vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/598248 / HA ZA 20-569 Vonnis in incident van 26 augustus 2020 in de zaak van [geopposeerde] , wonende te [woonplaats geopposeerde] , geopposeerde in de hoofdzaak, verweerder in het incident, advocaat mr. S.J. Nauta te Barendrecht. tegen [opposant] , wonende te [woonplaats opposant] , opposant in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat mr. D. Vermaat te Barendrecht, Partijen zullen hierna [geopposeerde] en [opposant] worden genoemd. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de (inleidende) dagvaarding van [geopposeerde] van 12 maart 2020, met producties; het verstekvonnis van deze rechtbank van 29 april 2020 met zaak-/rolnummer 594093 / HA ZA 20-333; de verzetdagvaarding tevens houdende incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van 5 juni 2020 van [opposant] , met producties; de conclusie van antwoord in het incident van [geopposeerde] , met producties. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2. Het geschil in de hoofdzaak 2.1. Bij verstekvonnis van deze rechtbank van 29 april 2020 tussen [geopposeerde] als eiser en [opposant] als gedaagde, gewezen onder zaak-/rolnummer 594093 / HA ZA 20-333, heeft de rechtbank – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – [opposant] veroordeeld: 1. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geopposeerde] te betalen het bedrag van € 134.500,00, vermeerderd met de overeengekomen rente ad 6% per jaar over dat bedrag vanaf de dag van verzuim tot de dag van algehele voldoening; 2. in de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 2.305,00, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening; 3. in de proceskosten, tot aan de uitspraak van 29 april 2020 aan de zijde van [geopposeerde] vastgesteld op: - € 1.741,84 aan verschotten; - € 1.707,00 aan salaris voor de advocaat; en indien [opposant] niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op: - € 157,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 82,00 aan kosten voor betekening onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, een en ander voor zover van toepassing te vermeerderen met btw. 2.2. Het meer of anders gevorderde is in voornoemd verstekvonnis door de rechtbank afgewezen. 2.3. [opposant] is bij verzetdagvaarding van 5 juni 2020 in verzet gekomen tegen het verstekvonnis en vordert in de verzetprocedure bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair, hem te ontheffen van de veroordeling bij verstek, [geopposeerde] (alsnog) niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans deze (alsnog) af te wijzen, en, subsidiair, te bepalen dat de vordering van [geopposeerde] wordt bepaald op een bedrag van € 41.535,00, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Zowel primair als subsidiair vordert [opposant] dat [geopposeerde] zal worden veroordeeld in de proceskosten. 3. Het geschil in het incident 3.1. [eiser] vordert in het incident bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - Primair, te bepalen dat [verweerder] de, inmiddels in gang gezette, executie dient te staken en gestaakt te houden, totdat door de Rechtbank Rotterdam is beslist in de door [eiser] ingestelde verzetprocedure, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 150.000,00 per overtreding en een dwangsom van € 15.000,00 voor iedere dag dat die overtreding voortduurt, een gedeelte van een dag voor een hele dag gerekend, met een maximum aan verbeurde dwangsommen van € 250.000,00. - Subsidiair, te bepalen dat aan de in het verstekvonnis van 29 april 2020 uitgesproken uitvoerbaar bij voorraad verklaring, de voorwaarde wordt verbonden dat door [verweerder] zekerheid wordt gesteld voor een bedrag van € 150.000,00, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, voor alle van [eiser] te ontvangen betalingen ter voldoening aan dat vonnis, daaronder begrepen betalingen voortvloeiende uit beslaglegging, welke zekerheid dient te bestaan uit een onvoorwaardelijke bankgarantie die op eerste afroep van [eiser] tot uitkering zal komen en waarvan een origineel aan [eiser] is verstrekt totdat door de Rechtbank Rotterdam is beslist in de door [eiser] ingestelde verzetprocedure. - Zowel primair als subsidiair, [verweerder] te veroordelen in de kosten van het incident. 3.2. [verweerder] concludeert om bij incidenteel vonnis [eiser] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem deze te ontzeggen, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incidenteel geding. 3.3. Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan. 4. De beoordeling in het incident 4.1. Vooropgesteld wordt dat er bij de beoordeling in dit incident vanuit zal worden gegaan dat het verzet tijdig en op de juiste wijze is ingesteld, nu het tegendeel gesteld noch gebleken is. [eiser] kan in zoverre dan ook in zijn incidentele vorderingen worden ontvangen. 4.2. Ten aanzien van de primaire vordering in het incident, de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis, geldt daarnaast het volgende. Ingevolge artikel 145 Rv schorst het verzet de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis niet. In de wet ontbreekt een uitdrukkelijke bepaling op grond waarvan de rechtbank bevoegd is de schorsende werking van het verzet te herstellen. Wel kan op grond van artikel 351 Rv de hogere rechter op vordering van een partij alsnog de tenuitvoerlegging van het vonnis schorsen, indien hoger beroep is ingesteld tegen een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Tussen partijen is in geschil of een dergelijke bevoegdheid kan worden aangenomen in een verzetprocedure op grond van overeenkomstige toepassing van artikel 351 Rv. [eiser] meent van wel en heeft zijn vorderingen gebaseerd op analoge toepassing van artikel 351 Rv. [verweerder] betwist dat artikel 351 Rv analoog van toepassing is, nu dat artikel ziet op een situatie van hoger beroep, waarvan in casu geen sprake is. Daarbij, zo meent [verweerder] , komt het voor rekening en risico van [eiser] dat hij verstek heeft laten gaan. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen kan het antwoord op de vraag of in de onderhavige procedure artikel 351 Rv analoog kan worden toegepast, in het midden blijven. 4.3. Het staat een opposant - in beginsel - vrij om in kort geding te trachten de schorsing of staking van de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis te verkrijgen. De rechtbank constateert dat de incidentele vordering is ingesteld in het kader van een lopende bodemprocedure en ziet op de periode totdat eindvonnis in de bodemprocedure wordt gewezen. Gelet hierop zal de rechtbank de primaire incidentele vordering van [eiser] aanmerken als een (incidentele) vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv. Ook in zoverre kan [eiser] dus worden ontvangen in zijn incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis. Derhalve moet worden beoordeeld of een afweging van de materiële belangen van partijen de gevorderde ordemaatregel rechtvaardigt. 4.4. De rechtbank sluit voor die beoordeling aan bij de toetsingsmaatstaf voor een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een vonnis waartegen een rechtsmiddel is ingesteld of nog openstaat, zoals door de Hoge Raad geformuleerd bij arrest van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026). De Hoge Raad overweegt in dat arrest (r.o. 5.8): “a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.