beschikking RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaakgegevens: C/10/626225 / JE RK 21-2585 datum uitspraak: 18 oktober 2021 beschikking beëindiging van het ouderlijk gezag in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht, hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam, betreffende [naam kind], geboren op [geboortedatum kind] 2005 te [geboorteplaats kind], hierna te noemen [naam kind]. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [naam moeder], hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder], [naam vader], hierna te noemen de vader, zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam. Het procesverloop Het procesverloop blijkt uit het verzoek met bijlagen van de Raad van 29 september 2021, ingekomen bij de griffie op 29 september
- Op 18 oktober 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn: - de minderjarige [naam kind], die apart is gesproken, in het kader van zijn plaatsing binnen de gesloten jeugdhulp bijgestaan door mr. A.G.M. Haase, - de moeder, - een vertegenwoordigster van de Raad, te weten [naam 1], - een vertegenwoordigster van de GI, te weten [naam 2]. Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Bulgaarse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [naam 3], tolk in de Bulgaarse taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers. Opgeroepen en niet verschenen is: - de vader. De feiten Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de ouders. Bij beschikking van 8 april 2020 is de ondertoezichtstelling van [naam kind] uitgesproken. Sinds 22 april 2020 is [naam kind] met een machtiging uit huis geplaatst. Sinds 26 april 2020 verblijft [naam kind] bij Horizon te Harreveld. Deze maatregelen duren nog steeds voort. Bij brief van 25 februari 2021 heeft de GI zich bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden. Het verzoek en het standpunt van de Raad De Raad heeft verzocht het gezag van de ouders te beëindigen en de GI tot voogdes over [naam kind] te benoemen. De Raad heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht. [naam kind] is een kwetsbare en getraumatiseerde jongen met een zeer belast verleden. Hij heeft een groot deel van zijn leven bij zijn vader in Bulgarije gewoond. Vanwege verwaarlozing in zijn jeugd heeft [naam kind] complexe problematiek. In 2018 is [naam kind] naar Nederland gekomen en is hij bij zijn moeder en stiefvader gaan wonen. In september 2019 is [naam kind] in een vrijwillig kader uit huis geplaatst. Op 24 december 2019 is hij vanwege de verdenking van een strafbaar feit in detentie terecht gekomen. Na de schorsing van de voorlopige hechtenis is [naam kind] met een machtiging uit huis geplaatst. Het grensoverschrijdende gedrag van [naam kind] lijkt een uiting van de problematiek te zijn. Ook is er bij hem sprake van middelengebruik. [naam kind] is wisselend open en gesloten geplaatst. De ouders hebben onvoldoende inzicht in de problematiek van [naam kind]. Tijdens de ondertoezichtstelling hebben zij een beperkte rol op zich genomen. De ouders reageren vooral op de gedragsproblematiek van [naam kind] en reflecteren onvoldoende op hun eigen aandeel. Zij hebben beperkte opvoedvaardigheden. De ouders hebben moeite om in te zien wat [naam kind] nodig heeft om zich tot volwassene te ontwikkelen. De aanvaardbare termijn voor [naam kind] is ruimschoots verstreken. Er moet duidelijkheid komen over de toekomst van [naam kind]. Hij kan niet meer naar huis. De ouders menen dat [naam kind] terug naar Bulgarije moet. Dit is echter niet in het belang van [naam kind]. Hij is immers uit een onveilige situatie in Bulgarije naar Nederland gekomen. Ook het vertrek van de moeder uit het gezin is een traumatische gebeurtenis voor [naam kind] geweest. Bovendien heeft [naam kind] behandeling voor zijn gedragsproblemen in Nederland nodig. Daarom is het noodzakelijk om zijn plaatsing te waarborgen. De ondertoezichtstelling is echter niet meer de geëigende maatregel. Daarom wordt verzocht om het gezag van de ouders te beëindigen en de GI te belasten met de voogdij over [naam kind]. Het standpunt van de belanghebbenden De GI heeft ter zitting het verzoek van de Raad ondersteund en het volgende meegedeeld. Zolang de ouders het gezag over [naam kind] hebben, kunnen praktische zaken voor hem niet geregeld worden. [naam kind] heeft een geldboete van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) opgelegd gekregen. Het is echter niet gelukt om een rekening voor hem te openen. Daarom is een betalingsregeling met het CJIB niet mogelijk. Wanneer [naam kind] met verlof naar zijn moeder mag, is hij volgens de stiefvader thuis niet welkom. [naam kind] heeft dan ook geen plek om naartoe te gaan als hij op verlof mag gaan. De komende periode zal de GI een netwerk voor [naam kind] opbouwen zodat hij met verlof kan en de mogelijkheden van een plaatsing in een kamertrainingscentrum in Doetinchem onderzoeken. De moeder heeft ter zitting het volgende verklaard. Zij weet niet wat de beste aanpak is en hoe zij met [naam kind] om moet gaan. De jeugdbescherming heeft hier echter ook moeite mee. [naam kind] is emotioneel en psychisch niet stabiel vanwege zijn plaatsingen op de gesloten en de open groepen. Ook na de uithuisplaatsing heeft [naam kind] misdrijven gepleegd en leeft hij in slechte omstandigheden. Zo is er geen toezicht en eet [naam kind] slecht. De moeder bevestigt dat [naam kind] van de stiefvader thuis niet op verlof mag komen. Daarom wil zij graag dat [naam kind] zo dicht mogelijk in de buurt van Rotterdam wordt geplaatst zodat zij hem vaak kan bezoeken. [naam kind] kan wel altijd bij zijn vader in Bulgarije terecht. Als [naam kind] in Nederland blijft en de jeugdbescherming betrokken blijft, is de situatie voor hem ook onveilig. De jeugdbeschermer is voor de moeder binnen de ondertoezichtstelling onbereikbaar geweest. De beoordeling De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het gezag van een ouder kan beëindigen, indien a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of b. de ouder het gezag misbruikt. