vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/580184 / HA ZA 19-753 Vonnis van 1 april 2020 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats eiser] , eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat mr. H.J. Smit te Rotterdam, tegen
(4)parkeerplaatsen voor € 1.250,00 per parkeerplaats exclusief BTW, in totaal voor € 5000, 13) De ontwikkelingsovereenkomst van 20 februari 2017 te vernietigen op grond van door Rotterdamse Grond en Vijverborgh gemaakt misbruik van omstandigheden (art.3:44 BW), 14) De ontwikkelingsovereenkomst van 20 februari 2017 te vernietigen op grond van dwaling van [eiser] (art.6:228 BW) wegens - Het door Rotterdamse Grond en Vijverborgh geuite voornemen om te gaan wonen in [adres 1]- Het voorspiegelen dat kantoren op de begane grond een eis van de Gemeente zou zijn - Dat er op de 3e en 4e verdieping geen verbouwingen zouden plaats vinden 15) De ontwikkelingsovereenkomst van 20 februari 2017 te ontbinden wegens door Rotterdamse Grond en Vijverborgh toerekenbaar tekort schieten bij de uitvoering van de ontwikkelingsovereenkomst van 20 februari 2017 wegens - Gebrek aan professionaliteit- Het 12 (twaalf) maanden te laat indienen van de aanvraag voor omgevingsvergunning (op 4 juni 2018 i.p.v. 1 juni 2017)- Het gebrekkig traject Monumentenzorg, ontbreken van stukken, onvolledige gegevens- Het niet storten van een waarborgsom van 5 % van de koopprijs en het niet stellen van een bankgarantie van 5% van de koopprijs; 16) Gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten van deze procedure." En na vermeerdering van eis voorts: "- Dat de Rechtbank verklaart voor recht dat eiser geen dwangsommen jegens gedaagden heeft verbeurd en het vonnis van 2 augustus 2019 is nagekomen door het daarin gegeven bevel uit te voeren; - Subsidiair dat de Rechtbank verklaart voor recht dat eiser ten aanzien van de dwangsommen een beroep op overmacht toekomt, omdat notaris Kooijman een voorschot van € 3000,00 heeft geëist en een uurtarief van € 350, 00, waar het vonnis van 2 augustus 2019 niet in voorziet, terwijl bovendien die financiële eisen niet redelijk zijn; - Meer subsidiair dat de Rechtbank, met toepassing van art 611 sub d Rv, luidende als volgt: “De rechter die een dwangsom heeft opgelegd, kan op vordering van de veroordeelde de dwangsom opheffen, de looptijd ervan opschorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen” de dwangsom opheft c.q. opschort." Ter zitting van 4 maart 2020 heeft [eiser] de op huur betrekking hebbende vorderingen sub 5, 6 en 7 ingetrokken. 3.
- RG c.s. voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.
- RG c.s. vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- [verweerder] te veroordelen om binnen een week na betekening van dit vonnis de Overeenkomst tussen partijen verder na te komen door allereerst de door notaris Kooijman Autar opdracht te verstrekken, tot het op basis van die Overeenkomst opstellen van een definitieve akte van splitsing met ballotageregeling ter zake de bebouwde onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [postcode] Rotterdam, kadastraal bekend gemeente Rotterdam 4E afd., sectie [sectie] , nummer [nummer] , waarbij [verweerder] akkoord dient te gaan met 1/3 van het uurtarief van notaris Kooijman van € 350,- excl. BTW en 1/3 van een voorschot van € 3000,- excl. BTW en de overige 2/3 wordt betaald door eisers in reconventie en bij niet-nakoming daarvan eisers te machtigen om namens [verweerder] deze opdracht aan genoemde notaris te verstrekken;
- [verweerder] te veroordelen om binnen één dag na ontvangst van deze op basis van de Overeenkomst opgestelde definitieve splitsingsakte bij het daartoe bevoegd gezag een aanvraag in te dienen voor de splitsingsvergunning ter zake de bebouwde onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres 1] te [postcode] Rotterdam, kadastraal bekend gemeente Rotterdam 4E afd., sectie [sectie] , nummer [nummer] en bij niet-nakoming daarvan eisers te machtigen om namens [verweerder] en voor rekening van [verweerder] voornoemde splitsingsvergunning aan te vragen bij het daartoe bevoegd gezag;
- [verweerder] vervolgens te veroordelen om deze op basis van de Overeenkomst opgestelde definitieve splitsingsakte binnen 2 dagen na akkoord - welk akkoord niet op onredelijke gronden mag worden onthouden - te ondertekenen en zijn medewerking te verlenen aan het notarieel passeren van die splitsingsakte ten overstaan van voornoemde notaris, en, bij niet tijdige nakoming daarvan, in de zin van artikel 3:300, tweede lid BW te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [verweerder] aan het passeren van de splitsingsakte;
- [verweerder] vervolgens te veroordelen om uiterlijk binnen een week na afgifte door het bevoegd gezag van de splitsingsvergunning zijn medewerking te verlenen bij de totstandkoming van een aanneemovereenkomst gebaseerd op het definitieve plan van de architect, zoals dat is goedgekeurd door de gemeente Rotterdam en de daarop gebaseerde onherroepelijke omgevingsvergunning, primair door de daartoe voorliggende offerte van [naam persoon 4] management mede te ondertekenen, subsidiair door in gezamenlijkheid met eisers op grond van de bestaande plannen opdracht te verstrekken aan een andere aannemer tot uitvoering van de beoogde in de bestaande aanneemovereenkomst opgenomen werkzaamheden;
- [verweerder] te veroordelen tot een aan eisers te betalen dwangsom van € 5.000, = (zegge: vijfduizend euro) voor iedere dag, een dagdeel daaronder mede begrepen, dat hij niet aan de onder 4 omschreven veroordeling voldoet.
