vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/618620 / HA ZA 21-436 Vonnis in verzet van 3 november 2021 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats eiser] , oorspronkelijk eiser, advocaat mr. J.R.L. van Gasteren, tegen [gedaagde] , VOORHEEN H.O.D.N. [naam schoonmaakbedrijf] , wonende te [woonplaats gedaagde] , oorspronkelijk gedaagde, advocaat mr. C.J. Berghout. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1.De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de inleidende dagvaarding van 1 juni 2017 (overgelegd bij de hierna te noemen akte); het verstekvonnis van 11 oktober 2017; de verzetdagvaarding van 28 april 2021; de brief van 17 juni 2021 waarbij partijen zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling; de akte overlegging producties, tevens aanvulling rechtsgrond van [eiser] ; het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 31 augustus
- 1.
- Tijdens de mondelinge behandeling is bepaald dat vonnis zal worden gewezen. De uitspraak daarvan is nader bepaald op vandaag. 2.De feiten 2.
- Op 12 augustus 2011 heeft [eiser] een offerte ontvangen voor het plaatsen van een dakkapel en kozijnen (productie 1 bij inleidende dagvaarding). De offerte is gesteld op briefpapier van “ [naam schoonmaakbedrijf] ”. 2.
- [eiser] heeft de offerte geaccepteerd en heeft vervolgens een factuur gedateerd 20 augustus 2011 ontvangen. Deze factuur, voor een aanneemsom van € 24.975,-, is gesteld op briefpapier van “ [naam schoonmaakbedrijf] ”. [eiser] heeft deze factuur op of omstreeks 30 september 2011 voldaan. 2.
- De dakkapel en de kozijnen zijn niet geplaatst. 3.Het geschil 3.
- [eiser] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat het volgende: te verklaren voor recht dat de overeenkomst is ontbonden, subsidiair de tussen partijen gesloten overeenkomst te ontbinden; [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] € 24.975,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van de dagvaarding (1 juni 2017) tot de dag van betaling; [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 1.024,75 aan buitengerechtelijke kosten; en [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten. 3.
- [eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [eiser] heeft de aanneemsom van € 24.975,- aan [gedaagde] betaald, maar de werkzaamheden zijn nooit uitgevoerd. Om die reden heeft [eiser] de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden, althans moet deze worden ontbonden, zodat [gedaagde] op grond van artikel 6:271 BW verplicht is het bedrag van € 24.975,-- terug te betalen. Indien wordt geoordeeld dat [gedaagde] de overeenkomst heeft gesloten namens een failliete vennootschap, dan heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld door [eiser] bewust te laten contracteren met een failliete vennootschap en is [gedaagde] aansprakelijk voor de schade die [eiser] dientengevolge heeft geleden. 3.
- In het verstekvonnis zijn de primaire vorderingen van [eiser] toegewezen (met uitzondering van een deel van de nakosten). 3.
- De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Primair voert [gedaagde] aan dat niet hij maar een (failliete) onderneming de wederpartij van [eiser] is. Subsidiair betwist [gedaagde] dat de overeenkomst is ontbonden omdat hij de ontbindingsverklaring niet heeft ontvangen. Daarnaast voert [gedaagde] als verweer dat de vordering op grond van artikel 3:307 BW is verjaard omdat er meer dan vijf jaar is verstreken sinds de vordering van [eiser] opeisbaar is geworden. 4.De beoordeling De overeenkomst is gesloten met [gedaagde] 4.
- Het antwoord op de vraag of iemand jegens een ander bij het sluiten van een overeenkomst in eigen naam - dat wil zeggen als wederpartij van die ander - is opgetreden, hangt af van hetgeen hij en die ander daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden (HR 11-03-1977, ECLI:NL:PHR:1977:AC1877 (Kribbenbijter)). Bij de toepassing van deze maatstaf komt niet alleen betekenis toe aan de inhoud van de wederzijdse verklaringen maar ook aan de verdere omstandigheden van het geval. 4.
- Voor de beoordeling van de vraag of [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomst in eigen naam dan wel namens een vennootschap is opgetreden, zijn de volgende feiten van belang. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat hij met niemand anders dan [gedaagde] heeft gesproken over de uit te voeren werkzaamheden en dat [gedaagde] in de gesprekken voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst nooit kenbaar heeft gemaakt te handelen namens een vennootschap. De door [gedaagde] opgestelde offerte is gesteld op briefpapier van “ [naam schoonmaakbedrijf] ” zonder vermelding dat sprake is van een vennootschap. Hetzelfde geldt voor de factuur. Uit niets viel derhalve voor [eiser] af te leiden dat [gedaagde] handelde namens een vennootschap. Weliswaar is op de offerte en de factuur een Belgisch ondernemingsnummer vermeld, maar van [eiser] als consument mag niet worden verwacht worden dat hij vóór het sluiten van de overeenkomst het Belgische handelsregister raadpleegt om na te gaan welke rechtsvorm [naam schoonmaakbedrijf] heeft. 4.
- Gelet op het voorgaande, mocht [gedaagde] niet verwachten dat het voor [eiser] duidelijk was dat hij ( [gedaagde] ) handelde namens een vennootschap. Daarom lag het op de weg van [gedaagde] om dit aan [eiser] duidelijk te maken. Dat hij dit heeft gedaan, is gesteld noch gebleken. [eiser] mocht er daarom op vertrouwen dat [gedaagde] namens zichzelf handelde. [gedaagde] is derhalve aan de overeenkomst gebonden en is aansprakelijk voor de gevolgen van de niet-nakoming van de overeenkomst. De overeenkomst wordt ontbonden 4.
