← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2020:7383

vonnis RECHTBANK ROTTERDAM / AMSTERDAM Team handel en haven / Afdeling privaatrecht Vonnis in kort geding van 24 augustus 2020 in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/10/600611 / KG ZA 20-636 van de

§ 4.1 en § 4.2 van de dagvaardingen, door afgifte daarvan aan de advocaat van Essi

Lux, ten aanzien van ieder van gedaagden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,000,00 per dag of gedeelte daarvan dat niet, niet geheel of niet tijdig aan de veroordeling wordt voldaan, GrandVision c.s. veroordeelt om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan EssiLux afschriften te verstrekken van alle

§ 4

.3.1 van de dagvaardingen, § 4.2 van de akte houdende eisvermeerdering en productie 79, door afgifte daarvan aan de advocaat van EssiLux, ten aanzien van ieder van gedaagden sub 1 t/m 5 op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,000,00 per dag of gedeelte daarvan dat niet, niet geheel of niet tijdig aan de veroordeling wordt voldaan, HAL c.s. veroordeelt om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan EssiLux afschriften te verstrekken van alle

§ 4

.3.2 van de dagvaardingen, § 4.2 van de akte houdende eisvermeerdering en productie 79, door afgifte daarvan aan de advocaat van EssiLux, ten aanzien van ieder van gedaagden sub 6 en 7 op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,000,00 per dag of gedeelte daarvan dat niet, niet geheel of niet tijdig aan de veroordeling wordt voldaan, GrandVision veroordeelt tot het binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis nakomen en blijven nakomen van de artikelen 2.3.2 en 2.9.1 van de Support Agreement, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,000,00 per dag of gedeelte daarvan dat niet, niet geheel of niet tijdig aan de veroordeling wordt voldaan, HAL veroordeelt tot het binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis nakomen en blijven nakomen van artikel 4.1 van de Block Trade Agreement, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,000,00 per dag of gedeelte daarvan dat niet, niet geheel of niet tijdig aan de veroordeling wordt voldaan, gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, steeds te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke rente vanaf veertien dagen na het wijzen van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening, steeds die voorzieningen treft die hij in goede justitie redelijk acht. 3.2. Gedaagden hebben geen bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering van EssiLux. 3.3. GrandVision c.s. voert verweer en concludeert dat de voorzieningenrechter zich onbevoegd verklaart dan wel tot niet-ontvankelijkheid, althans afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van EssiLux in de kosten van het geding alsmede in de gebruikelijke nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het vonnis. 3.4. HAL c.s. voert verweer en concludeert dat de voorzieningenrechter zich onbevoegd verklaart dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van EssiLux in de kosten van deze procedure. 3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan. in reconventie 3.6. HAL c.s. vordert in reconventie dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: primair EssiLux beveelt tot staking en gestaakt houden van het op 4 augustus 2020 geïnitieerde bewijs- en afgiftebeslag, EssiLux verbiedt om opnieuw beslagen als omschreven in het verzoekschrift van 7 juli 2020 te leggen, althans op de grondslag van de beschikking, het bewijs- en afgiftebeslag opheft en/of EssiLux beveelt tot medewerking aan de opheffing van het bewijs- en afgiftebeslag, subsidiair de hiervoor in i. t/m iii. genoemde voorzieningen treft ten aanzien van de bescheiden die dateren van voor 1 januari 2019 en voorts zodanige verdere beperkingen en filters aanbrengt die hij vermeent te behoren, genoegzame zekerheidstelling beveelt tot dekking van de kosten en schade van HAL c.s. ten belope van € 10.000.