← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2020:4312

Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/661007-20 Datum uitspraak: 1 mei 2020 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:[adres verdachte] , [postcode] [woonplaats verdachte] ,ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet, raadsman mr. S. Urcun, advocaat te Rotterdam. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 1 mei

  1. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. J. Verschuren heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van voorarrest. Waardering van het bewijs Bewijswaardering feit 1 De verdachte heeft bekend dat hij zich bezig hield met de handel in verdovende middelen. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de gehele ten laste gelegde periode bewezen kan worden verklaard. Bij de politie heeft de verdachte op 27 januari 2020 zelf verklaard dat hij drie jaar daarvoor was begonnen met de handel in verdovende middelen. De ten laste gelegde periode wordt daarnaast ondersteund door het onderzoek naar de telefoon van de verdachte en verklaring van getuige [naam getuige] . Laatstgenoemde heeft op 7 februari 2020 bij de politie aangegeven dat zij al ‘een jaar of vier’ bij de verdachte drugs koopt. In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. Bewezenverklaring zonder nadere motivering van feit 2 en 3 Het onder 2 en 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:
  2. hij in de periode van 1 januari 2017 tot en met 26 januari 2020 te Rotterdam en/of Nieuwerkerk aan den IJssel, meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en MDMA telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
  3. hij op 26 januari 2020 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 718,7 gram van een materiaal bevattende cocaïne en ongeveer 272,3 gram van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en MDMAtelkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
  4. hij op 26 januari 2020 te Rotterdam om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verkopen, afleveren en verstrekken van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen 147,5 gram inositol en verscheidene lege gripzakjes, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Strafbaarheid feiten De bewezen feiten leveren op: Feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Feit 3: om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. Motivering straf Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Feiten waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft zich gedurende een periode van drie jaar schuldig gemaakt aan het handelen in harddrugs. Het gebruik van drugs is schadelijk voor de gezondheid van die gebruikers. De handel in drugs vormt bovendien een schakel in de keten van criminele ondermijnende activiteiten die de samenleving ernstig ontwricht. Verdachte heeft met zijn handelen alleen oog gehad voor zijn eigen financieel gewin ten koste van de volksgezondheid en daarmee een bijdrage geleverd aan de instandhouding van die keten van criminele activiteiten. Dat verdachte een onderdeel van die keten was, blijkt ook uit de omstandigheid dat in zijn woning een grote aan verdachte toebehorende handelshoeveelheid van verschillende soorten harddrugs is aangetroffen, alsmede versnijdingsmiddel en verpakkingsmateriaal. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 januari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Rapportages Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 24 maart
  5. In dit rapport is vermeld dat er met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte meer beschermende factoren dan risicofactoren zijn. De verdachte lijkt geen pro criminele houding te hebben, waardoor de risico’s op recidive volgens de reclassering beperkt zijn. De reclassering schat het recidiverisico in als laag/gemiddeld en ziet geen noodzaak om interventies/hulpverleningstrajecten in te zetten of aan te bieden. Daarop gerichte bijzondere voorwaarden zijn daarom ook niet geadviseerd. Conclusies van de rechtbank Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De verdediging heeft verzocht een groot deel van de straf voorwaardelijk in combinatie met een werkstraf op te leggen. De rechtbank zal de verdediging in zoverre volgen dat een deel van de op te leggen straf voorwaardelijk zal worden opgelegd, dit om de de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Een taakstraf, zoals door de raadsman bepleit, zou geen recht doen aan de ernst van de feiten. Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10A van de Opiumwet. Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. Beslissing De rechtbank: verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden; bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten; verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar; tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft; stelt als algemene voorwaarde: - de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht. Dit vonnis is gewezen door: mr. E. Rabbie, voorzitter, en mrs. L. Amperse en L. Daum, rechters, in tegenwoordigheid van J.P. van der Wijden, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 mei
  6. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
  7. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 26 januari 2020 te Rotterdam en/of Nieuwerkerk aan den IJssel, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
  8. hij op of omstreeks 26 januari 2020 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 718,7 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of ongeveer 272,3 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
  9. hij op of omstreeks 26 januari 2020 te Rotterdam om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen 147,5 gram inositol en/of meerdere lege gripzakjes, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.