Rechtbank Rotterdam Team insolventie verzet ongegrond insolventienummer [nummer] uitspraakdatum: 15 april 2020 Vonnis op het verzoekschrift van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid STAALHOEVE A&M B.V., gevestigd aan de Molenweg 6 4543 PA Zaamslag, verzoekster, advocaat: mr. R.J.G. Mengelberg, strekkende tot vernietiging van het vonnis van deze rechtbank van 10 maart 2020, waarbij zij op verzoek van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [namen] LEGAL B.V., gevestigd te Amsterdam, verweerster, advocaat: mr. E. van den Hout, in staat van faillissement is verklaard met benoeming van mr. M.D.E. Leppens tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. B.J. van de Wijnckel als curator. 1De procedure Het verzetschrift is op 23 maart 2020 per e-mail door de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant ontvangen. De griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het verzetschrift op 26 maart 2020 per e-mail doorgestuurd naar de griffie van de rechtbank Rotterdam en de originele stukken per post nagezonden. Deze originele stukken zijn op 30 maart 2020 door de griffier van de rechtbank Rotterdam ontvangen. Bij e-mail van 27 maart 2020 heeft mr. R.J.G. Mengelberg namens verzoekster de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant verzocht het verzetschrift door te sturen naar de bevoegde instantie: de rechtbank Rotterdam. De rechtbank heeft partijen voorafgaand aan het telefonisch horen, conform TARIC (de Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbanken vanwege de bijzondere omstandigheden door de coronacrisis), in de gelegenheid gesteld per e-mail te reageren. Door alle partijen is van die gelegenheid gebruik gemaakt. Op 1, 3 en 7 april 2020 heeft de rechtbank nog nadere stukken van verzoekster ontvangen. Door verweerster is op 3 april 2020 een verweerschrift aan de rechtbank verzonden. Op 7 april 2020 heeft de rechtbank van verweerster nog een nader bericht ontvangen. Bij berichten van 3 en 7 april 2020 heeft de curator zijn bevindingen aan de rechtbank doen toekomen. Ter zitting van 7 april 2020 zijn, conform TARIC, verzoekster, vertegenwoordigd door haar (middellijk) bestuurder, [betrokkene] en haar advocaat mr. R. Mengelberg, mr. E.T. van den Hout, advocaat van verweerster, en mr. B.J. van de Wijnckel, de curator, telefonisch gehoord. De uitspraak is bepaald op 14 april 2020, en uitgesteld naar heden. 2De standpunten Standpunten van verzoekster Verzoekster heeft, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 25 januari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:108), gesteld dat verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek. Het verzetschrift is, met toestemming van de griffier op 23 maart 2020 per e-mail aan de rechtbank Zeeland-West-Brabant gestuurd. Het verzetschrift is dus tijdig, maar bij de verkeerde rechtbank ingediend. In een dergelijke situatie dient het verzetschrift te worden doorgestuurd naar het juiste gerecht en is het tijdstip van indiening van het verzetschrift bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant bepalend voor de ontvankelijkheid. Verzoekster stelt voorts dat verweerster geen belang heeft bij de faillissementsaanvraag. Door gefailleerde zijn sinds 2015 geen activiteiten meer ontplooid. Ook is er geen omzet gemaakt. De onderneming heeft geen baten, en daarom dient de faillissementsaanvraag niet ontvankelijk te worden verklaard. Daarnaast is er op grond hiervan ook geen belasting verschuldigd geweest en zijn dus ook geen belastingaangiftes gedaan. De door verweerster aangedragen vorderingen van de belastingdienst betreffen uitsluitend ambtshalve aanslagen omzetbelasting (jaren 2018-2019) en aanslagen vennootschapsbelasting (jaren 2015-2018), waar verzoekster (gemotiveerd) bezwaar tegen heeft gemaakt. Deze bezwaarschriften zijn in behandeling genomen. De ambtshalve aanslagen zullen in hoofdsom op nihil worden gesteld. Verder dient de belastingdienst nog op de