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, met bepaling dat EssiLux een dwangsom van € 5.000.000,00 ineens verbeurt, te vermeerderen met € 1.000.000,00 per dag of dagdeel dat EssiLux de voorzieningen niet, niet tijdig of niet volledig nakomt, met veroordeling van EssiLux in de kosten (en nakosten). 3.7. EssiLux voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met hoofdelijke veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten. 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan. 4. De beoordeling in conventie exceptie van onbevoegdheid 4.1. Gedaagden voeren als meest verstrekkende verweer dat de voorzieningenrechter zich op grond van artikel 1074d Rv onbevoegd dient te verklaren, nu EssiLux in de overeengekomen arbitrage conform de ICC Rules of Arbitration ook met spoed een voorziening kan vragen in zogenaamde Emergency Arbitrator Proceedings. 4.2. Indien partijen arbitrage buiten Nederland zijn overeengekomen, bepaalt artikel 1074a Rv dat dit niet belet dat een partij zich tot de Nederlandse rechter wendt voor een maatregel tot bewaring van recht of een voorziening in kort geding. Indien in zo’n geval een partij zich voor alle weren op het bestaan van een overeenkomst tot arbitrage beroept, verklaart de rechter zich op grond van artikel 1074d Rv uitsluitend bevoegd, indien de gevraagde beslissing niet of niet tijdig in arbitrage kan worden verkregen. 4.3. Dat finale geschillenbeslechting tussen partijen is onderworpen aan arbitrage buiten Nederland staat in dit kort geding niet ter discussie. De uitleg van de arbitrale bedingen in de artikelen 8.19 van de Block Trade Agreement en 14.2 van de Support Agreement is wel in geschil. Volgens gedaagden is met de arbitrale bedingen aansluiting gezocht bij de artikelen 1074a en 1074d Rv (die van dwingend recht zijn) en is het – vanwege de commerciële gevoeligheid van de transactie – de bedoeling geweest om geschillen zoveel mogelijk buiten het publieke domein te houden en dus aan arbitrage te onderwerpen. EssiLux betoogt dat in de arbitrale bedingen uitdrukkelijk het recht is voorbehouden om een kort geding te entameren, zodat ten aanzien van voorlopige voorzieningen een zelfstandig recht bestaat op toegang tot de overheidsrechter. Volgens EssiLux is de toepasselijkheid van voornoemd wettelijk regime niet aan de orde. 4.4. De voorzieningenrechter overweegt dat bij de uitleg van een arbitraal beding dezelfde maatstaf geldt als bij de uitleg van overeenkomsten in het algemeen. De in dat verband relevante zogenaamde Haviltex-maatstaf houdt in dat bij de uitleg van een (beding in een) overeenkomst niet enkel dient te worden gekeken naar de taalkundige betekenis van de tekst, maar ook naar wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden. Nu het in dit geval om een omvangrijke commerciële transactie gaat die tussen beursgenoteerde partijen is gesloten, zal de voorzieningenrechter – temeer nu partijen hebben onderhandeld over de precieze formulering van de bedingen en zich daarbij hebben laten bijstaan door juridische professionals – de Haviltex-maatstaf aldus toepassen dat hij bij de uitleg van de bedingen doorslaggevend gewicht toekent aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de tekst van de arbitrale bedingen (“Without prejudice to the right of each Party to seek injunctive relief with the relevant Dutch courts (kort geding) / to seek injunctive relief in summary proceedings (kort geding)”) dat partijen zich uitdrukkelijk het recht hebben voorbehouden om een voorlopige voorziening te vragen in kort geding. Daaruit volgt dat partijen – anders dan gedaagden hebben aangevoerd – geen aansluiting hebben gezocht bij de wet, maar een zelfstandige grondslag hebben gecreëerd om de voorzieningenrechter in kort geding te kunnen adiëren. 