RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 8610432 \ VV EXPL 20-249 uitspraak: 22 juli 2020 vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ACCUVERKOOP HEFRA B.V., gevestigd te Rotterdam, eiseres bij exploot van dagvaarding van 30 juni 2020, gemachtigden: mr. M.L. Kruit en mr. R.D. Wouters te Rotterdam, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats gedaagde] , gemeente [gemeente] , gedaagde, gemachtigde: mr. S. van Buuren te Westmaas. Partijen worden hierna aangeduid als ‘Hefra’ respectievelijk ‘ [gedaagde] ’. 1. Het verloop van de procedure 1.1. De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende processtukken: de dagvaarding, met producties; de conclusie van eis in reconventie tevens houdende akte overlegging producties, met producties; de twee e-mailberichten van 7 juli 2020 van de gemachtigde van Hefra, met aanvullende producties; 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 juli 2020. Daarbij zijn verschenen namens Hefra de heer [naam persoon 1] en de heer [naam persoon 2] , met de gemachtigden van Hefra. Voorts is [gedaagde] in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De gemachtigden van partijen hebben ieder het eigen standpunt mondeling toegelicht aan de hand van door hen overgelegde spreekaantekeningen. Ook partijen zelf zijn in de gelegenheid gesteld een mondelinge toelichting te geven. Van hetgeen ter zitting is besproken, heeft de griffier aantekening gehouden. 1.3. De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden. 2. De vaststaande feiten In het kader van de onderhavige procedure kan in conventie en in reconventie van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan. 2.1. Hefra is een onderneming die (toebehoren van) accu’s distribueert binnen diverse branches in Europa, met distributiecentra in Rotterdam en Wormerveer. Zij maakt onderdeel uit van de Battery Distribution Division van Eco-Bat, welke vertegenwoordigd is in onder andere België, Frankrijk, Nederland, Spanje en het Verenigd Koninkrijk. 2.2. Partijen zijn op 25 maart 2010 een arbeidsovereenkomst per 1 april 2010 aangegaan voor de duur van drie maanden. [gedaagde] is toen in dienst getreden in de functie van magazijnmedewerker tegen een toenmalig salaris van € 1.000,00 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag en een bonusregeling. Die destijds aangegane arbeidsovereenkomst bevat een concurrentiebeding dat als volgt luidt: “Artikel 7. Geheimhouding en concurrentiebeding (…) 7.2 Het is werknemer verboden zowel tijdens als gedurende een jaar na het einde daarvan, direct of indirect of met behulp/onder de naam van een derde werkzaamheden te verrichten voor, of in verband met, te adviseren over, direct of indirect betrokken te zijn of enig belang te hebben bij c.q. anderszins zich te bewegen in de branche of bedrijvigheden/activiteiten, waarin de werkgever zich beweegt, en wel specifiek voor wat betreft de producten van de werkgever. Zo is het ook verboden namen van leveranciers en klanten van werkgever aan derden bekend te maken of bekend te doen maken of over te dragen in welke vorm dan ook of te -doen- gebruiken voor al of niet eigen commerciële doeleinden of bij contacten met derden, tenzij werkgever vooraf schriftelijke (voorwaardelijk) toestemming geeft. 7.3 Bij overtreding van het bepaalde in lid 2 hierboven is werknemer aan werkgever een direct opeisbare boete verschuldigd van € 500 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van werkgever om daarnaast de werkelijk geleden schade op werknemer te verhalen. (…)” 2.3. De arbeidsovereenkomst is na ommekomst van de drie maanden steeds verlengd en op enig moment omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. 2.4. [gedaagde] is aanvankelijk bij Hefra in dienst getreden als magazijnmedewerker, daarna is hij de functie van verkoper binnendienst gaan vervullen, vervolgens is hij gepromoveerd naar de functie van commercieel manager binnendienst en per 1 november 2018 is [gedaagde] benoemd tot export manager. In deze laatste functie bedroeg zijn salaris € 3.500,00 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en een jaarlijkse bonus bij het behalen van vooraf afgesproken prestaties. Bij geen van de functiewijzigingen is een nieuwe schriftelijke arbeidsovereenkomst gesloten. 2.5. Op 17 januari 2020 heeft [gedaagde] de arbeidsovereenkomst met Hefra opgezegd tegen 17 februari 2020. In de bevestigingsbrief heeft de heer [naam persoon 2] namens Hefra ingestemd met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en daarbij voorts, in zijn hoedanigheid van Managing Director bij Hefra, [gedaagde] gewezen op het geheimhoudings- en concurrentiebeding. 2.6. In de periode van 17 januari 2020 tot en met 4 juni 2020 hebben (de gemachtigden van) Hefra en [gedaagde] gecorrespondeerd over het in 2.2 genoemde geheimhoudings- en concurrentiebeding. 