- [verweerder] vervolgens te veroordelen om binnen een week na het onherroepelijk worden van de splitsingsvergunning en na ondertekening van de aanneemovereenkomst ten overstaan van de notaris voornoemd over te gaan tot levering van de appartementsrechten zoals in de Overeenkomst, in het bijzonder in de 2e allonge is omschreven en, bij niet tijdige nakoming daarvan, in de zin van artikel 3:300, tweede lid BW te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de medewerking van [verweerder] aan de notariële levering van bedoelde appartementsrechten;
- [verweerder] te gebieden al datgene na te laten, waaronder begrepen het instellen van bestuursrechtelijke bezwaar/beroep, dat (tijdige) uitvoering van de veroordelingen als hierboven in dit petitum onder 1 t/m 4 bedoeld in de weg staat;
- [verweerder] te veroordelen tot vergoeding van de door eisers tot op heden geleden schade en gemaakte (onnodige) kosten, alsmede nog te lijden schade en nog te maken (onnodige) kosten, waaronder mede begrepen alle kosten van juridische en overige deskundige bijstand, zulks op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet;
- [verweerder] te veroordelen in de kosten van deze procedure en eventuele nakosten na het gewezen vonnis." 3.
- [verweerder] voert verweer. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
- De beoordeling in conventie 4.
- De rechtbank zal recht doen op de vordering zoals die na vermeerdering en - ter zitting - vermindering van eis uiteindelijk is komen te luiden. Tegen de vermeerdering van eis is geen bezwaar gemaakt. De rechtbank acht de vermeerdering van eis ook niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. 4.
- [eiser] doet een beroep op een overeengekomen ontbindende voorwaarde. Voorts beroept hij zich op bedrog, misbruik van omstandigheden, dwaling, wanprestatie en onrechtmatige daad. De strekking van de vorderingen van [eiser] is dat hij ontheven is/dient te worden uit de voor hem uit de ontwikkelingsovereenkomst met allonges jegens RG c.s. voortvloeiende verplichtingen en dat RG c.s. dienen te worden veroordeeld tot vergoeding van de door [eiser] als gevolg van hun tekortkoming geleden schade. 4.
- Voordat de rechtbank overgaat tot de juridische beoordeling, zal de rechtbank in aanvulling op de hiervoor onder 2.1 tot en met 2.38 genoemde vaststaande feiten nader ingaan op de feitelijke context van het geschil zoals zich dat blijkens de overgelegde producties en het verhandelde ter zitting tussen partijen heeft ontwikkeld. 4.
- Partijen hebben vanaf de eerste contacten over de eventuele herontwikkeling gedurende vrij lange tijd op vriendschappelijke voet met elkaar verkeerd. 4.