4.5. Gedaagden hebben in dit verband nog aangevoerd dat een inzagebevel ex artikel 843a Rv in dit geval niet kan worden aangemerkt als een injunctive of, zoals verderop in artikel 8.19 van de Block Trade Agreement staat vermeld, interlocutory of interim relief, gelet op de expliciete keuze van partijen voor arbitrage en de expliciet overeengekomen beperkte disclosure. Alhoewel in de arbitrale bedingen is vastgelegd dat enig bevel tot het verstrekken van documenten niet verder zal strekken dan de documenten waarop een partij in haar gedingstukken een beroep doet, blijkt uit de tekst van die bedingen niet dat dit in de weg staat aan het instellen van een exhibitievordering in kort geding. Meer in zijn algemeenheid geldt dat conform bestendige rechtspraak een vordering ex artikel 843a Rv als voorlopige voorziening in kort geding gevraagd kan worden. Aan het voorgaande doet niet af dat voormelde afspraak relevant is voor de inhoudelijke beoordeling van de vordering tot inzage/afgifte, waarover hierna meer. 4.6. Anders dan de Block Trade Agreement wijst de Support Agreement de (voorzieningenrechter van

  1. de)rechtbank Amsterdam aan als bevoegde instantie. Tijdens de mondelinge behandeling heeft EssiLux te kennen gegeven dat zij over het op dit punt bepaalde in de Support Agreement heen heeft gekeken en zich, nu HAL in Rotterdam is gevestigd, tot de Rotterdamse voorzieningenrechter heeft gewend. Na de ontdekking dat zij ten aanzien van GrandVision c.s. in Amsterdam had moeten zijn, heeft zij een (tweede) kort geding aanhangig gemaakt bij de rechtbank Amsterdam. Vervolgens heeft de rechtbank Amsterdam de voorzieningenrechter aangewezen als rechter-plaatsvervanger en treedt deze thans op in zijn hoedanigheid van voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam en in zijn hoedanigheid van voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam. Aldus is de voorzieningenrechter bevoegd om ook van de vorderingen op GrandVision c.s. kennis te nemen. 4.7. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.1. t/m 4.6. is overwogen, is de bevoegdheid van de voorzieningenrechter gegeven. toepasselijk recht 4.8. In de tussen partijen gesloten overeenkomsten is een keuze gemaakt voor de toepasselijkheid van Nederlands recht. spoedeisend belang 4.9. Uit de stellingen van EssiLux vloeit voort dat zij met het oog op de te nemen stappen in het overnameproces op korte termijn duidelijkheid wenst te verkrijgen. Daaruit volgt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. vordering tot inzage/afgifte 4.10. EssiLux vordert afgifte door gedaagden van afschriften van: alle (digitale) bescheiden die zien op de wijze van bedrijfsvoering binnen GrandVision sinds het begin van de coronacrisis op 23 januari 2020 (zoals weergegeven in de brief van EssiLux van 19 juni 2020 en § 4.1 van de dagvaardingen), alle (digitale) bescheiden met betrekking tot de besluitvorming binnen de GrandVision-Groep vóór de coronacrisis, over de periode van 1 januari 2017 t/m 31 december 2019 (zoals weergegeven in 4.2 van de dagvaardingen), digitale bescheiden op basis van zoektermen, in de periode vanaf 23 januari 2020 (zoals weergegeven in § 4.3 van de dagvaardingen, § 4.2 van de akte houdende eisvermeerdering en productie 79). 4.11. EssiLux grondt haar vorderingen zowel op artikel 843a Rv als op nakoming van de artikelen 4.1 van de Block Trade Agreement en 2.3.2 van de Support Agreement. Zij stelt daartoe dat zij haar rechtspositie onder beide overeenkomsten wil bepalen en de gevorderde bescheiden nodig heeft om: 1.) te kunnen nagaan in welke mate GrandVision haar verplichtingen onder de Support Agreement en Schedule B heeft geschonden, 2.) te kunnen beoordelen hoe belastend de door de Europese Commissie gevergde remedies zijn en of zij de “strategic rationale” van de transactie raken en 3.) te kunnen bepalen of GrandVision en HAL in meer algemene zin wanprestatie of onrechtmatige daad jegens haar hebben gepleegd. Indien blijkt dat niet aan de leveringsvoorwaarden is voldaan, bestaat er geen verplichting tot overname en leidt dit volgens EssiLux tot contractuele aansprakelijkheid van GrandVision, HAL en – op grond van een parent guarentee – HAL Holding. 