2.7. Op 12 mei 2020 heeft [gedaagde] de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf] ) opgericht. [gedaagde] is enig bestuurder van [naam bedrijf] . 3. Het geschil in conventie 3.1. Hefra vordert bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad: 1. [gedaagde] te verplichten over te gaan tot het staken van zijn werkzaamheden in strijd met artikel 7.2 van de arbeidsovereenkomst en dergelijke werkzaamheden gestaakt te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 500,00 per dag dat hij dit gebod/verbod overtreedt; 2. [gedaagde] te verplichten over te gaan tot beëindiging van zijn bedrijf [naam bedrijf] , dan wel tot beëindiging van zijn betrokkenheid bij dit bedrijf, te bewijzen door overlegging van een afschrift van deze uitschrijving bij de Kamer van Koophandel, onder oplegging van een dwangsom van € 500,00 per dag dat hij dit gebod overtreedt; 3. [gedaagde] te veroordelen tot het betalen van een voorschot op de reeds verbeurde boetes ter hoogte van € 500,00 per dag dat zijn overtreding heeft voortgeduurd, per dinsdag 30 juni 2020 bepaald op een bedrag van € 25.000,00; 4. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding. 3.2. Aan de vorderingen heeft Hefra – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – ten grondslag gelegd dat [gedaagde] het concurrentiebeding overtreedt. [gedaagde] heeft op 12 mei 2020 [naam bedrijf] opgericht, een onderneming die zich richt op de import en export van accu’s en accuverkoop. Voorts heeft [gedaagde] (in)directe leveranciers en klanten van Hefra benaderd op een wijze die gelijkluidend is aan de wijze waarop hij dit voor Hefra heeft gedaan. Ten slotte heeft Hefra vernomen dat [gedaagde] per 1 maart 2020 in dienst is getreden bij VT Batteries en dat VT Batteries en/of AKKU SYS als aandeelhouder deelnemen in [naam bedrijf] . Volgens Hefra blijkt uit het voorgaande dat [gedaagde] een weldoordachte constructie heeft opgezet om de positie van Hefra te ondermijnen. Hefra heeft, zo begrijpt de kantonrechter, een spoedeisend belang bij haar vorderingen vanwege de bescherming van haar bedrijfsdebiet en marktpositie. 3.3. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, althans tot niet-ontvankelijkverklaring van Hefra in haar vorderingen, met veroordeling van Hefra in de proceskosten. [gedaagde] betwist dat hij het concurrentiebeding heeft geschonden. Hij heeft klanten van klanten van Hefra benaderd en geen directe klanten van Hefra. 4. Het geschil in reconventie 4.1. [eiser] vordert, na eisvermindering ter zitting, bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad: primair A. het concurrentiebeding als bedoeld in artikel 7.2 en het daarmee samenhangende boetebeding van artikel 7.3 – met terugwerkende kracht – vanaf 17 februari 2020, althans vanaf 12 mei 2020, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum, te schorsen, zodat [eiser] in dienst kan treden, dan wel direct betrokken kan zijn of enig belang kan hebben bij c.q. zich anderszins te bewegen in de branche waarin Hefra zich beweegt; B. Hefra te veroordelen tot afgifte van de omzetoverzichten van [eiser] over 2019, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat zij daarmee in gebreke blijft, een halve dag geldende als een dag; C. Hefra te veroordelen tot het betalen van achterstallig loon en de bonus, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 5.250,00, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente; subsidiair D. voor het geval het concurrentiebeding niet, dan wel per een latere datum dan 12 mei 2020 wordt geschorst, dit (tevens) met terugwerkende kracht per 17 februari 2020, althans per 12 mei 2020, althans een door de rechtbank [lees: de kantonrechter] te bepalen datum te schorsen, zodanig dat de reikwijdte beperkt wordt tot het niet benaderen van klanten van Hefra, zodanig dat het [eiser] vrij staat om activiteiten te verrichten ten behoeve van derden/ondernemingen, waarbij Hefra op voorhand een lijst met klanten zal overleggen; meer subsidiair E. het in artikel 7 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst opgenomen concurrentiebeding en het daarmee samenhangende boetebeding op een in goede justitie te bepalen wijze te matigen, voor wat betreft de duur en/of de reikwijdte van het beding, zulks nu het concurrentiebeding onbillijk beperkend is voor [eiser] ; uiterst subsidiair F. Hefra te veroordelen tot betaling van een vergoeding tot 1 maart 2021 (het aflopen van het concurrentiebeding), omdat [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden in de branche in belangrijke mate wordt belemmerd; in alle gevallen G. met veroordeling van Hefra in de proceskosten. 