beschikking RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd zaakgegevens: C/10/590219 / JE RK 20-222 & 593415 / JE RK 20-748 datum uitspraak: 14 april 2020 beschikking ondertoezichtstelling in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht, hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam, betreffende [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2019 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. Het procesverloop Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken: - de beschikkingen van de kinderrechter in deze rechtbank van 24 januari 2020 en 3 februari 2020 en de aan die beschikkingen ten grondslag liggende stukken; - het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 16 maart 2020, ingekomen bij de griffie op 18 maart 2020; - de brief van de Raad van 30 maart 2020, ingekomen bij de griffie op 1 april
- De mondelinge behandeling van de zaak stond gepland op 14 april
- Vanwege het beleid van de Raad voor de rechtspraak om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals dat op 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. De kinderrechter heeft de betrokkenen telefonisch, in een zogenoemde conference call, gehoord. Gehoord zijn, in aanwezigheid van de griffier: - de moeder, - een vertegenwoordigster van de Raad, mw. [naam vertegenwoordigster 1] , - een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de GI), mw. [naam vertegenwoordigster 2] . De vader, dhr. [naam vader] , die was opgeroepen als informant, is in de gelegenheid gesteld om telefonisch te worden gehoord. De feiten Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder. [voornaam minderjarige] verblijft met de moeder in het Babyhuis. Bij beschikking van 24 januari 2020 is [voornaam minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 24 april
- De verzoeken. De Raad heeft de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verzocht voor de duur van twaalf maanden. Dit verzoek is geregistreerd onder het zaaknummer C/10/590219 / JE RK 20-
- Op 13 maart 2020 heeft de Raad ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] verzocht. Dit verzoek is geregistreerd onder het zaaknummer C/10/593415 / JE RK 20-
- Bij brief van 30 maart 2020 heeft de Raad dit laatste verzoek ingetrokken. De Raad heeft het verzoek tot ondertoezichtstelling gehandhaafd en als volgt toegelicht. Een ondertoezichtstelling is noodzakelijk om de hulpverlening voor de moeder en [voornaam minderjarige] te waarborgen. De relatie tussen de ouders is inmiddels beëindigd. De moeder verblijft sinds 1 april 2020 met [voornaam minderjarige] in het Babyhuis. De moeder is betrokken en van goede wil, maar vanwege haar eigen problematiek en haar beneden gemiddelde intelligentieniveau is het noodzakelijk dat een neutrale derde zicht houdt op de situatie. Daarnaast dient er zicht te komen op het middelengebruik van de moeder. Het standpunt van de GI De GI heeft zich aangesloten bij het verzoek van de Raad. Het gaat goed met [voornaam minderjarige] . Hij moet wel wennen aan zijn nieuwe omgeving. De moeder wil het graag goed doen, maar dit zorgt wel voor stress bij haar en deze spanningen kan [voornaam minderjarige] ook voelen. [voornaam minderjarige] loopt achter qua gewicht en lengte en krijgt hier speciale voeding voor. De moeder kan maximaal negen maanden in het Babyhuis blijven. De GI heeft de moeder gecomplimenteerd met het feit dat zij ondanks tegenslagen openstaat voor de begeleiding en positieve stappen zet. Het standpunt van de belanghebbende De moeder heeft te kennen gegeven in te stemmen met de ondertoezichtstelling. De moeder vindt het fijn dat zij hulp krijgt en dat zij kan laten zien dat zij de opvoeding van [voornaam minderjarige] goed kan vormgeven. De beoordeling De kinderrechter is van oordeel dat in deze zaak telefonisch horen voldoende is om tot een goed oordeel te komen over het verzoek en zal daarom een beslissing nemen, zonder verdere mondelinge behandeling. Uit de overgelegde stukken en hetgeen door betrokkenen naar voren is gebracht is gebleken dat [voornaam minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Bij de moeder is sprake van persoonlijke problematiek. Zij heeft een belast verleden, functioneert op een beneden gemiddeld niveau en gebruikte regelmatig drugs. [voornaam minderjarige] is te vroeg geboren en heeft een achterstand in zijn groei. De moeder kan zelfstandig onvoldoende aansluiten bij de ontwikkelingsbehoefte van [voornaam minderjarige] . Zij heeft hierbij sturing nodig en staat hier ook voor open. De moeder wordt sinds 1 april 2020 begeleid door het Babyhuis. De kinderrechter is van oordeel dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer in het kader van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is, zodat er zicht blijft op de ontwikkeling en veiligheid van [voornaam minderjarige] , op de opvoedsituatie en op de opvoedvaardigheden van de moeder. Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. De kinderrechter zal daarom [voornaam minderjarige] onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden. Aangezien de Raad het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen heeft ingetrokken, kunnen de gronden hiervan niet langer worden onderzocht. De kinderrechter zal dit verzoek dan ook afwijzen. De beslissing De kinderrechter: stelt [voornaam minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam tot 14 april 2021; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2020 door mr. M.J.M. Marseille, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.F. Verhaart als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 24 april
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofDen Haag.