- Voordat afspraken tussen partijen zijn gemaakt en vastgelegd over herontwikkeling van het pand meende [eiser] - volgens zijn stellingen - dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] er zeer in geïnteresseerd waren om, net als [eiser] en zijn gezin, na realisatie van meer appartementen in het pand ieder met hun gezin een van de appartementen in dat complex te betrekken. Ter zitting is de rechtbank, uit het daarover tussen [eiser] en [gedaagde 2] gevoerde gesprek, gebleken dat in ieder geval [gedaagde 2] het er destijds toe heeft geleid dat die - onjuiste - gedachte bij [eiser] is ontstaan en heel lang is blijven bestaan. Zo is er in diverse gezellige gesprekken door [gedaagde 2] onder meer over toekomstige gezamenlijke barbecues en dergelijke gesproken. Opmerking verdient dat [gedaagde 1] desgevraagd ter zitting heeft opgemerkt nooit enige interesse te hebben gehad om zijn woning met tuin te Hillegersberg in te ruilen voor een stadsappartement. Dat hij dat destijds ook kenbaar heeft gemaakt aan [eiser] heeft hij echter niet verklaard. 4.
- De werkelijke interesse van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] in het pand betrof van aanvang af de mogelijkheid om het pand te doen splitsen in appartementen en die na herontwikkeling tegen een zo hoog mogelijke prijs zouden kunnen worden verkocht teneinde zoveel mogelijk winst te realiseren. In de spreekaantekeningen van de advocaat van RG c.s. onder 18 is dit als volgt uitgedrukt: "Zo is met [eiser] nooit afgesproken dat de heren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] persoonlijk zouden kopen. Het betreft gewoon een zakelijke investering, voor DVB in zijn hoedanigheid van belegger, voor RG als projectontwikkelaar. (….)" 4.
- Nadat [eiser] zich is gaan realiseren dat de insteek van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] van aanvang af een zuiver commerciële was, is [eiser] zich gaandeweg kritischer gaan opstellen. Daarbij was voor [eiser] van belang dat hij - anders dan de anderen - plezierig met zijn gezin in het pand wilde blijven wonen. 4.
- RG c.s. zijn druk gaan uitoefenen op [eiser] om snel akkoord te gaan met (onomkeerbare) stappen in het proces van herontwikkeling, zoals het reeds ondertekenen van een aannemingsovereenkomst. [eiser] heeft zich vervolgens (alsnog) door deskundigen - een notaris en een advocaat - laten adviseren. 4.
- Uiteindelijk heeft [eiser] alle vertrouwen in RG c.s. verloren. Daarbij heeft volgens [eiser] een belangrijke rol gespeeld dat [eiser] constateerde dat RG c.s. het als normaal zakendoen beschouwden om de gemeente op verschillende punten bewust onjuist voor te lichten met het doel om een vergunning te verkrijgen. Die bewust onjuiste voorlichting van de gemeente betreft het volgende. RG c.s. hebben het bestaan van een overeenkomst inzake gehuurde parkeerplekken gefingeerd (zie hiervoor onder 2.31 sub 10). Voorts hebben RG c.s. de architect in de plantoelichting bij de aanvraag van de omgevingsvergunning in strijd met hun werkelijke voornemens de volgende passage doen opnemen (zie ook hiervoor onder 2.16): "In het plan zijn de monumentale waarden als vastgesteld in de waardekaarten uit de bouwhistorische verkenning leidend geweest. Het pand zal de oorspronkelijke opzet van kantoor met erboven woonvertrekken voor directie behouden blijven, zij het in een enigszins gewijzigde verkaveling. In plaats van één rederij op de begane grond en eerste verdieping met daarboven de directiewoning en dienstvertrekken, zullen de drie bedrijven van de drie opdrachtgevers worden gehuisvest op de begane grond en een ondergeschikt deel van de eerste verdieping, met daarboven hun directiewoningen in steeds één woning per laag. De opdrachtgevers wonen en werken allen al lang in het Scheepvaartkwartier en hebben zowel professioneel als persoonlijk een sterke band met de stad, de haven, en de architectuur van deze stad. Hun wonen en werken hier garandeert een passende en eigentijdse voortzetting van de historische waarden. In deze opzet zal het dus gaan om maatwerk voor bekende eindgebruikers. Daarmee wordt ook het bezwaar weggenomen dat onzeker zou zijn hoe onbekende kopers met de indeling en afwerking van de monumentale ruimtes zouden omgaan. Via voorwaarden in de VVE zal dit nauwkeurig worden vastgelegd en bewaakt." 4.
- In de correspondentie en in deze procedure stellen RG c.s. zich op het standpunt dat het nooit de bedoeling is geweest dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] (en hun gezinnen) zelf in het pand zouden gaan wonen, met dien verstande dat [gedaagde 2] ter zitting heeft opgemerkt dat voor de toekomst best mogelijk te achten. RG c.s. hebben er in hun verhouding tot [eiser] niet mee willen instemmen dat zou worden vastgelegd dat de eigenaren van de appartementen ook de gebruikers van de kantoren zouden zijn. 4.