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [naam kind] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [naam kind] is een kwetsbare jongen die een zeer ernstig belast verleden heeft. Tot zijn dertiende leeftijd is [naam kind] opgegroeid bij zijn ouders in Bulgarije. In deze opvoedsituatie is langdurig sprake geweest van verwaarlozing en huiselijk geweld tussen de ouders. De moeder zag geen andere uitweg dan te vluchten naar een ander land en te vertrekken uit die leefsituatie. Zij heeft [naam kind] niet kunnen beschermen en hem niet de veiligheid en stabiliteit kunnen bieden die hij nodig had vanwege zijn belaste ervaringen. Op dertienjarige leeftijd is [naam kind] door zijn vader naar zijn moeder en stiefvader in Nederland gestuurd. Nadat het eerste jaar in harmonie is verlopen, is de opvoedsituatie bij de moeder en de stiefvader instabieler geworden. Vervolgens heeft [naam kind] in toenemende mate zelfbepalend, opstandig en fors grensoverschrijdend gedrag laten zien. Hij is in aanraking gekomen met de verkeerde (criminele) personen en is binnen de opvoedsituatie niet meer aan te sturen door de moeder en de stiefvader. Ook is [naam kind] opnieuw in middelengebruik vervallen. Het forse grensoverschrijdende gedrag van [naam kind] en de gevoelens waar hij mee kampt, laten zien dat hij op het gebied van hechting forse schade heeft opgelopen. Als gevolg van de problemen heeft [naam kind] in penitentiaire en jeugdhulpinstellingen verbleven. Sinds december 2020 verblijft [naam kind] bij Horizon te Harreveld binnen de gesloten jeugdhulp. De afgelopen jaren is er geen groei zichtbaar in de pedagogische vaardigheden van de ouders. Zij hebben onvoldoende aandacht voor ernstige gevolgen van het schadelijk oudergedrag. De vader woont in Bulgarije en schuift alle verantwoordelijkheden voor [naam kind] af op de moeder en is niet in staat op een passende en veilige wijze uitvoering te geven aan zijn gezag. De moeder en stiefvader hebben aangegeven dat een terugkeer van [naam kind] naar huis niet tot de mogelijkheden behoort. De ouders zijn niet in staat om binnen een voor [naam kind] aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen. Er is geen perspectief meer op thuisplaatsing van [naam kind]. De ouders willen dat [naam kind] terugkeert naar de vader in Bulgarije, waar de traumatische ervaringen van [naam kind] zijn begonnen. Bij een eventuele beëindiging van de ondertoezichtstelling zou een terugkeer van [naam kind] door de ouders in gang kunnen worden gezet. Een beëindiging van de ondertoezichtstelling is echter niet aan de orde zo lang [naam kind] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Nu er niet meer wordt gewerkt aan een terugplaatsing van [naam kind] bij de moeder in Nederland, is de ondertoezichtstelling niet meer de geëigende maatregel. Daar komt bij dat de aanvaardbare termijn waarin [naam kind] de onzekerheid over zijn perspectief zou moeten kunnen verdragen ruimschoots is verstreken. Met een gezagsbeëindiging wordt de onduidelijkheid over het nemen van beslissingen weggenomen en kunnen praktische zaken voor [naam kind] worden geregeld, zoals door de GI mondeling ter zitting is toegelicht. Bovendien zal de plaatsing en daarmee de noodzaak van behandeling en traumaverwerking voor [naam kind] niet langer ter discussie staan. Dit zal [naam kind] de nodige rust geven. Voor [naam kind] is het belangrijk dat er binnen de setting waar hij verblijft aangesloten wordt op zijn individuele ontwikkelpunten van [naam kind], zodat hij zich zo optimaal mogelijk kan ontwikkelen. Een gezagsbeëindiging van de ouders is noodzakelijk om zo aan [naam kind] goede continuïteit in de opvoeding, zorg en begeleiding te kunnen bieden. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, sub a, BW is voldaan. Daarom zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders worden toegewezen. De (biologische) band tussen [naam kind] en zijn ouders blijft bestaan. In het kader van de voogdij zal gewerkt moeten worden aan omgang en contact met zijn ouders. Omdat de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening over [naam kind] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over hem te benoemen. De voorgestelde voogd heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. Daarom is de rechtbank is van oordeel dat de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, moet worden belast met de voogdij. Op grond van het bepaalde in artikel 1:276, eerste lid, BW worden de ouders veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording over het vermogen van de minderjarige aan hun opvolger in dit bewind, er vanuit gaande dat de ouders het bewind over dat vermogen voerden. De beslissing De rechtbank: beëindigt het ouderlijk gezag van [naam moeder], geboren op [geboortedatum moeder] te [geboorteplaats moeder], en [naam vader], zonder bekende geboortedatum en geboorteplaats, over [naam kind]; benoemt tot voogd over genoemde minderjarige de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam; veroordeelt de ouders aan de voogd rekening en verantwoording af te leggen van het gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 oktober 2021 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in tegenwoordigheid van D. van der Aa als griffier. De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 28 oktober
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofDen Haag.