Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 20/2755 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2020 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [Naam] , te [Plaats] , eiser, gemachtigde: mr. J.S. Vlieger, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder, gemachtigde: mr. J.M. Tang. Procesverloop Eiser heeft op 22 mei 2020 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar tegen de brief van verweerder van 16 april 2019, waarin verweerder eiser heeft bericht dat de aanvraag om bijzondere bijstand voor kosten van juridische bijstand is ingetrokken. Overwegingen 1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. 2. Eisers gemachtigde heeft bij brief van 8 februari 2019 een aanvraag om bijzondere bijstand gedaan voor kosten van juridische bijstand. Omdat de aanvraag niet compleet is, nu geen gebruik is gemaakt van het aanvraagformulier en de toevoeging, bankafschriften en inkomensgegevens ontbreken, heeft een medewerker van verweerder op 16 april 2019 contact opgenomen met eisers gemachtigde. Volgens een telefoonnotitie is namens verweerder gezegd dat de aanvraag buiten behandeling zal worden gesteld. Bij brief van dezelfde datum heeft verweerder eiser echter bericht dat de aanvraag is ingetrokken, omdat eisers gemachtigde telefonisch heeft laten weten niet door te gaan met de aanvraag. 3. Naar aanleiding van een ingebrekestelling heeft verweerder bij besluit van 14 mei 2019 alsnog de aanvraag afgewezen onder verwijzing naar een besluit van 18 april 2019 waarbij een aanvraag van eiser om algemene bijstand is afgewezen. 4. Op 30 juli 2019 heeft eiser beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om bijzondere bijstand. Bij uitspraak van 18 oktober 2019 in de zaak ROT 19/3772 (ECLI:NL:RBROT:2019:8077) heeft de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het rechtsmiddel van beroep wegens niet tijdig beslissen niet open staat indien inmiddels een besluit is genomen. Eiser heeft aanvankelijk verzet tegen die uitspraak aangetekend, maar dit is later ingetrokken. 5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. 6. Een kennisgeving dat een aanvraag is ingetrokken is geen besluit, omdat het niet op rechtsgevolg is gericht nu het rechtsgevolg is gelegen in de intrekkingshandeling en niet in de schriftelijke bevestiging daarvan door het bestuursorgaan (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 juni 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT8031). De rechtbank is gelet op de telefoonnotitie van 16 april 2019 evenwel van oordeel dat de mededeling van verweerder van 16 april 2019 moet worden aangemerkt als een schriftelijke weigering een besluit op de aanvraag te nemen als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb, omdat niet is gebleken dat eiser de aanvraag heeft ingetrokken. 7. Tegen de schriftelijke weigering te beslissen stond, gelet op de artikelen 6:2, aanhef en onder a, en 7:1 van de Awb, bezwaar open. Eisers gemachtigde heeft eerst bij brief van 5 september 2019 bezwaar gemaakt. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij pas op de hoogte is gesteld van de brief van 16 april 2019 met de toezending van de stukken in het eerdere beroep wegens niet tijdig beslissen in de zaak ROT 19/3772, zodat om die reden op een laat tijdstip bezwaar is gemaakt. Bij brief van 12 maart 2020 heeft de gemachtigde van eiser de Algemene bezwaarschiftencommissie in gebreke gesteld tijdig te beslissen op het bezwaarschrift, wat de rechtbank op zal vatten als een ingebrekestelling aan verweerder omdat het mede aan verweerder is gericht. 8. Uit artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb volgt dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld. Uit artikel 6:12, tweede lid, van de Awb volgt dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.