4.12. Gedaagden verzetten zich tegen de afgifte van de gevorderde bescheiden. GrandVision c.s. stelt kort gezegd dat EssiLux zich met haar vordering op een ongeoorloofde fishing expedition begeeft door afgifte te vorderen van tientallen soorten bescheiden met betrekking tot praktisch alle vitale onderdelen van haar business oftewel van de volledige fysieke en digitale administratie. Volgens GrandVision c.s. is het niet alleen onmogelijk om aan die vordering te voldoen, maar betreffen de gevorderde bescheiden bovendien strategisch relevante, concurrentiegevoelige en bedrijfsvertrouwelijke informatie. Met het toewijzen van de vordering krijgt EssiLux de kans om bij een concurrent ‘rond te neuzen’, waarbij het risico bestaat dat de overname geen doorgang vindt. HAL c.s. meent eveneens dat sprake is van een ongeoorloofde fishing expedition. Daarnaast stelt zij dat zij niet beschikt over het grootste gedeelte van de gevorderde bescheiden. 4.13. Artikel 843a Rv bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten, inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Degene die over de bescheiden beschikt, is niet gehouden om aan de vordering te voldoen indien daarvoor gewichtige redenen zijn. Uitgangspunt is dat bij de beoordeling van een vordering op grond van artikel 843a Rv in kort geding terughoudendheid moet worden betracht, aangezien kennisname van (de inhoud van) een document niet kan worden teruggedraaid en toewijzing van een vordering in dit verband in die zin onomkeerbaar is. 4.14. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de toetsing van de vordering aan artikel 843a Rv rekening dient te worden gehouden met het feit dat partijen in de overeenkomsten afspraken hebben vastgelegd over de uitwisseling van informatie. Die afspraken hebben enerzijds betrekking op de verstrekking van informatie in het kader van het verkrijgen van de benodigde mededingingsrechtelijke goedkeuringen (de artikelen 4.1 (
  2. b)van de Block Trade Agreement en 2.3 van de Support Agreement) en anderzijds op het verstrekken van documenten in arbitrage (de artikelen 8.19 van de Block Trade Agreement en 14.2.5 van de Support Agreement). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit die eerste set bepalingen niet van een algemene verplichting voor GrandVision en HAL om alle bescheiden te verstrekken die EssiLux nuttig of nodig acht voor een procedure bij de rechter. Aannemelijk wordt geacht dat het in deze artikelen, naast een vaststelling dat partijen te goeder trouw met elkaar dienen samen te werken, gaat om uitwisseling van informatie ten behoeve van het verkrijgen van de benodigde mededingingsrechtelijke goedkeuringen. Anders dan EssiLux stelt, bieden de artikelen 4.1 (
  3. b)van de Block Trade Agreement en 2.3 van de Support Agreement geen algemene grondslag voor informatieverstrekking door gedaagden. Ten aanzien van de uitdrukkelijk overeengekomen bepalingen over informatieverstrekking in arbitrage (“disclosure shall be limited to the documents on which each Party specifically relies in its submission(s)”), geldt dat deze niet in de weg staan aan het instellen van een exhibitievordering in kort geding, maar wel reden geven om bij de beoordeling van de exhibitievordering terughoudendheid te betrachten. Gelet op het definitieve karakter van de gevraagde voorziening zal, in het geval van toewijzing, in arbitrage een beroep op de voor die procedure overeengekomen beperkte disclosure haar betekenis immers verliezen. ten aanzien van HAL c.s. 4.15. Ten aanzien van de vorderingen gericht tegen HAL c.s. wordt meer specifiek nog het volgende overwogen. 4.16. De voorzieningenrechter stelt vast dat de van HAL c.s. gevorderde bescheiden zich grotendeels binnen het domein van GrandVision bevinden. Voor zover EssiLux afgifte vordert van bescheiden die HAL c.s. wel onder zich heeft, geldt dat deze stukken betrekking hebben op informatie over GrandVision. Zo vordert EssiLux inzage in stukken van HAL c.s. op basis van zoektermen, waarbij die zoektermen gecombineerd moeten worden met het zoekwoord “GrandVision” en/of “GV” (met een zogeheten fuzzy search van twee). Met haar vordering op HAL c.s. lijkt EssiLux te miskennen dat op grond van artikel 4.1 (
