestreden besluit immers nog steeds om dezelfde feitelijke overtreding waartegen naast de strijd met het Bouwbesluit, in het bestreden besluit ook strijd met het bestemmingsplan ten grondslag is gelegd. toetsingsmoment ex tunc of ex nunc 10. Eiser stelt zich op het standpunt dat de toetsing van het besluit ex nunc moet plaatsvinden. Eiser heeft zijn plannen gewijzigd en hij is voornemens om appartementen in het pand te realiseren. Hij weet niet of daar arbeidsmigranten in gehuisvest zullen worden. Eiser verwijst naar de door hem aangevraagde omgevingsvergunning d.d. 10 juli 2019 waarin een vergunning wordt aangevraagd voor de verbouwing van ‘voormalig kantoorpand tot appartementencomplex’.
De rechtbank stelt vast dat het begrip “wonen” in het bestemmingsplan niet nader is gedefinieerd en dat in het bestemmingsplan voor de betekenis van die term niet naar enige planregel is verwezen. De rechtbank is gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1882) van oordeel dat voor de uitleg van het begrip “wonen” daarom aansluiting dient te worden gezocht bij het algemeen spraakgebruik. Volgens het algemeen spraakgebruik dient onder het begrip “wonen” diverse vormen van huisvesting te worden begrepen, waaronder het verhuren van de woning aan buitenlandse werknemers. Verweerder heeft zich daarom naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte op het standpunt gesteld dat onder ‘wonen’ niet de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten begrepen kan worden. Van strijd met het bestemmingsplan is daarom geen sprake. Het beroep is om die reden gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank zal hierna beoordelen of - gelet op de resterende motivering in het bestreden besluit - de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen blijven. strijd met het bouwbesluit 14. Voorts is in geschil tussen partijen of sprake is van overtreding van het Bouwbesluit. Of dit het geval is hangt af van het antwoord op de vraag of hier sprake is van een woonfunctie dan wel van een logiesfunctie. In bijlage 1 bij het Bouwbesluit staat vermeld welke voorzieningen voor welke functie verplicht zijn, voor een logiesfunctie gelden zwaardere eisen dan voor een woonfunctie. In het Bouwbesluit wordt in artikel 1.1., eerste en tweede lid, van het Bouwbesluit gedefinieerd wat onder woonfunctie, logiesfunctie, logiesgebouw en logiesverblijf wordt verstaan. Het verschil tussen een logiesfunctie en een woonfunctie is er volgens de definitie in gelegen dat onder logies recreatief of tijdelijk verblijf wordt verstaan.
Volgens de Nota van Toelichting bij het Bouwbesluit (Staatsblad 2011, 416, pagina’s 186 en 187) kan worden aangenomen dat sprake is van een woonfunctie wanneer mensen op een bepaald adres staan ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie. Eiser stelt in beroep dat het de bedoeling is om de arbeidsmigranten voor korter dan drie maanden te huisvesten en dat zij gelet op het korte tijdsbestek niet op het betreffende adres in de Basisregistratie personen staan ingeschreven. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank daarom op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een logiesfunctie en dat het gaat om een logiesgebouw, nu in het betreffende pand logiesgelegenheid wordt geboden.
Niet in geschil is dat de kamers, zijnde logiesverblijven, gebruik maken van dezelfde trap en vluchtroute. Verweerder heeft dan ook kunnen overwegen dat sprake van een logiesfunctie in een logiesgebouw zonder 24 uurs- bewaking, als bedoeld in 7c van de tabel in Bijlage I bij het Bouwbesluit. Eiser heeft niet betwist dat bij een dergelijke functie de door verweerder genoemde voorzieningen aanwezig dienen te zijn en dat deze dat niet waren ten tijde van het opleggen van de spoedeisende bestuursdwang. Gelet hierop is sprake van overtreding van de bepalingen van het Bouwbesluit. Deze grond slaagt daarom niet.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Frankruijter, in aanwezigheid van mr. Y.F.J. Fransen, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 31 maart 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. de griffier is buiten staat de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.