- [eiser] heeft ter zitting medegedeeld dat voor hem volstrekt onacceptabel is dat de gemeente door RG c.s. bewust onjuist is voorgelicht met het doel om een vergunning te verkrijgen en die vergunning vervolgens voor andere doelen te gebruiken dan waarvoor die is verleend. [eiser] heeft er in dit verband op gewezen dat hij diverse adviesfuncties bij de gemeente Rotterdam vervult en voorts dat hij ook als directeur van [naam bank] van onbesproken gedrag dient te zijn. [eiser] heeft erop gewezen dat hij de zogeheten bankiers-eed heeft afgelegd en dat DNB in dat kader toezicht uitoefent. Mede om die redenen acht [eiser] iedere vorm van verdere samenwerking met RG c.s. onmogelijk. Dat thans de eerste en tweede verdieping van het pand leeg staan en dat de kosten daarvan voor [eiser] doorlopen terwijl daar geen (huur)inkomsten meer tegenover staan, neemt [eiser] in afwachting van de uitkomst van deze procedure (eventueel in meer instanties) voor lief. 4.
- Van de zijde van RG c.s. is ter zitting medegedeeld dat zij van mening zijn dat [eiser] ten opzichte van hen zijn handen vrij wil krijgen, teneinde de door hen bedachte en voorbereide herontwikkeling alsnog alleen ten behoeve van zichzelf te effectueren zodat hij de winst niet met RG c.s. hoeft te delen. 4.
- Thans komt de rechtbank toe aan de juridische beoordeling. 4.
- De vorderingen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen worden afgewezen. [eiser] heeft niet met hen gecontracteerd. Uit de door [eiser] aangevoerde feiten en omstandigheden kan ook niet worden afgeleid dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] jegens [eiser] een onrechtmatige daad hebben gepleegd. De enkele stelling van [eiser] dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , handelend voor RG en VB, meervoudig bedrog zouden hebben gepleegd (dagvaarding onder 35.1) acht de rechtbank daarvoor onvoldoende. Niet in geschil is dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] steeds als bestuurders van de betrokken rechtspersonen zijn opgetreden. Dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarbij jegens [eiser] zodanig in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid hebben gehandeld dat dit de conclusie rechtvaardigt dat zij persoonlijk uit onrechtmatige daad aansprakelijk zijn jegens [eiser] , kan de rechtbank uit het door [eiser] ten aanzien van ieder van hen gestelde niet afleiden. Evenmin kan de rechtbank uit de stellingen van [eiser] een andere rechtsgrond afleiden die toewijzing van enigerlei vordering jegens [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] persoonlijk zou kunnen rechtvaardigden. 4.
- De visie van [eiser] dat in de verhouding tot RG en VB de ontwikkelingsovereenkomst op 1 december 2018 van rechtswege is vervallen (zie vordering sub 1 onder 3.1), acht de rechtbank onjuist. Uit hetgeen partijen zijn overeengekomen, vloeit voort dat ontbindende voorwaarden uitdrukkelijk en tijdig dienden te worden ingeroepen op de in de ontwikkelingsovereenkomst vermelde wijze. De partijen bij de tweede allonge zijn als ontbindende voorwaarde nader overeengekomen: dat de omgevingsvergunning niet uiterlijk op 1 december 2018 onaantastbaar en onherroepelijk is geworden (artikel 5 aanhef en sub a; zie hiervoor onder 2.13). De considerans van de tweede allonge vermeldt onder d dat voor zover er niet is afgeweken van de ontwikkelingsovereenkomst deze geheel in stand blijft. De ontwikkelingsovereenkomst vermeldt in artikel 6 lid 3 dat het recht om een beroep te doen op een ontbindende voorwaarde vervalt, wanneer dit beroep niet binnen vijf werkdagen is ingesteld door middel van een schriftelijk bericht aan Kooijman Autar Notarissen (zie hiervoor onder 2.10). Een dergelijk beroep op de betreffende ontbindende voorwaarde is door [eiser] niet tijdig en niet op de juiste wijze gedaan. Derhalve is het recht om een beroep op de ontbindende voorwaarde te doen vervallen. 4.
- Feiten of omstandigheden die meebrengen dat [eiser] de tussen partijen gesloten overeenkomst(en) op dit punt anders heeft mogen begrijpen dan uit de tekst kan worden afgeleid, zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank acht het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat RG c.s. zich hebben beroepen op het verstreken zijn van de termijn waarbinnen een beroep kon worden gedaan op de ontbindende voorwaarde. Uitgangspunt is dat partijen zijn gebonden aan hetgeen zij met elkaar zijn overeengekomen. 4.