  4. e)van de Block Trade Agreement – en partijen dus uitdrukkelijk zijn overeengekomen – voor HAL geen verplichting bestaat om informatie over GrandVision te verstrekken, terwijl EssiLux die afspraak in haar brief van 19 juni 2020 tegenover HAL wel heeft bevestigd. Voor zover EssiLux stelt dat HAL c.s. zou hebben geweten dat GrandVision contractuele schendingen voor haar verborgen zou hebben gehouden en overleg tussen HAL en GrandVision zou hebben plaatsgevonden en reacties op elkaar zouden zijn afgestemd, geldt dat dit onvoldoende is om de vordering op HAL c.s. in weerwil van de gemaakte afspraak toe te wijzen. Concrete feiten en/of bescheiden zijn in dit kader door EssiLux niet benoemd, zodat in zoverre sprake is van een fishing expedition. 4.17. Het voorgaande leidt al tot de conclusie dat de vordering tot inzage/afgifte jegens HAL c.s. niet toewijsbaar is. EssiLux heeft overigens onvoldoende aannemelijk gemaakt dat naast het beslag onder GrandVision door middel van beslag onder HAL c.s. meer of andere informatie verkregen zou kunnen worden. In haar processtukken gaat EssiLux ook nauwelijks in op beweerdelijke tekortkomingen zijdens HAL c.s., maar richt zij haar pijlen op GrandVision c.s. Gelet op de (naar de voorzieningenrechter begrijpt: ongekende) omvang van de beslagen data en de met het beslag gemoeide inspanningen en kosten acht de voorzieningenrechter het beslag onder HAL c.s. mede daarom niet proportioneel. ten aanzien van GrandVision c.s. 4.18. Ten aanzien van de van GrandVision c.s. gevorderde bescheiden overweegt de voorzieningenrechter meer specifiek als volgt. 4.19. EssiLux vordert in de eerste plaats afgifte van bescheiden om na te kunnen gaan in welke mate GrandVision haar verplichtingen uit artikel 2.2 van de Support Agreement en Schedule B heeft geschonden. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de vraag of GrandVision – kort gezegd – de Ordinary Course-verplichting heeft geschonden, niet eenduidig kan worden beantwoord. Zo zal moeten worden vastgesteld wat – mede gelet op de coronacrisis – onder “the ordinary and usual course of business consistent with past practice” dient te worden verstaan, of en zo ja voor welke door GrandVision voorgestelde maatregelen goedkeuring van EssiLux was vereist en welke informatie EssiLux in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van GrandVision mocht verlangen. Voor een dergelijk onderzoek biedt dit kort geding geen ruimte. Meer in zijn algemeenheid merkt de voorzieningenrechter in dit verband op dat bij de vaststelling of al dan niet gehandeld is in lijn met de Ordinary Course-verplichting mede van belang is of de handelwijze van GrandVision vergelijkbaar is met hoe soortgelijke of concurrerende bedrijven – waaronder EssiLux zelf – hebben gereageerd en geacteerd in verband met de gevolgen van de coronacrisis. Nu op voorhand niet kan worden vastgesteld dat GrandVision de Ordinary Course-verplichting heeft geschonden, is thans niet voldoende aannemelijk dat EssiLux mogelijk op die grond vorderingen jegens GrandVision c.s. kan waarmaken. Daarbij komt dat de vordering van EssiLux betrekking heeft op bescheiden die zien op de periode van 1 januari 2017 t/m 31 december 2019, terwijl het de vraag is of in het kader van “past practice" dient te worden gekeken naar de afgelopen periode van economische hoogtij of het handelen van de vennootschap in een voorgaande crisis. Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat EssiLux in het geval van toewijzing van de vordering een onredelijk voordeel zou kunnen genieten, doordat zij inzage zou krijgen in strategisch relevante, concurrentiegevoelige en bedrijfsvertrouwelijke informatie en de kennisname van (de inhoud) van stukken niet kan worden teruggedraaid. Anders dan EssiLux stelt, acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat van sensitieve informatie sprake is. Het bestaan van zwaarwichtige redenen die rechtvaardigen dat geen afgifte/inzage wordt toegestaan, is dus bepaald niet uitgesloten en op dat punt is ook nader onderzoek geïndiceerd, zodat thans in kort geding daar niet op vooruit gelopen kan worden. 