← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2020:4520

Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 20/1710 uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 mei 2020 als bedoeld in artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [Naam], te [plaats], verzoeker, en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Procesverloop Verzoeker heeft digitaal op 23 maart 2020 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen

  1. Op grond van artikel 8:82, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt door de griffier van de indiener van het verzoekschrift een griffierecht geheven.
  2. Bij aangetekende brief (nota) van 1 april 2020 heeft de griffier verzoeker erop gewezen dat hij een griffierecht van € 48,- verschuldigd is en hem aangemaand dit bedrag uiterlijk twee weken na de datum van de nota te voldoen, of als de zitting eerder is, uiterlijk voorafgaande aan de zitting. Het vermelde bedrag is niet binnen de gestelde termijn bijgeschreven of ter griffie gestort.
  3. Deze brief is door PostNL aan de rechtbank geretourneerd met de mededeling dat deze niet is afgehaald. Nu deze brief naar het adres is verzonden waarop verzoeker in de basisregistratie van persoonsgegevens staat ingeschreven, mag de rechtbank er in beginsel van uitgaan dat verzoeker een afhaalbericht van deze aangetekende brief heeft ontvangen. Het niet op het postkantoor afhalen van een aan hem geadresseerd aangetekend verzonden poststuk is een omstandigheid die voor rekening en risico van verzoeker komt. Bij brief van 15 april 2020 is de nota, gelet op het bepaalde in artikel 8:38, eerste lid, van de Awb, nogmaals per gewone post verzonden naar het adres waarop verzoeker in de basisregistratie van persoonsgegevens staat ingeschreven. Verzoeker is erop gewezen dat de in de brief van 13 februari 2020 vermelde termijn niet opnieuw aanvangt.
  4. Op grond van artikel 8:82, derde lid, en 8:41, zesde lid, van de Awb wordt, indien het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven of gestort, het verzoek niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het verzoekschrift in verzuim is geweest.
  5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan redelijkerwijs worden geoordeeld dat verzoeker in verzuim is geweest. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
  6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van A. Krecke-Mangroe, griffier. De uitspraak is gedaan op 22 mei
  7. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.