- Vaststaat dat [gedaagde] het aangenomen werk niet heeft uitgevoerd, en niet in geschil is dat [gedaagde] in verzuim is. Daarom is [eiser] op grond van artikel 6:265 BW bevoegd de overeenkomst te ontbinden. [eiser] stelt dat hij de overeenkomst bij brief van 22 mei 2017 buitengerechtelijk heeft ontbonden. [gedaagde] betwist dat hij de brief van 22 mei 2017 heeft ontvangen. [eiser] heeft vervolgens niet onderbouwd dat [gedaagde] deze brief wel heeft ontvangen, zodat de rechtbank [gedaagde] in zijn verweer zal volgen. De overeenkomst is derhalve nog niet ontbonden (artikel 3:37 lid 3 BW). De gevorderde verklaring voor recht wordt daarom afgewezen. 4.
- Omdat, zoals hiervoor overwogen, aan de voorwaarden voor ontbinding van de overeenkomst op grond van artikel 6:265 BW is voldaan, zal de subsidiaire vordering tot ontbinding van de overeenkomst worden toegewezen. Het gevolg daarvan is dat [gedaagde] het bedrag van € 24.975,- in beginsel moet terugbetalen (artikel 6:271 BW). Het beroep op verjaring faalt 4.
- [gedaagde] doet een beroep op verjaring op grond van artikel 3:307 BW. [gedaagde] voert daartoe het volgende aan. Er is meer dan vijf jaar verstreken sinds de vordering van [eiser] opeisbaar is geworden. Het bedrag van € 24.975,- is op 30 september 2011 door [eiser] betaald en meer dan vijf jaar later, op 22 mei 2017, heeft [eiser] de overeenkomst ontbonden en om terugbetaling verzocht. De vordering van [eiser] is dus verjaard op grond van artikel 3:307 BW. 4.
- Artikel 3:307 BW ziet op verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst. De verbintenis waarvan [eiser] nakoming vordert is echter geen verbintenis uit overeenkomst. Het is een verbintenis tot ongedaanmaking die voortvloeit uit het bepaalde in artikel 6:271 BW. De verjaringstermijn van artikel 3:307 BW is dus niet op de vordering tot terugbetaling van de aanneemsom toepassing. 4.
- De vordering tot terugbetaling op grond van artikel 6:271 BW verjaart vijf jaar na de dag van ontbinding (artikel 3:311 lid 2 BW). In dit vonnis wordt de overeenkomst ontbonden dus de vordering tot terugbetaling is niet verjaard. 4.
- Gelet op het voorgaande faalt het beroep op verjaring. [gedaagde] zal daarom worden veroordeeld tot terugbetaling van de aanneemsom van € 24.975.-. Buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen 4.
- [eiser] heeft onbetwist gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 1.024,75 zijn dan ook terecht toegewezen in het verstekvonnis. Wettelijke rente wordt toegewezen vanaf het moment dat van verzuim sprake is 4.
- [eiser] vordert de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 24.975,- vanaf 1 juni 2017, de dag van de dagvaarding. De verplichting van [gedaagde] tot betaling van het bedrag van € 24.975,- vloeit echter voort uit de ontbinding van de overeenkomst. Die ontbinding vindt door dit vonnis plaats. [gedaagde] is dus niet in verzuim met de betaling van het bedrag van € 24.975,-. De rechtbank zal [gedaagde] een termijn geven van 14 dagen voor de betaling van het bedrag van € 24.975,-. Indien niet binnen die termijn is betaald, zal [gedaagde] in verzuim zijn en zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd zijn. [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten 4.
- De rechtbank komt, met uitzondering van de verklaring voor recht en de wettelijke rente, tot hetzelfde oordeel als in het verstekvonnis van 11 oktober
- Uit praktische overwegingen wordt het verstekvonnis vernietigd, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [eiser] worden tot heden begroot op: - het in het verstekvonnis toegewezen bedrag: € 1.708,05 - het salaris advocaat in de verzetprocedure: € 1.081,50 (1,5 punt maal tarief III à € 721,-) Totaal: € 2.789,
- 4.
- De vordering van [eiser] om [gedaagde] te veroordelen in de nakosten van de verstekprocedure zal worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing hieronder is vermeld. 5.De beslissing De rechtbank 5.
- vernietigt het door deze rechtbank op 11 oktober 2017 onder zaaknummer / rolnummer C/10/534920 / HA ZA 17-881 tussen partijen gewezen verstekvonnis en, opnieuw beslissend: 5.
- ontbindt de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] ; 5.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een bedrag van € 24.975,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over hetgeen [gedaagde] te dezer zake nog aan [eiser] verschuldigd mocht zijn vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling; 5.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een bedrag van € 1.024,75 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten te betalen; 5.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 2.789,55; 5.
- veroordeelt [gedaagde] , indien hij niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, tot betaling van € 163,- aan nasalaris voor de advocaat; indien er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris te worden verhoogd met € 85,- en de kosten van de betekening; 5.
- verklaart de veroordelingen onder 5.3, 5.
- 5.5 en 5.6 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.M. Schellekens. Het is ondertekend door de rolrechter en op 3 november 2021 uitgesproken in het openbaar. 3310/2054