← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2020:5433

Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/996641-18 Datum uitspraak: 9 juni 2020 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] , raadsman mr. B. Çiçek, advocaat te Breda. 1. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 1 november 2019 en 26 mei 2020. 2. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3. Eis officier van justitie De officieren van justitie mr. A.M. Dingley en H.C. Vermaseren (hierna: de officier van justitie) hebben gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 3 jaar en taakstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis. 4. Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak Feiten Vast staat dat de verdachte via Western Union op 13 juni 2016 een bedrag van € 2.275,00 heeft overgemaakt naar [naam persoon] . Deze transactie is door Western Union als zijnde een verdachte transactie gemeld aan de Financial Intelligence Unit. Verklaring van de verdachte De verdachte heeft verklaard dat dit geldbedrag bestemd was voor haar achternicht [naam achternicht verdachte] , dat dit geld afkomstig was van de moeder van [naam achternicht verdachte] en dat zij dit geld op 13 juni 2016 op verzoek van de moeder van [naam achternicht verdachte] via Western Union aan [naam persoon] had overgemaakt. Verder heeft zij verklaard dat zij op het moment van overboeken niet wist waar [naam achternicht verdachte] precies was en waarvoor dit geld bestemd was. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten. Daartoe is aangevoerd dat [naam achternicht verdachte] was uitgereisd naar Syrië. Dit was de verdachte bekend. Het moet voor de verdachte ook duidelijk zijn geweest onder welke omstandigheden uitreizigers in Syrië verbleven. De verdachte heeft, door een geldbedrag naar [naam achternicht verdachte] over te maken, de aanmerkelijke kans aanvaard dat het geld ten goede zou komen aan het verblijf van [naam achternicht verdachte] in Syrisch strijdgebied en daarmee (indirect) aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië. Daarmee heeft de verdachte voorwaardelijk opzet gehad op het financieren van terrorisme. Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat [naam achternicht verdachte] zich had aangesloten bij Islamitische Staat (hierna: IS). IS stond op het moment van het ter beschikking stellen van het geld vermeld op zowel de VN-Sanctielijst als op de EU-Sanctielijst. Dat maakt dat er sprake is van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977. Oordeel van de rechtbank Het dossier bevat geen bewijs dat de verdachte opzettelijk geld heeft overgemaakt naar [naam achternicht verdachte] die was aangesloten bij IS. De omstandigheden waaronder de verdachte de money transfer op 13 juni 2016 heeft verricht waren ook niet van dien aard dat daaruit kan worden afgeleid dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verstrekte gelden werden aangewend voor het plegen van daden van terrorisme. De onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zijn dan ook niet bewezen. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van beide ten laste gelegde feiten. 5. Bijlage De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis. 6. Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door: mr. I.M.A. Hinfelaar, voorzitter, en mrs. J.L.M. Boek en L. Amperse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juni 2020. De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat 1. zij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 10 juni 2016 tot en met 1 juli 2016 te Tilburg en/of elders in Nederland en/of Turkije en/of Syrië en/of Irak, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een ander opzettelijk middelen of inlichtingen heeft verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen heeft verzameld, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of aan (een) ander(