- In artikel 5 van de ontwikkelingsovereenkomst zijn partijen het volgende overeengekomen (zie hiervoor onder 2.10): "Tot meerdere zekerheid voor de nakoming van zijn verplichtingen: - zal ieder van de kopers aan Kooijman Autar Notarissen door overmaking op haar kwaliteitsrekening bij de ABN AMRO bank NV. nr. [bankrekeningnummer] een waarborgsom van 5% van de koopprijs voldoen; of (naar keuze van de desbetreffende koper)- zal een zodanige koper een schriftelijke bankgarantie doen stellen ten belope van 5% van de koopprijs, vermeerderd met de eventueel over die koopprijs, zulks uiterlijk ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning." 4.
- Vast staat dat "de kopers" hierin zijn tekortgeschoten. Ter zitting is van de zijde van RG c.s. desgevraagd medegedeeld dat "de kopers" RG en VB waren. Kennelijk hebben [naam bedrijf 1] en AFBL Vastgoed RG nader als koper aangewezen. [gedaagde 1] heeft er ter zitting op gewezen dat er geen datum in artikel 5 van de ontwikkelingsovereenkomst stond vermeld, zodat het lastig was om de datum waarop de zekerheid uiterlijk diende te zijn gesteld in de agenda te noteren. Van de zijde van RG c.s. is echter niet betwist dat zij wisten dat de zekerheid uiterlijk ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning diende te zijn gesteld. Dat betrof een voor hen eenvoudig te onthouden - immers: belangrijk - moment waarop de fatale termijn zou verstrijken. RG c.s. moeten zich daarvan bewust zijn geweest in de periode dat dat de omgevingsvergunning uiteindelijk kon worden aangevraagd. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het niet voldoen aan de verplichting om de overeengekomen zekerheid te stellen een bewuste keuze van deze professionele partijen (projectontwikkelaar en belegger) is geweest, en niet het gevolg van een moment van onachtzaamheid. Dat vindt ondersteuning in het feit dat RG en VB de overeengekomen zekerheid beide nimmer hebben gesteld, ook niet nadat zij - ten overvloede - door de advocaat van [eiser] in gebreke zijn gesteld. Kennelijk wensten RG en VB in dit kader geen liquide middelen vast te leggen. 4.
- De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat RG en VB de zekerheid uiteraard ook ruim tevoren hadden kunnen stellen. Zij hoefden daarmee niet te wachten tot (kort voor) het moment van indiening van de aanvraag voor een omgevingsvergunning. In die zin was de situatie anders dan met betrekking tot het hiervoor behandelde beroep op een ontbindende voorwaarde. Dat beroep moest immers binnen een in de overeenkomst genoemde vrij korte termijn van slechts vijf werkdagen worden gedaan. De rechtbank heeft het door RG c.s. gedane beroep op overschrijding van die termijn door [eiser] gehonoreerd omdat [eiser] zich nu eenmaal had gebonden aan het daarover overeengekomene. Gebondenheid aan de overeenkomst geldt uiteraard ook voor RG als projectontwikkelaar en VB als belegger. Van hen mocht zonder meer worden verwacht dat zij voldoende bekend waren met de inhoud van de overeenkomst om erop bedacht te zijn dat zij vóór het einde van de overeengekomen fatale termijn de overeengekomen zekerheid dienden te stellen. 4.
- Op grond van artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. 4.
- De rechtbank is van oordeel dat aan RG c.s. geen beroep op de tenzij-uitzondering toekomt. De tekortkoming is in de omstandigheden van dit geval van zodanige ernst dat deze ontbinding rechtvaardigt. De in het belang van [eiser] te stellen zekerheid betrof een substantieel bedrag. Dat RG c.s. erin waren geslaagd om te bedingen dat "slechts" 5% van de koopsommen als zekerheid diende te worden gesteld, rechtvaardigt niet de conclusie dat het van geringe betekenis was dat die 5% niet werd betaald. Van RG c.s. eiste de overeenkomst dat deze zekerheid ten behoeve van [eiser] werd gesteld. Dit stond tegenover hetgeen de overeenkomst van [eiser] eiste. Van [eiser] eiste de overeenkomst onder meer dat hij eenzijdig reeds zeer aanzienlijke financiële risico's zou nemen. [eiser] diende immers vooruitlopend op vooralsnog onzekere toekomstige ontwikkelingen de huurovereenkomsten met de zakelijke huurders van kantoorruimte in het pand te beëindigen. Of nadien de vergunningen zouden worden verleend en of het project uiteindelijk doorgang zou vinden, stond toen nog niet vast. 4.