4.2. Aan de vorderingen heeft [eiser] – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – ten grondslag gelegd dat het concurrentiebeding zowel onduidelijk als onevenredig benadelend is en bovendien zwaarder is gaan drukken vanwege de ingrijpende functiewijzingen van [eiser] in de loop der jaren. [eiser] betwist dat de functiewijziging van magazijnmedewerker naar exportmanager voorzienbaar was, omdat hij de eerste werknemer bij Hefra is geweest die een dergelijke stap gemaakt heeft. Het concurrentiebeding belemmert [eiser] thans in het vinden van een gelijkwaardige of betere functie, te meer nu hij slechts over een VMBO kader-diploma beschikt. Volgens [eiser] ondervindt Hefra geen hinder van zijn werkzaamheden, omdat hij niet rechtstreeks bij de fabrikant bestelt, maar bij tussenhandelaren. Hierdoor kan [eiser] naar alle waarschijnlijkheid niet mee in de door Hefra aangeboden prijzen. 4.3. Hefra heeft tegen de vorderingen – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aangevoerd. De functiewijzigingen van [eiser] van magazijnmedewerker naar verkoper binnendienst en vervolgens naar export manager zijn niet ingrijpend geweest. De laatste functiewijziging had slechts betrekking op een ander werkgebied en niet op andere werkzaamheden. Daar komt bij dat [eiser] alleen in het geval de heer [naam persoon 3] , een werknemer van Hefra, onbereikbaar of afwezig was, de verantwoordelijkheid had over het magazijn en het aanspreekpunt was voor dertig werknemers. Volgens Hefra waren de functiewijzigingen voorzienbaar nu [eiser] niet de eerste en de enige werknemer is geweest die dergelijke carrièrestappen heeft gemaakt. Daarnaast hebben de wijzigingen er ook niet toe geleid dat het concurrentiebeding zwaarder op [eiser] is gaan drukken. Het staat [eiser] vrij in een andere branche dan de accubranche als verkoper of export manager aan de slag te gaan. Hefra daarentegen heeft een evident zwaarwegend en rechtens te respecteren belang bij handhaving van het concurrentiebeding vanwege de bescherming van haar bedrijfsdebiet en marktpositie. [eiser] kan met zijn bij Hefra opgedane kennis en ervaring zijn voordeel doen ten koste van de concurrentiepositie van Hefra en daarmee zichzelf een ongerechtvaardigde voorsprong in de concurrentie geven. Volgens Hefra moet eveneens meegewogen worden dat [eiser] op eigen initiatief de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en, ondanks meerdere waarschuwingen, een concurrerende onderneming heeft opgericht, terwijl bij Hefra ook doorgroeimogelijkheden aanwezig waren. 5. De beoordeling in conventie: 5.1. Voor toewijzing van een vordering in kort geding is een spoedeisend belang vereist. Hiervan is sprake indien, gelet op de belangen van partijen, een onverwijlde voorziening geboden is en de afloop van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Hefra legt een inbreuk op een concurrentiebeding ten grondslag aan de vorderingen en stelt dat [gedaagde] bij een concurrerende onderneming betrokken is, dan wel zich beweegt, dan wel bedrijvigheden/activiteiten verricht in de branche waarin Hefra zich beweegt. Daarmee is het spoedeisend belang aan de zijde van Hefra gegeven. 5.2. In het kader van dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen, dan wel of de vorderingen van Hefra in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen. 5.3. Vooropgesteld wordt dat de vorderingen onder 1, 2 en 3 in samenhang moeten worden gelezen. Beoordeling van de vorderingen onder 2 en 3 is alleen van toepassing als de vordering onder 1 wordt toegewezen. geldigheid concurrentiebeding 5.4. De arbeidsovereenkomst die door Hefra is overgelegd, is aangegaan in 2010. Op grond van het toepasselijke Overgangsrecht is op deze arbeidsovereenkomst artikel 7:653 BW, zoals dit gold tot 1 januari 2015, van toepassing. Dit artikel bepaalt dat een concurrentiebeding slechts geldig is wanneer dit schriftelijk is overeengekomen. Aan dit vereiste is voldaan. Voorts geldt dat een in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd opgenomen concurrentiebeding niet zijn geldigheid verliest enkel vanwege het feit dat die arbeidsovereenkomst wordt voortgezet voor onbepaalde tijd onder overigens gelijkblijvende voorwaarden. het “zwaarder drukken-criterium” 5.5. [gedaagde] voert als meest verstrekkende verweer aan dat het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken door ingrijpende functiewijzingen in de loop der jaren. Indien een werkgever, zoals in dit geval is vastgesteld, met een werknemer op rechtsgeldige wijze een concurrentiebeding is overeengekomen, dan rijst de vraag in hoeverre de werkgever de werknemer aan dit beding kan houden als de omstandigheden waaronder dit concurrentiebeding is aangegaan door verloop van tijd ingrijpend zijn gewijzigd. In dit kader moet worden getoetst of (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.