Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/996717-16 Datum uitspraak: 9 juni 2020 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] , raadsvrouw mr. P. de Mos, advocaat te Rotterdam. 1. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 26 mei 2020. 2. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3. Eis officier van justitie De officieren van justitie mr. A.M. Dingley en H.C. Vermaseren (hierna: de officier van justitie) hebben gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis. 4. Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak Feiten Vast staat dat de verdachte via Western Union op 12 oktober 2015 een bedrag van € 2.233,00 heeft overgemaakt naar [naam persoon] . Verklaring verdachte De verdachte heeft verklaard dat het geld bestemd was voor zijn moeder en zijn zus, die zich op dat moment in Syrië bevonden. Verder heeft hij verklaard dat het geld bestemd was voor primaire levensbehoeften (medicijnen, eten en kleding) en dat hij nooit geld zou hebben verstuurd, als hij geweten had dat het bij IS terecht zou komen. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte, door een geldbedrag naar zijn moeder en zus te sturen - die waren uitgereisd naar Syrië, zich midden in het Kalifaat tussen de strijders bevonden en ideologisch gedreven waren - de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het geld ten goede zou komen aan hun verblijf in Syrisch strijdgebied en daarmee (indirect) aan de gewapende Jihadstrijd in Syrië. Daarmee heeft de verdachte voorwaardelijk opzet gehad op het financieren van terrorisme. Voorts is aangevoerd dat de verdachte, door geld te sturen naar zijn moeder en zus, (indirect) geld ter beschikking heeft gesteld van IS. IS stond op het moment van het ter beschikking stellen van het geld vermeld op zowel de VN-Sanctielijst als op de EU-Sancitelijst. Dat maakt dat er sprake is van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2 van de Sanctiewet 1977. Beoordeling van de rechtbank De verdachte wordt onder feit 1 verweten – kort gezegd – het opzettelijk financieren van terrorisme, als bedoeld in artikel 421 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Met de term ‘opzettelijk’ in dit wetsartikel is beoogd ook het voorwaardelijk opzet in de strafbaarstelling tot uitdrukking te brengen. De wetgever heeft in de Memorie van Toelichting bij artikel 421 Sr opgemerkt dat de strafbaarstelling van het verlenen van geldelijke steun ook meer in het algemeen het financieel steunen van een persoon of van organisaties die zich bezighouden met het plegen van daden van terrorisme kan betreffen, indien daarmee door de verdachte bewust de aanmerkelijke kans wordt aanvaard dat de verstrekte gelden worden aangewend voor het plegen van dergelijke daden. De verdachte wordt onder feit 2 verweten – kort gezegd – het opzettelijk overtreden van de Sanctiewet 1977, door (indirect) geld ter beschikking van IS te stellen. Het opzet dient daarbij te zijn gericht op de verboden feitelijke gedraging (het direct of indirect geld ter beschikking stellen van IS) en niet op het overtreden van de wet. De verdachte heeft direct vanaf zijn eerste verhoor door de FIOD openheid van zaken gegeven over de money transfer die hij op 12 juni 2015 heeft verricht. Hij heeft verklaard dat het geld bestemd was voor zijn moeder en zijn zus die zich in Syrië bevonden en dat zijn moeder hem heeft bevestigd het geld te hebben ontvangen. Hij heeft voorts steeds verklaard dat hij nooit geld zou hebben gestuurd naar zijn broer of zijn zwager, die zich hadden aangesloten bij IS en heeft steeds benadrukt dat het geld bestemd was voor medicijnen voor zijn zieke moeder en voor eten en kleding. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte geloofwaardig. Dat het geld een andere bestemming had, is bovendien niet gebleken. De rechtbank is gelet op de verklaring van de verdachte van oordeel dat hij niet de kans heeft aanvaard dat het geld zou worden aangewend voor de terroristische strijd. Er is dan ook geen sprake van opzet op het financieren van terrorisme, ook niet in voorwaardelijke zin. Er is evenmin sprake van het opzettelijk geld ter beschikking stellen van IS. Dat het geld uiteindelijk toch (indirect) het terrorisme kan hebben ondersteund doet er niet aan af dat naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend is bewezen dat het opzet van de verdachte daarop gericht is geweest. Conclusie De onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zijn niet bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 5. Bijlage De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis. 6. Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door: mr. J.L.M. Boek, voorzitter, en mrs. I.M.A. Hinfelaar en L. Amperse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Vedder, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juni 2020. De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat 1. hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2015 tot en met 1 oktober 2016 te Zeist en/of Utrecht en/of elders in Nederland en/of Turkije en/of Syrië, tezamen en in vereniging, met een ander of anderen, althans alleen, een ander opzettelijk middelen of inlichtingen heeft verschaft dan wel opzettelijk voorwerpen heeft verzameld, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of aan (een) ander(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.