- RG c.s. hebben ter verontschuldiging van hun tekortschieten jegens [eiser] nog aangevoerd dat zij veel kosten hebben voldaan. Zij hebben echter niet gesteld dat zij ter zake van de gemaakte kosten ter realisering van het project op het moment dat de zekerheid had behoren te worden gesteld een groter deel voor hun rekening hadden genomen dan [eiser] . Uit de overgelegde stukken is dat ook niet af te leiden. Er is in de loop van de tijd, zodra kosten waren gemaakt, door RG steeds gevraagd om betaling door [eiser] van zijn aandeel in gemaakte kosten. De rechtbank kan uit de stukken niet anders afleiden dan dat [eiser] zijn aandeel vervolgens ook steeds heeft voldaan. 4.
- In de vordering sub 15 is als grond voor de gevorderde ontbinding onder meer specifiek genoemd het niet storten van de waarborgsom/het niet stellen van een bankgarantie. Uit de dagvaarding (onder 26.2 in samenhang met 33.1) begrijpt de rechtbank echter dat [eiser] ook het jegens de gemeente onbehoorlijke handelen van de zijde van RG c.s. met betrekking tot de aanvraag van de omgevingsvergunning waardoor [eiser] reputatieschade kon oplopen (zie hiervoor onder 4.9), aanmerkt als een relevante tekortkoming. De rechtbank is van oordeel dat ook die tekortkoming ontbinding van de overeenkomst kon rechtvaardigen. Van [eiser] mag niet worden gevergd dat hij zou blijven samenwerken met contractpartners die - kort weergegeven - fraudeerden bij het aanvragen van een vergunning. Dat RG c.s. van aanvang af het voornemen hadden om van de omgevingsvergunning op geheel andere wijze gebruik te gaan maken dan bij de aanvraag was opgegeven, komt wat de rechtbank betreft neer op frauduleus handelen. Dat VG de omgevingsvergunning - anders dan in de notitie van 10 november 2016 nog was vermeld (zie hiervoor onder 2.7; voorlaatste bulletpoint) - niet namens [eiser] , maar op eigen naam heeft aangevraagd, doet daar niet aan af. De omgevingsvergunning heeft immers betrekking op het pand waarvan [eiser] eigenaar is. Nu deze onder valse voorwendselen is aangevraagd kan dat (ook) de reputatie van [eiser] schaden. 4.
- De stelling van RG c.s. dat [eiser] met de onbetamelijke wijze van aanvragen van de vergunningen heeft ingestemd, vindt geen steun in de overgelegde stukken en is in het licht van de gemotiveerde betwisting door [eiser] onvoldoende onderbouwd. In een e-mail van 17 mei 2019 heeft [eiser] vragen aan RG c.s. gesteld met betrekking tot het parkeren. In een e-mail van 17 mei 2019 hebben RG c.s. als volgt gereageerd: "Zoals in de laatste bespreking besproken moest de VvE 4 externe plekken regelen. Dit hebben wij opgelost door een mail van [gedaagde 2] aan de VvE, waarin staat dat we 4 parkeerplaatsen huren op [adres 2] met een huurperiode lopend van jaar tot jaar. Onder ons is overeengekomen dat deze plekken niet werkelijk worden gehuurd maar dat de mail diende ter verkrijging van de omgevingsvergunning. Op deze wijze is op een goedkope manier voldaan aan het verzoek van gemeente. Alternatief was om bij [adres 3] parkeerplaatsen voor € 1500,00 per jaar, per stuk te huren. Hier had niemand behoefte aan." 4.
- Ook het handelen met betrekking tot de parkeerplaatsen is onbetamelijk jegens de gemeente. RG c.s. hebben er weliswaar terecht op gewezen dat dit handelen niet kwalificeert als bedrog in de zin van artikel 3:44 lid 3 BW in de relatie tussen RG c.s. en [eiser] , maar dat neemt niet weg dat [eiser] wel degelijk schade kon ondervinden van een dergelijke handelswijze van RG c.s. jegens de gemeente. In de visie van de rechtbank is het terecht dat [eiser] in het kader van het jegens de gemeente onbetamelijke handelen door RG c.s. vreesde voor het risico van reputatieschade. Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat er in zoverre ook sprake was van voor [eiser] onvoorziene omstandigheden van dien aard dat RG c.s. naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde uitvoering van de overeenkomst niet mochten verwachten (artikel 6:258 BW). Nu de ontwikkelingsovereenkomst wordt ontbonden, is dat thans echter niet relevant en behoeven ook de genoemde (alternatieve) rechtsgronden bedrog, misbruik van omstandigheden en dwaling geen (verdere) bespreking. De vordering tot ontbinding is immers niet subsidiair ingesteld ten aanzien van de vorderingen tot vernietiging. 4.
