RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 8309425 CV EXPL 20-4572 uitspraak: 3 juli 2020 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van: de stichting Stichting Woonplus Schiedam, gevestigd te Schiedam, eiseres, gemachtigde: [gemachtigde] , tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats gedaagde] , gedaagde, gemachtigde: mr. R. Zwiers. Partijen worden hierna aangeduid als ‘Woonplus’ en ‘ [gedaagde] ’.
- Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 3 februari 2020, met producties; de conclusie van antwoord; de conclusie van repliek, met productie; de conclusie van dupliek. Het vonnis is bepaald op heden.
- De vaststaande feiten Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast. 2.1 [gedaagde] huurt van Woonplus de woning aan adres [adres] , tegen een huurprijs van laatstelijk € 350,34 per maand, welk bedrag bij vooruitbetaling dient te worden voldaan. 2.2 In de betaling van de huurpenningen is een achterstand ontstaan.
- Het geschil 3.1 Woonplus vordert, na eisvermindering, betaling van € 700,68 aan achterstallige huurpenningen, alsmede betaling van de kosten van deze procedure. 3.2 Woonplus heeft nakoming van de huurovereenkomst aan haar vordering tot betaling van de huurpenningen ten grondslag gelegd. Uit de huurovereenkomst vloeit voort dat [gedaagde] een verplichting heeft tot het betalen van de huur. Hij is deze verplichting niet volledig nagekomen.
- De beoordeling 4.1 Bij conclusie van repliek is door Woonplus gesteld dat de huurachterstand tot en met de maand april 2020 € 700,68 bedraagt. Dit is door [gedaagde] erkend. Partijen hebben in onderling overleg de navolgende regeling getroffen. Het totaalbedrag van de huurachterstand inclusief proceskosten zal in maximaal zes termijnen, naast de lopende huur, door [gedaagde] worden voldaan. 4.2 Partijen hebben de kantonrechter verzocht deze afspraak vast te leggen in een vonnis. De kantonrechter ziet geen aanleiding om dit verzoek niet in te willigen. De kantonrechter zal derhalve een veroordeling uitspreken die in overeenstemming is met de afspraak tussen partijen. 4.3 De vordering van Woonplus tot betaling van de reeds opeisbaar geworden huurpenningen ten bedrage van € 700,68, berekend tot en met de maand april 2020, zal daarom worden toegewezen. 4.4 [gedaagde] zal, conform de afspraak tussen partijen, in de proceskosten worden veroordeeld.
- De beslissing De kantonrechter: veroordeelt [gedaagde] om aan Woonplus aan huurachterstand tot de en met de maand april 2020 te betalen een bedrag van € 700,68; veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Woonplus vastgesteld op € 102,96 aan dagvaardingskosten, € 499,- aan griffierecht en € 240,- aan salaris voor de gemachtigde van Woonplus; staat [gedaagde] toe de som van de hiervoor genoemde bedragen van in totaal € 1.542,64, naast de lopende huur, aan Woonplus te voldoen, in zes maandelijkse termijnen van € 257,11, met ingang van 1 juli 2020; verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting. 43416