beschikking RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd zaakgegevens : C/10/622900 / JE RK 21-2053 datum uitspraak: 13 september 2021 beschikking verlenging ondertoezichtstelling in de zaak van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam, betreffende [naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2016 te [geboorteplaats minderjarige 1] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2018 te [geboorteplaats minderjarige 2] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, [naam vader] , hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] . Het procesverloop Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken: - het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 27 juli 2021, ingekomen bij de griffie op 28 juli
- Op 13 september 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. K. El Joghrafi; - de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. J.J. van Ewijk;- een vertegenwoordigster van de GI mevr. [naam vertegenwoordigster] . Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de taal Arabisch-Marokkaans, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van dhr. [naam tolk 1] , tolk in de taal Arabisch-Marokkaans. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers. Aangezien de vader de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de taal Arabisch-Irakees, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van dhr. [naam tolk 2] , tolk in de taal Arabisch-Irakees. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers. De feiten Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de ouders. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wonen bij de moeder. Bij beschikking van 22 september 2020 zijn [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 22 september
- Het verzoek De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te verlengen voor de duur van één jaar. De GI heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. In de afgelopen periode hebben er omgangsmomenten tussen de vader en de kinderen plaatsgevonden. Echter, na een aantal incidenten heeft de vader de omgang stopgezet. De vader spreekt de kinderen nog wel via videobellen. De vader geeft aan dat hij geen geld heeft om naar de begeleide bezoeken te komen, maar hier kan hij een financiële bijdrage voor vragen bij zijn gemeente. In de aankomende periode zullen allebei de ouders psycho-educatie krijgen om elkaar niet te diskwalificeren en niet negatief over elkaar te praten in het bijzijn van de kinderen. De vader zal daarnaast op zijn verzoek een andere jeugdbeschermer krijgen. Het standpunt van belanghebbenden Namens en door de moeder is ingestemd met het verzochte. De moeder is weggegaan bij de vader uit bescherming voor zichzelf en voor haar kinderen. Nu wil zij alleen maar rust voor zichzelf en haar kinderen. De moeder verleent haar medewerking aan de hulpverlening en zij praat niet negatief over de vader in het bijzijn van de kinderen. Namens en door de vader is verweer gevoerd. De vader zou graag zijn kinderen vaker en onbegeleid willen zien. Volgens de vader klopt het niet dat hij tijdens de omgangsmomenten boos is geworden. De vader praat nu eenmaal met stemverheffing en veel gebaren. Er dient aandacht te zijn voor de financiële situatie van de vader ten aanzien van de omgang. De vader moet immers uit Utrecht komen. De beoordeling Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] nog ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er is sprake van forse echtscheidingsproblematiek, waarbij de ouders elkaar diskwalificeren. Hoewel de omgang tussen de vader en [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] op gang was gekomen, is gebleken dat er incidenten hebben plaatsgevonden, waarbij de vader boos is geworden in bijzijn van de kinderen en de vader uiteindelijk de omgang heeft stopgezet. Het is van belang dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] op een fijne en onbelaste manier contact kunnen hebben met beide ouders. In de aankomende periode zal moeten worden bezien of met psycho-educatie de omgang, de communicatie en het vertrouwen tussen de ouders hersteld kan worden, zodat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] niet langer belast worden of klem zitten tussen hun ouders. De kinderrechter acht de betrokkenheid van een jeugdbeschermer door middel van een ondertoezichtstelling daarom nog noodzakelijk in het belang van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengen voor de duur van twaalf maanden. De beslissing De kinderrechter: verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] tot 22 september 2022; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. H. Benaissa, kinderrechter, in tegenwoordigheid van J.A. van Soest als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 september
- De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 27 september
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofDen Haag.