- Indien een overeenkomst wordt ontbonden, dan is de partij wier tekortkoming een grond voor de ontbinding heeft opgeleverd, verplicht haar wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt, doordat geen wederzijdse nakoming doch ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt (artikel 6:277 lid 1 BW). [eiser] maakt aanspraak op schadevergoeding. Het debat over de eventuele schade zal echter nog in volle omvang dienen te worden gevoerd. [eiser] heeft de door hem gestelde schade vooralsnog zeer summier onderbouwd (zie dagvaarding pagina 25 onder 34). Nu [eiser] zich op het standpunt stelt dat de overeenkomst voor hem zeer ongunstig was, kan bovendien niet zonder meer worden aangenomen dat hij per saldo aanzienlijke schade lijdt als gevolg van het feit dat geen wederzijdse nakoming doch ontbinding plaatsvindt. Niettemin is de mogelijkheid dat [eiser] daardoor schade lijdt voldoende aannemelijk. De concreet door [eiser] gevorderde bedragen zijn thans niet toewijsbaar. De rechtbank zal daarom een veroordeling tot vergoeding van bij staat op te maken schade uitspreken. 4.
- Na vermeerdering van eis vordert [eiser] dat de rechtbank ook voor recht verklaart dat [eiser] geen dwangsommen jegens RG c.s. heeft verbeurd en dat hij het vonnis in kort geding van 2 augustus 2019 van de voorzieningenrechter in deze rechtbank is nagekomen door het daarin gegeven bevel uit te voeren. De rechtbank zal die vordering toewijzen. De rechtbank motiveert dit als volgt. 4.
- Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat notaris Kooijman de van de zijde van [eiser] ontvangen instructies zo had begrepen dat daarmee aan hem opdracht was verstrekt tot het opstellen van een akte van splitsing. Daarmee was in de visie van de rechtbank reeds voldaan aan de tekst en strekking van de in het vonnis in kort geding van 2 augustus 2019 vervatte veroordeling. Dat de aan de notaris verstrekte opdracht uiteindelijk niet heeft geleid tot uitvoering van de opdracht doet daar niet aan af. In dit verband wijst de rechtbank ook op het volgende. 4.
- Notaris Kooijman voorzag begrijpelijkerwijs problemen en heeft kennelijk om die reden aanvaarding van deze opdracht afhankelijk gesteld van door hem gestelde financiële voorwaarden die - evenzeer begrijpelijk - voor [eiser] niet acceptabel waren. Dat RG c.s. nadien hebben aangeboden om alsnog een deel van de kosten voor hun rekening te nemen en dat later notaris Kooijman zich - onder nadere voorwaarden - bereid heeft verklaard om alsnog minder kosten in rekening te brengen, brengt niet mee dat [eiser] gehouden was om - op straffe van verbeurte van de in het vonnis in kort geding bepaalde dwangsom - daarmee akkoord te gaan en in het verlengde daarvan nogmaals een opdracht te verstrekken. In dit verband acht de rechtbank mede van belang dat voor alle betrokkenen inmiddels duidelijk behoorde te zijn dat het doen uitvoeren van die opdracht zinloos was bij gebreke van de noodzakelijke overeenstemming tussen partijen over de inhoud van de op te stellen akte van splitsing met ballotageregeling. De voorzieningenrechter had dat mogelijke probleem kennelijk ook voorzien. Hij heeft in het vonnis onder 5.16 immers reeds overwogen dat de toewijzing van het betreffende onderdeel van de vorderingen van RG en VB niet impliceerde dat [eiser] met de uiteindelijk door de notaris op te stellen splitsingsakte zonder meer zou moeten instemmen. Tegen die achtergrond ligt het niet in de rede de veroordeling onder 7.1 van het vonnis in kort geding ruimer uit te leggen dan hiervoor is geschied. Zodra duidelijk werd dat partijen geen overeenstemming konden bereiken over de uitgangspunten, lag het niet in de rede notaris Kooijman nog meer tijd te laten besteden aan het opstellen van een splitsingsakte en derhalve evenmin om hem nadere opdrachten te verschaffen in vervolg op het debat over de aan zijn werkzaamheden verbonden kosten. 4.