te vorderen verzuimboetes te beslissen. Mocht hier toch een vordering uit voortvloeien dan zal verzoekster deze direct voldoen. Voorts is het debetsaldo van € 114,- op de ING-bankrekening aangezuiverd. Gelet op het voorgaande is er derhalve geen sprake van pluraliteit van schuldeisers. Verzoekster betwist niet het bestaan van de vordering (in hoofdsom) van verweerster, maar wel de hoogte daarvan. Verzoekster betwist het door verweerster gevorderde bedrag aan kosten verschuldigd te zijn. Tot slot heeft [betrokkene] verklaard zich persoonlijk garant te stellen voor de betaling van de boedelkosten, waarbij deze kosten als eigen schuld zullen worden voldaan. Op grond hiervan verzoekt verzoekster de beslissing op het verzet aan te houden totdat de belastingdienst heeft verklaard dat zij niets meer te vorderen heeft. Standpunten van verweerster Verweerster heeft aangevoerd dat verzoekster niet ontvankelijk is in haar verzoek nu het verzetschrift niet bij de rechtbank Rotterdam is ingediend. Daarnaast is het, ongedateerde, verzetschrift niet binnen 14 dagen na 10 maart 2020 ingediend bij de griffier van de rechtbank Rotterdam; een datum stempel van de rechtbank Rotterdam ontbreekt. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek dan betwist verweerster al hetgeen door verzoekster is gesteld. Uit een schriftelijk stuk van de belastingdienst is gebleken dat er sprake is van een niet bestreden schuld inzake (onder meer) aanslagen omzet- en vennootschapsbelasting (over de jaren 2015 tot en met 2018). Tegen deze aanslagen staat, volgens de verklaring van de belastingdienst, geen bezwaar en beroep meer open. Verweerster betwist de stelling van verzoekster dat bezwaarschriften zouden zijn ingediend. Mochten deze wel zijn ingediend dan staat dit de verschuldigdheid niet in de weg. Bezwaar heeft geen opschortende werking. De vorderingen van de belastingdienst, waaronder ook de boetes, staan dus (summierlijk) vast. Verder heeft verzoekster nimmer de (hoogte van de) vordering van verweerster betwist. Zij heeft zelfs meermaals toegezegd de vordering (hoofdsom plus kosten) te zullen voldoen. Daarmee staat ook deze vordering vast. Ook staat vast dat deze vordering en de vordering van de curator nog steeds niet betaald zijn. Aan de persoonlijke garantstelling voor de betaling van de kosten moet, gelet op de eerder gedane toezeggingen tot betaling, niet veel waarde gehecht worden. Ook is er geen betaling aan partijen gedaan of een (minimaal) bedrag gereserveerd op de derdengeldrekening van mr. Mengelberg. Gelet op het voorgaande staat vast dat er sprake is van pluraliteit van schuldeisers. Verder zal er een vordering op de bestuurders ontstaan als de, gepubliceerde, jaarrekening negatief blijkt. En nu er al zo lang geen jaarstukken zijn ingediend (en waarschijnlijk geen deugdelijke boekhouding is gevoerd), kan de curator de bestuurders daarvoor aansprakelijk stellen en daar vloeit weer een vordering en uiteindelijk een bate voor de boedel uit voort. Tot slot heeft verweerster, gelet op de huidige door de Rechtspraak genomen maatregelen vanwege de pandemie, de rechtbank voorgesteld om haar vonnis aan te houden tot 5 mei 2020 om partijen in de gelegenheid te stellen om alsnog een regeling te treffen waarbij zowel verweerster als de curator volledig betaald kunnen worden. Standpunten van de curator Door de curator is in zijn verslag van 3 april 2020 en ter zitting verklaard dat verzoekster uitsluitend de in rekening gebrachte buitengerechtelijke kosten betwist en niet de hoofdsom van de vordering van verweerster. De vordering van verweerster is voldoende onderbouwd zodat summierlijk van het vorderingsrecht van verzoekster is gebleken. De hoofdsom is onbetaald gebleven. Verder staan ook de vorderingen van de belastingdienst (nog) open. Verzoekster heeft, te laat, bezwaar ingediend tegen de aanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2016 tot en met
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.