  1. en)heeft verschaft, die geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, dienden om geldelijke steun te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, te weten: - deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven (art. 140a Wetboek van Strafrecht) en/of - het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten is en/of dit feit iemands dood ten gevolge heeft (
  2. te)begaan met een terroristisch oogmerk (art.157 en/of 176a jo art. 83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot het in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf (zoals bedoeld in artikel 176b jo 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht) (
  3. te)begaan met een terroristisch oogmerk en/of - moord en/of doodslag (
  4. te)begaan met een terroristisch oogmerk (art.288a en/of 289 jo art. 83 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke voorbereiding van en/of bevordering tot de in artikelen 288a en/of 289 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven (zoals bedoeld in artikel 289a jo 96 lid 2 Wetboek van Strafrecht) (
  5. te)begaan met een terroristisch oogmerk, immers heeft verdachte alstoen aldaar een geldbedrag van: - 2275 euro (op 13 juni 2016, DOC-029, p. 2/5) , althans een geldbedrag, (via (een) money transfer) aan een (tussen)persoon in Turkije, verzonden en/of doen toekomen en/of naar Turkije verzonden, terwijl dit/die (geld)bedrag(
  6. en)(telkens) bestemd was/waren om geldelijke steun te verlenen aan de gewapende Jihadstrijd en/of (een) strijder(
  7. s)van die gewapende Jihadstrijd in Syrië en/of Irak, in welke strijd terroristische misdrijven worden/werden gepleegd, te weten ten behoeve van [naam achternicht verdachte] , zijnde een familielid van verdachte en/of een strijder van/deelnemer aan de gewapende Jihadstrijd, en/of ten behoeve van (een) (andere) strijder(
  8. s)van die Jihadstrijd, te weten van (een) terroristische organisatie(
  9. s)Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in Iraq, dan wel een strijdgroep die hieraan is gelieerd, althans een gewapende Jihadistische strijdgroep, welke strijder(
  10. s)en/of strijdgroep(en)/organisatie(
  11. s)tot oogmerk had(den)/heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven, dan wel een strijdgroep die hieraan is gelieerd, althans een gewapende Jihadistische strijdgroep, welke strijder(
  12. s)en/of strijdgroep(en)/organisatie(
  13. s)tot oogmerk had(den)/heeft/hebben het plegen van terroristische misdrijven, en/of aldus diende om geldelijke steun en/of middelen te verlenen aan de gewapende strijd in Syrië en/of in Irak, in elk geval om geldelijke steun en/of middelen te verlenen aan het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf dan wel een van de hiervoor specifiek genoemde misdrijven; 2. zij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 10 juni 2016 tot en met 1 juli 2016 te Tilburg en/of elders in Nederland en/of Turkije en/of Syrië en/of Irak, opzettelijk in strijd met het krachtens artikel 2 en/of 3 van de Sanctiewet 1977 vastgestelde verbod van artikel 2 en/of artikel 2a van de Sanctieregeling Al-Qaida 2011 juncto artikel 2 en/of artikel 4 van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van de Europese unie van 27 mei 2002 (jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014 van de Commissie) heeft gehandeld door: aan of ten behoeve van Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in Iraq, zijnde (een) (rechts)perso(o)n(en), groep(
  14. en)of entiteit(
  15. en)als bedoeld in de Verordening nr. 881/2002 (EU) (en/of Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 en/of Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 en/of Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014) behorende lijst(
  16. en)en/of als bedoeld in de lijst, vastgesteld door het comité, bedoeld in paragraaf 6 van Resolutie 1267 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties), direct of indirect tegoeden en/of economische middelen ter beschikking te stellen (waardoor voornoemde groep(
  17. en)of entiteit(
  18. en)tegoeden, goederen of diensten kunnen verwerven) en/of bewust en opzettelijk deel te nemen aan activiteiten die tot doel of tot gevolg hebben de bepalingen van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 881/2002 te omzeilen, doordat zij (
  19. a)voor en/of aan en/of ten behoeve van Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in Iraq, direct of indirect een geldbedrag van: - 2275 euro (op 13 juni 2016, DOC-029, p. 2/5), - althans een geldbedrag, (via een money transfer) ter beschikking heeft gesteld en/of (
  20. b)op andere wijze (in)direct tegoeden en/of financiële activa en/of economische middelen ter beschikking heeft gesteld aan Islamic State of Iraq en/of ISI en/of Islamic State in Iraq and the Levant en/of Jabhat al Nusra en/of Al Nusrah Front en/of Al Nusrah Front for the people of the Levant en/of Al-Qaida en/of Al-Qaida in Iraq; (artikel 2 en/of 3 Sanctiewet 1977 jo artikel 2 en/of artikel 2a Sanctieregeling Al-Qa'ida 2011 jo artikel 2 en/of artikel 4 van EG-Verordening 881/2002 (jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 632/2013 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 583/2014 van de Commissie en/of jo artikel 1 Uitvoeringsverordening (EU) Nr. 630/2014 van de Commissie) jo artikel 1 en/of artikel 2 jo artikel 6 van de WED).

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.