Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 20/4243 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2021 in de zaak tussen [naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser, gemachtigde: [naam 1]. en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder, gemachtigde: [naam 2]. Procesverloop Bij besluit van 1 november 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser met ingang van 2 december 2019 geen recht meer heeft op uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 22 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn ambulant begeleider, [naam 3]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het onderzoek ter zitting is geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen verzekeringsgeneeskundige stukken op te sturen over eisers ziekmelding per 7 januari 2020 en om een toelichting te geven op de toekenning van een ZW-uitkering per die datum in het licht van onderhavige procedure. Verweerder heeft hierop gereageerd bij schrijven van 22 juni 2021 onder verwijzing naar een rapportage (met bijlagen) van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 16 juni 2021. Eiser heeft hierop gereageerd op 19 juli 2021. Omdat partijen hebben ingestemd met het achterwege laten van een tweede zitting, heeft de rechtbank het onderzoek vervolgens op 6 september 2021 gesloten. Overwegingen 1.1. Eiser is tot 22 mei 2018 werkzaam geweest als productiemedewerker voor gemiddeld 37,93 uur per week. Hij heeft zich voor dit werk ziekgemeld op 23 juli 2018 waarna hem aansluitend op zijn Werkloosheidswetuitkering een ZW-uitkering is toegekend. Vanwege een Eerstejaarsziektewetbeoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft in de rapportage van 9 september 2019 geconcludeerd dat bij eiser sprake is van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. Hij is aangewezen op werkzaamheden die voldoen aan wat is vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 september 2019, geldig per die datum. Daarin zijn beperkingen aangegeven in de rubrieken 1. Persoonlijk functioneren, 2. Sociaal functioneren, 4. Dynamische handelingen, 5. Statische houdingen en 6. Werktijden. 1.2. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens, gelet op eisers mogelijkheden en beperkingen, geconcludeerd dat eiser niet meer in staat is om zijn eigen arbeid te verrichten en heeft een aantal functies geduid, namelijk wikkelaar (nieuw en revisie) (SBC-code 267053), samensteller kunststof- en rubberproducten (SBC-code 271130) en medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 242030). Aanvullend zijn de functies assemblagemedewerker metaalwaren (SBC-code 264140) en monteur printplaten (SBC-code 267051) geduid. Op basis van de mediaanfunctie (de middelste van de eerste drie genoemde functies) is eiser, volgens de arbeidsdeskundige, in staat om meer dan 65% van het maatmaninkomen te verdienen, namelijk 84,07%. 1.3. Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen waaraan de rapportages van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige ten grondslag zijn gelegd. 2.1. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 15 juli 2020 toegelicht dat op basis van de aanwezige medische informatie aanleiding is om aanvullende beperkingen aan te nemen voor zowel eisers fysieke als psychische klachten. Hierbij is overwogen dat vooral de psychische klachten eiser in het dagelijks leven belemmeren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML gewijzigd vastgelegd op 15 juli 2020, geldig per 9 september 2019. 2.2. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 21 juli 2020 op basis van de nieuwe FML aanleiding gezien om functies behorende bij de SBC-codes 242030, 264140 en 267053 te verwerpen omdat deze functies eisers belastbaarheid overschrijden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat de overige functies nog steeds passend zijn en heeft binnen de functiegroep Wikkelaar (SBC-code 267053) een functie gevonden waardoor deze SBC-code kan worden gebruikt bij de berekening van het maatmanloon. Op basis van de nieuwe mediaanfunctie is eiser volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep nog steeds in staat om meer dan 65% van het maatmaninkomen te verdienen, namelijk 74,92%. 2.3. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen waaraan de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag zijn gelegd. 3. In beroep voert eiser aan dat hij onterecht uit de Ziektewet is gezet. Hij was ziek en is tot op heden niet hersteld. Hiertoe verwijst eiser in zijn beroepschrift naar de gronden die hij ook in bezwaar heeft aangevoerd. Deze gronden luiden als volgt: het onderzoek door verweerder is niet zorgvuldig verricht. Zo is er geen informatie opgevraagd bij zijn huisarts en zijn psycholoog. Hierdoor heeft de verzekeringsarts geen volledig beeld gehad van eisers gezondheidstoestand. Verder is het arbeidskundig onderzoek niet zorgvuldig verricht omdat eiser niet werd opgeroepen voor een persoonlijk gesprek. Daarnaast stelt eiser de geduide functies niet te kunnen verrichten omdat zijn belastbaarheid wordt overschreden. De aangewezen arbeid is niet gestructureerd, niet regelmatig en kent een te hoog handelingstempo. Ook vraagt eiser zich af of de geduide functies bestaande functies zijn. In aanvulling op het voorgaande heeft eiser ter zitting verklaard dat hij zich in januari 2020 opnieuw heeft ziekgemeld waarna hem wel een ZW-uitkering is toegekend en dat deze uitkering na de EZWb is verlengd. Eiser heeft hierbij verklaard dat zijn medische situatie toen het zelfde was als ten tijde van de datum in geding en dat er zich in de tussentijd geen bijzonderheden hebben voorgedaan. 4. Bij de beoordeling van het beroep zijn in het bijzonder de volgende bepalingen van belang. Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW, voor zover hier van belang, heeft de verzekerde die geen werkgever heeft, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld indien de verzekerde (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.