← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2020:6278

RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 8315213 VZ VERZ 20-1841 uitspraak: 20 mei 2020 beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van [verzoekster] , wonende te [woonplaats verzoekster] , verzoekster, gemachtigde: mr. H.A. Groeneveld, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VAN LEEUWEN SCHOONMAAK VLS B.V., gevestigd te Zwijndrecht, verweerster, gemachtigde: mr. S.O. Voogt. Partijen worden hierna nader aangeduid als “ [verzoekster] ” en “VLS”.

  1. Het verdere verloop van de procedure 1.1 Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:  de tussenbeschikking van 22 april 2020 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken. 1.2 De mondelinge behandeling heeft in aanwezigheid van partijen plaatsgevonden op 15 mei
  2. Van deze mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. 1.3 De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden. 2.De beoordeling 2.1 Ter zitting is gebleken dat partijen het er in feite over eens zijn dat door alle verwikkelingen die hebben plaatsgevonden tussen partijen de arbeidsverhouding zodanig verstoord is geraakt dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van [verzoekster] kan worden gevergd. Zoals reeds bij tussenbeschikking van 22 april 2020 is overwogen is, gelet op hetgeen partijen in de stukken hebben gesteld en het verhandelde ter zitting, voldoende gebleken van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dient te eindigen als bedoeld in artikel 7:671c lid 1 BW. Niet gebleken is dat [verzoekster] een verwijt treft van de thans ontstane situatie. Nu [verzoekster] ook ter zitting heeft gepersisteerd bij haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en VLS zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671b lid 8 sub a BW worden ontbonden met ingang van 1 juli
  3. 2.2 Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over de hoogte van de aan [verzoekster] toekomende beëindigingsvergoeding, aangezien VLS zich bereid heeft verklaard aan haar vergoeding te betalen ten bedrage van € 9.000,00 bruto. In dat bedrag is begrepen de aanspraak van [verzoekster] uit hoofde van artikel 7:673 BW ter zake van de transitievergoeding. De kantonrechter acht de vergoeding van € 9.000,00 bruto in de gegeven omstandigheden redelijk en zal die vergoeding dan ook opnemen in deze beschikking. 2.3 Partijen hebben voorts in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst nadere afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting van 15 mei
  4. 2.4 Nu partijen overeenstemming hebben bereikt over de vergoeding van € 9.000,00 bruto hoeft aan [verzoekster] geen intrekkingstermijn gegeven te worden zoals bedoeld in artikel 7:686a lid 6 BW. 2.5 Gelet op de aard van het geschil bestaat geen aanleiding om de ene partij de proceskosten van de andere partij te laten vergoeden.
  5. De beslissing de kantonrechter, ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juli 2020; veroordeelt VLS tot betaling aan [verzoekster] van een bedrag van € 9.000.00 bruto; bepaalt dat partijen ieder de eigen kosten van deze procedure dragen. Deze beschikking is gegeven door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting. 829

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.