4.20. EssiLux vordert in de tweede plaats afgifte van bescheiden om te kunnen beoordelen hoe belastend de door de Europese Commissie gevergde remedies zijn en of zij de “strategic rationale” van de transactie raken. De voorzieningenrechter overweegt dat partijen in dit verband specifieke afspraken over de verstrekking van informatie hebben gemaakt. Zo is GrandVision gehouden tot verstrekking van de in artikel 2.3.2 van de Support Agreement genoemde additionele informatie in verband met “filings by competent Governmental Authorities”. Nog daargelaten welke bewijsstukken GrandVision in het kader van de beoordeling van remedies aan EssiLux zou moeten verstrekken, heeft GrandVision gesteld en met bescheiden onderbouwd dat zij op winkelniveau alle relevante informatie aan EssiLux heeft verstrekt. EssiLux heeft vervolgens nagelaten om toe te lichten welke bescheiden zij thans nog behoeft om te kunnen beoordelen hoe belastend de remedies zijn en in hoeverre zij de “strategic rationale” van de transactie raken. Daarmee is de vordering van EssiLux op dit punt niet voldoende bepaald, terwijl bovendien onduidelijk is welk direct en concreet belang zij bij de gevorderde stukken heeft, zeker nu GrandVision, naar zij ter zitting bevestigde, nog steeds voortgaat met het verstrekken van door Essilux verzochte gegevens. Daarbij komt dat niet is gebleken dat de Europese Commissie aan EssiLux een ontheffing van de zogenaamde standstill-verplichting heeft verleend, zodat ook het mededingingsrecht zich vooralsnog tegen de vordering van EssiLux lijkt te verzetten. Overigens heeft EssiLux ook niet weersproken dat zij inmiddels een concept remedy package aan de Europese Commissie heeft aangeboden, zodat onduidelijk is welke informatie zij in dat verband nog nodig heeft. 4.21. EssiLux vordert ten slotte afgifte van bescheiden om te kunnen bepalen of GrandVision in meer algemene zin wanprestatie of onrechtmatige daad jegens haar heeft gepleegd. Daarbij heeft EssiLux het achterhouden van relevante informatie en het verstrekken van onjuiste gegevens als voorbeelden genoemd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter maakt EssiLux daarmee onvoldoende concreet aannemelijk dat een tekortkoming of onrechtmatige daad zich heeft voorgedaan of dreigt voor te doen en krijgt de vordering te veel het karakter van ‘fishing’ en is dus om die reden niet toewijsbaar. 4.22. Uit het vorenstaande volgt dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 843a Rv, terwijl een contractuele verplichting tot afgifte van de gevorderde bescheiden thans onvoldoende aannemelijk is. Dit leidt ertoe dat ook de vordering tot inzage/afgifte op GrandVision c.s. zal worden afgewezen. vordering tot nakoming 4.23. EssiLux vordert voorts nakoming door GrandVision en HAL van artikel 2.3.2 en 2.9.1 van de Support Agreement respectievelijk artikel 4.1 van de Block Trade Agreement. Nu niet voldoende aannemelijk is dat GrandVision en HAL tekort zijn geschoten in de nakoming van deze verplichtingen, en zij beide bevestigd hebben de Block Trade Agreement respectievelijk de Support Agreement te zullen blijven nakomen, heeft EssiLux onvoldoende belang bij haar vordering. Daarbij komt dat de vorderingen van zodanig algemene aard zijn dat toewijzing, gelet op de huidige verstandhouding tussen partijen, aanleiding zou kunnen geven tot allerlei dispuut en verdere executiegeschillen. Daar is op dit moment geen partij bij gebaat, zodat ook deze vordering zal worden afgewezen. proceskosten 4.24. EssiLux zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Grandvision c.s. en HAL c.s. worden voor ieder begroot op een bedrag van € 2.126,00 (€ 656,00 aan griffierecht en € 1.470,00 aan salaris advocaat). Ook de door GrandVision c.s. gevorderde nakosten en de wettelijke rente over de proces- en nakosten zullen worden toegewezen. de reconventionele vordering van HAL c.s. 4.25. HAL c.s. vordert in reconventie dat de op 4 augustus 2020 geïnitieerde beslaglegging wordt gestaakt en, voor zover het beslag ten tijde van het wijzen van het vonnis is voltooid, wordt opgeheven op de voet van artikel 705 Rv. 4.26. Artikel 705 Rv bepaalt dat de voorzieningenrechter die verlof tot een beslag heeft gegeven, rechtdoende in kort geding, het beslag op vordering van elke belanghebbende kan opheffen. De opheffing wordt onder meer uitgesproken indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert, met inachtneming van de beperkingen van de procedure in kort geding aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. De voorzieningenrechter zal evenwel hebben te beslissen aan de hand van een beoordeling van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van een afweging van de wederzijdse belangen. 4.27. EssiLux heeft in haar beslagrekest niet uitdrukkelijk verwezen naar de in artikel 4.1 (
