RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 19/5575 uitspraak van de meervoudige kamer van 15 oktober 2021 in de zaak tussen [naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser (gemachtigde: mr. S. Karkache), en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder (gemachtigden: mr. P.A.M. Badal en E.E. Roche). Procesverloop Met het besluit van 13 september 2019 heeft verweerder geweigerd over te gaan tot registratie van de Nederlandse nationaliteit van eiser in de basisregistratie personen (brp). Op 7 oktober 2019 heeft verweerder een uittreksel uit de brp aan eiser verstrekt. Met het besluit van 28 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de beslissing van 13 september 2019 en de inhoud van het verstrekte uittreksel uit de brp niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Verweerder en eiser hebben nadere stukken ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 7 september 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens zijn verschenen [naam 1], tolk, en [naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen 1. Eiser heeft zich op 5 juni 2019 in de gemeente Rotterdam gevestigd vanuit Marokko met een Nederlands paspoort, afgegeven door de Nederlandse ambassade te Marokko op 21 mei 2019. Naar aanleiding van eisers verzoek tot afgifte van een Nederlandse identiteitskaart, heeft verweerder bij besluit van 13 september 2019 geweigerd over te gaan tot registratie van de Nederlandse nationaliteit in de brp. Op 7 oktober 2019 heeft eiser een uittreksel uit de brp aangevraagd met vermelding van de nationaliteit. Verweerder heeft dit uittreksel diezelfde dag nog naar eiser verzonden. 2. Verweerder heeft het door eiser ingediende bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat tegen het besluit van 13 september 2019 geen bezwaar kan worden gemaakt en dat het op 7 oktober 2019 verkregen uittreksel uit de brp niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. Eiser voert aan dat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder heeft ten onrechte geweigerd eiser in de brp op te nemen met de Nederlandse nationaliteit. Eiser kreeg na tussenkomst van de Nederlandse ambassade in Marokko een Nederlands paspoort. Eiser wijst in dit verband op twee meegezonden e-mails van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de paspoortaanvraag. Het gaat in zijn geval dan ook niet om de vaststelling van de Nederlandse nationaliteit, deze is al vastgesteld. Verweerder is niet bevoegd om die vaststelling in twijfel te trekken. Eiser is ook blijkens het uittreksel met een onjuiste nationaliteit, namelijk de Marokkaanse nationaliteit, opgenomen in de brp. De beslissing van verweerder om een gegeven over de nationaliteit niet op te nemen moet volgens eiser worden gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Awb. 4. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke handeling. In artikel 2.55, eerste lid, van de Wet brp is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders binnen vier weken voldoet aan het verzoek van een ieder die het recht van inzage, bedoeld in artikel 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming, uitoefent. In artikel 2.60 van de Wet brp is bepaald, voor zover van belang, dat een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.