RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 8672612 CV EXPL 20-3579 uitspraak: 5 november 2020 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht, in de zaak van: [eiseres] , h.o.d.n. [handelsnaam 1] wonende en handelende te [woonplaats eiseres] , eiseres, gemachtigde: Juristu Incassodiensten BV, tegen: [gedaagde] , h.o.d.n. [handelsnaam 2] , wonende en handelende te [woonplaats gedaagde] , gedaagde, die procedeert in persoon. Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’.
- Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 16 juli 2020, met producties; de conclusie van antwoord van 20 juli 2020 en de aanvulling daarop van 17 augustus 2020; het tussenvonnis van 20 augustus 2020 waarin een mondelinge behandeling is bepaald; de aantekening dat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 september
- [gedaagde] is niet op de mondelinge behandeling verschenen. Het vonnis is nader bepaald op heden.
- De vaststaande feiten 2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast. 2.2 [eiseres] heeft in opdracht van [handelsnaam 2] werkzaamheden verricht. Voor deze werkzaamheden heeft [eiseres] facturen verzonden op 6 en 29 maart en 5, 10 en 25 april
- Het geschil 3.1 [eiseres] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld: I. tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 6.237,-, te vermeerderen met primair de wettelijke handelsrente, subsidiair de wettelijke rente vanaf 25 mei 2020 tot aan de dag van algehele voldoening; II. in de buitengerechtelijke kosten van € 686,85; III. tot betaling van een bedrag van € 1.210,- aan kosten voor juridische bijstand; IV. in de proceskosten en de nakosten. 3.2 [eiseres] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] is gehouden te betalen voor de werkzaamheden die [eiseres] in opdracht van [handelsnaam 2] heeft verricht. De vordering bedraagt in totaal € 6.237,-. Voor de facturen gold een betalingstermijn van 30 dagen, waarna de wettelijke handelsrente is verschuldigd geworden. [eiseres] heeft buitengerechtelijke kosten moeten maken, welke worden bepaald op € 686,85, 3.3 [gedaagde] heeft op de dagvaarding gereageerd. Hierop wordt in het navolgende ingegaan.
- De beoordeling 4.1 Partijen zijn het erover eens dat [eiseres] werkzaamheden heeft verricht voor [handelsnaam 2] en dat [gedaagde] in beginsel voor die werkzaamheden moet betalen. 4.2 [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij schade heeft geleden doordat [eiseres] zijn werk niet goed heeft uitgevoerd. [eiseres] heeft schade veroorzaakt bij een klant, materialen niet teruggegeven en [gedaagde] bedreigd en diens woning beschadigd, waarvan aangifte is gedaan. [gedaagde] wenst die schade kennelijk te verrekenen. 4.3 [eiseres] heeft hetgeen door [gedaagde] is aangevoerd ter zitting gemotiveerd tegengesproken. Daarop heeft [gedaagde] , die immers niet was verschenen, niet gereageerd. Omdat [gedaagde] zijn verweer ook verder niet met enig bewijs heeft onderbouwd, zal daarom aan het verweer voorbij worden gegaan. De gevorderde hoofdsom van € 6.237,- die verder niet is weersproken zal dan ook worden toegewezen. 4.4 De gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten zullen eveneens worden toegewezen, nu daartegen geen nader verweer is gevoerd. 4.5 [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Voor toewijzing van de procedurekosten zoals [eiseres] vordert is geen enkele aanleiding nog daargelaten dat ook buitengerechtelijke kosten en proceskosten worden gevorderd. De proceskosten worden op de voet van artikel 237 lid 3 Rv ambtshalve begroot, het salaris van de gemachtigde volgens het standaard liquidatietarief.
- De beslissing De kantonrechter: veroordeelt [gedaagde] aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 6.923,85,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW over een bedrag van € 6.237,-vanaf 25 mei 2020 tot aan de dag van algehele voldoening; veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 236,- aan griffierecht, € 87,20 aan dagvaardingskosten en € 600,- aan salaris voor de gemachtigde; en indien [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving vrijwillig aan dit vonnis heeft voldaan, het nasalaris begroot op € 120,-. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening; verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. R.R. Roukema en uitgesproken ter openbare terechtzitting. 41645