  5. e)van de Block Trade Agreement opgenomen bepaling dat HAL niet verplicht is om enige informatie met betrekking tot GrandVision aan EssiLux te verstrekken. Wel heeft EssiLux de Block Trade Agreement als productie bij het beslagrekest gevoegd en een ander deel van artikel 4.1 van de Block Trade Agreement genoemd. Alhoewel EssiLux door het niet expliciet benoemen van deze wezenlijke bepaling voor de beoordeling van de rechtspositie tussen partijen de grenzen ten aanzien van haar informatieplicht ten opzichte van de voorzieningenrechter heeft opgezocht, is geen sprake van een duidelijke schending van artikel 21 Rv, zodat aan het daarop gebaseerde verweer voorbij gegaan wordt. 4.28. De voorzieningenrechter zal de vordering toewijzen. Verwezen wordt naar hetgeen onder 4.16. en 4.17. is overwogen, dat als hier herhaald en ingelast geldt, op grond waarvan de voorzieningenrechter concludeert dat het door EssiLux voor het beslag in geroepen recht summierlijk ondeugdelijk is. Mede gelet op het niet-proportionele karakter van het beslag is opheffing van het beslag geboden. 4.29. Gelet op het vorenstaande zal de voorzieningenrechter EssiLux bevelen om het op 4 augustus 2020 geïnitieerde bewijs- en afgiftebeslag te staken en, voor zover de beslaglegging reeds is voltooid, de beslagen opheffen. Daarbij zal het bevel worden bezegeld met een dwangsom. Gelet op de wijze waarop partijen zich thans met elkaar verstaan, ziet de voorzieningenrechter geen reden om van het opleggen van een dwangsom af te zien. Omdat onbekend is hoe de verhoudingen tussen partijen zich verder ontwikkelen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een verbod op te leggen om opnieuw beslagen als beschreven in het beslagrekest te leggen. Ten overvloede wordt overwogen dat, mocht EssiLux andermaal beslag willen leggen, daartoe wel eerst een nieuw verlof dient te worden verkregen. 4.30. EssiLux zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van HAL c.s. worden begroot op € 735,00 aan salaris advocaat. De gevorderde nakosten zullen eveneens worden toegewezen. 5. De beslissing De voorzieningenrechter in conventie 5.1. wijst de vorderingen af, 5.2. veroordeelt EssiLux in de proceskosten, aan de zijde van GrandVision c.s. tot op heden begroot op € 2.126,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling, en aan de zijde van HAL c.s. tot op heden begroot op € 2.126,00, 5.3. veroordeelt EssiLux in de na dit vonnis ontstane kosten van GrandVision c.s., begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat EssiLux niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de voldoening, 5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad, in reconventie 5.5. beveelt EssiLux tot staking en het gestaakt houden van het op 4 augustus 2020 ten aanzien van HAL c.s. geïnitieerde bewijs- en afgiftebeslag, 5.6. veroordeelt EssiLux om aan HAL c.s. een dwangsom van € 1.000.000,00 te betalen per dag of dagdeel dat EssiLux na betekening van dit vonnis niet aan de in 5.5. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000.000,00 is bereikt, 5.7. heft op het op 4 augustus 2020 ten laste van HAL c.s. gelegde bewijs- en afgiftebeslag, 5.8. veroordeelt EssiLux in de proceskosten, aan de zijde van HAL c.s. tot op heden begroot op € 735,00, 5.9. veroordeelt EssiLux in de na dit vonnis ontstane kosten van HAL c.s., begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat EssiLux niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, 5.10. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.11. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2020. [2971/676]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.