- Hetgeen hiervoor is overwogen brengt - samenvattend - mee dat op de vorderingen in conventie als volgt wordt beslist. 4.
- Vordering 1 wordt afgewezen. De ontwikkelingsovereenkomst is niet van rechtswege vervallen. 4.
- Vordering 2 wordt afgewezen. Niet goed voorstelbaar is dat RG c.s. geheel tegen de wens van de eigenaar van het pand op welke wijze dan ook gebruik zouden maken van de omgevingsvergunning, dan wel dat zij zonder diens toestemming iets ten aanzien van het pand zouden ondernemen. Ter zitting hebben RG c.s. desgevraagd ook bevestigd dat zij zonder instemming van [eiser] geen gebruik zullen maken van de omgevingsvergunning en dat zij niets ten aanzien van het pand zullen ondernemen. 4.
- Vordering 3 wordt afgewezen. De omvang van eventuele voor vergoeding in aanmerking komende schade kan thans nog niet worden begroot. RG en VB zullen hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van bij staat op te maken schade. 4.
- Vordering 4 wordt toegewezen op de wijze als bij vordering 3 toegelicht. 4.
- Vorderingen 5, 6 en 7 zijn ter zitting ingetrokken. 4.
- Vordering 8 wordt afgewezen. Op de ontbindende voorwaarde had tijdig en op juiste wijze een beroep moeten worden gedaan. 4.
- Vorderingen 9, 10, 11, 12, 13 en 14 worden afgewezen. Omdat de ontwikkelingsovereenkomst wordt ontbonden wegens toerekenbaar tekortschieten, heeft [eiser] geen belang bij verdere beoordeling van de vorderingen 9 tot en met 14, die ertoe strekken de overeenkomst te doen vernietigen. 4.
- Vordering 15 wordt toegewezen in die zin dat de ontwikkelingsovereenkomst wordt ontbonden. 4.
- Voor recht zal worden verklaard dat [eiser] geen dwangsommen jegens RG en VB heeft verbeurd en dat [eiser] het vonnis in kort geding van 2 augustus 2019 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam is nagekomen door het daarin gegeven bevel uit te voeren. 4.
- De proceskosten in conventie zullen worden gecompenseerd in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt. De rechtbank motiveert deze beslissing als volgt. Enerzijds wordt een belangrijk deel van de vorderingen van [eiser] jegens RG en VB toegewezen. Anderzijds wordt vordering 3 tot betaling van een bedrag van ruim € 382.000,00 niet toegewezen. Het gevolg van het instellen van deze niet toewijsbare substantiële geldvordering is echter geweest dat beide partijen een griffierecht van aanzienlijk hogere omvang hebben moeten betalen dan indien deze geldvordering niet zou zijn ingesteld. Dit rechtvaardigt compensatie van de proceskosten tussen enerzijds [eiser] en anderzijds RG en VB. In de verhouding tot [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is [eiser] aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Niet aannemelijk is echter dat ten behoeve van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] extra proceskosten zijn gemaakt. De gezamenlijke advocaat van RG c.s. heeft de positie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in één alinea in de conclusie van antwoord kunnen behandelen (zie conclusie van antwoord, pagina 2, eerste alinea). 4.
- De rechtbank zal dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Indien hoger beroep tegen dit vonnis wordt ingesteld, hebben partijen er in de visie van de rechtbank belang bij dat het debat over de omvang van de voor vergoeding in aanmerking komende schade wordt uitgesteld tot nadat ook in hoger beroep uitsluitsel is verkregen over de aansprakelijkheidsvraag. in reconventie 4.
- Uit hetgeen in conventie is overwogen en beslist, en in het bijzonder uit de ontbinding van de ontwikkelingsovereenkomst, vloeit voort dat de vorderingen in reconventie dienen te worden afgewezen. 4.
- RG c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 543,00 (1 punt volgens Tarief II).
- De beslissing De rechtbank in conventie 5.
- ontbindt de ontwikkelingsovereenkomst, 5.
- veroordeelt RG en VB hoofdelijk de schade te vergoeden die [eiser] lijdt doordat geen wederzijdse nakoming doch ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt, welke schade dient te worden opgemaakt bij staat, 5.
- verklaart voor recht dat [eiser] geen dwangsommen jegens RG en VB heeft verbeurd en dat [eiser] het vonnis in kort geding van 2 augustus 2019 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam is nagekomen door het daarin gegeven bevel uit te voeren, 5.
- compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie 5.
- wijst de vorderingen af, 5.
- veroordeelt RG c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 543,
- Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2020.[1729;3194]