Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/099542-21 Datum uitspraak: 10 november 2021 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte], raadsvrouw mr. R.S. Boonstra (neemt waar voor mr. L. Huigsloot), advocaat te Rotterdam. 1. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 27 oktober 2021. 2. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. N. Coenen heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest, onder opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij einduitspraak, alsmede oplegging van de maatregel ex artikel 38v Strafrecht, inhoudende een locatieverbod ten aanzien van zeehavens met een containerterminal (Rotterdam/Amsterdam/Velsen-IJmuiden/Beverwijk/Zaanstad/Vlissingen/Terneuzen/ Delfzijl/Eemshaven) voor een periode van 5 jaren, waarbij de hechtenis wordt vastgesteld op 1 maand per overtreding met een maximum van 6 maanden. 4. Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak feit 3 4.1.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om het onder 3 ten laste gelegde bewezen te verklaren. De verdachte heeft uithalers op de containerterminal gebracht, om verdovende middelen uit te halen. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen gericht op het vervoeren en de invoer/doorvoer van verdovende middelen. 4.1.2. Beoordeling en conclusie Uit het dossier volgt dat er op 1 maart 2021 een MMA melding (Meld Misdaad Anoniem) binnen is gekomen met het bericht dat er mensen een container voorzien van containernummer [containernummer 1] (hierna ook “de container”) waren ingeslopen. Verder houdt die melding in dat de container op een vrachtwagen stond en waarschijnlijk zou worden gelost op de Maasvlakte ECT Delta. Gebleken is dat de container op 1 maart 2021, omstreeks 14:27 uur op de terminal werd aangeleverd door een vrachtwagen voorzien van kenteken [kentekennummer]. De verdachte erkent dat hij de chauffeur van die vrachtwagen was en de container de Maasvlakte op heeft gereden. Ook verklaart hij niet te hebben geweten dat er mensen in de container zouden hebben gezeten. De container is door de douane onderzocht. Daarbij werden geen personen aangetroffen. In de container werden wel goederen aangetroffen, te weten: een zwarte parka (winterjas), diverse verpakkingsmaterialen van karton voor blikjes frisdrank, twee zwarte vuilniszakjes met onbekende inhoud, vier rode boodschappentassen, waarvan er drie leeg waren en één verpakkingsmateriaal van karton voor blikjes frisdrank bevatte. Tevens bleek de container zodanig geprepareerd te zijn dat de containerdeuren van binnenuit te openen waren. Dit is normaal gesproken niet mogelijk. Weliswaar is het opmerkelijk dat de container zodanig geprepareerd was, maar dit is op zichzelf onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen van het treffen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. Ook niet in combinatie met de in de container aangetroffen spullen. Ten tijde van het onderzoek naar de container werd er door de douane op het terminalterrein op de Maasvlakte een andere container, voorzien van containernummer [containernummer 2], aangetroffen waarvan de deuren open stonden. In deze container werden vier mannen aangetroffen, die zijn aangehouden. Dit betreft dus een andere container dan de container die door de verdachte het terminalterrein op is gebracht. Deze mannen zijn niet te relateren aan container [containernummer 1]. Niet kan worden vastgesteld dat deze mannen door de verdachte het terrein op zijn gebracht. De in de container aangetroffen goederen leidt niet zonder meer tot de conclusie dat de aangehouden mannen zich in de door de verdachte vervoerde container hebben bevonden. Ook overigens kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat de verdachte in de container mensen het haventerrein heeft opgebracht. Het onder 3 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 4.2. Bewijswaardering feiten 1 en 2 4.2.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne. De verdachte had geen wetenschap van de aanwezigheid van cocaïne. Voorts kan het handelen van de verdachte niet worden gekwalificeerd als het medeplegen van de (verlengde) invoer van drugs. Niet kan worden gezegd dat de rol van de verdachte (als chauffeur die de lading uit de haven haalt) gelijk kan worden gesteld aan die van de medeplegers. De verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde. De verdediging heeft zich ook ten aanzien van feit 2 op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Niet is komen vast te staan dat de pincode valselijk is verkregen. Evenmin is bewezen dat de verdachte de container heeft weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. 4.2.2. Beoordeling en conclusie Betrokkenheid bij invoer cocaïne Op 12 april 2021 heeft de verdachte als bestuurder van een vrachtwagen een container met het nummer [containernummer 3] opgehaald bij de containerterminal Rotterdam World Gateway op de Maasvlakte in Rotterdam. De container was beladen met mango’s en afkomstig uit Brazilië. De verdachte is later die dag door de politie aangehouden. Uit een douanecontrole van de container is gebleken dat tussen de mango’s een hoeveelheid van 397,71 kilo cocaïne zat verstopt. De verdachte heeft verklaard dat hij bij het ophalen van de container is aangestuurd door anderen, te weten verder onbekend gebleven personen onder wie een zekere “[naam 1]”. Verder heeft hij verklaard dat hij dacht dat het om drugs uit het buitenland ging en dat hij het terrein is opgegaan met behulp van een pincode die hij van de genoemde personen had gekregen. De verdachte heeft eveneens verklaard met een betonschaar het zegel van de container te hebben doorgeknipt. Voorts heeft hij verklaard dat de wijze waarop hij de container heeft opgehaald geen gebruikelijke gang van zaken betreft. Gelet op het voorgaande – en op het feit dat uit artikel 1 lid 4 van de Opiumwet blijkt dat onder het invoeren van verdovende middelen ook het verrichten van handelingen gericht op het verdere vervoer, de opslag en de aflevering van verdovende middelen moet worden begrepen – staat vast dat de verdachte bij de (verlengde) invoer van de container betrokken is geweest. Wetenschap cocaïne Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne in de container en dus ook het opzet heeft gehad op de invoer van deze cocaïne in Nederland. Voor de beoordeling van die vraag zijn de volgende feiten en omstandigheden relevant. In de eerste plaats is van belang dat de verdachte doelbewust op atypische en wederrechtelijke wijze het ECT-terrein op is gegaan om de container op te halen. Daarnaast heeft de verdachte, zoals hiervoor overwogen, zelf ook aangegeven dat hij dacht dat het om drugs uit het buitenland ging. Verder vormen de chatgesprekken die hij heeft gevoerd met zijn collega [naam 2] een duidelijke aanwijzing dat de verdachte wist dat het om de invoer van cocaïne ging. De verdachte heeft hierover ter zitting verklaard dat hij maar wat zat te dollen met zijn collega en dat het hier niet ging om drugstransporten waarbij hij betrokken zou zijn. Strekking, verhullend woordgebruik en tijdstip van deze berichten maken echter dat deze in samenhang met de overige informatie als belastend voor de verdachte worden beoordeeld. Hierbij is bovendien opvallend dat de in de chats genoemde prijzen overeenkomen met de prijzen die door getuige [naam getuige] (de voormalig werkgever van de verdachte) worden genoemd in diens verklaring. Tevens verklaart deze getuige dat hij via de verdachte benaderd is om op vrijwillige basis tegen betaling drugstransporten te doen. Van een transport met een grote hoeveelheid cocaïne en dus een transport met een grote waarde, moet voorts over het algemeen worden aangenomen dat de belanghebbenden daarbij op de hoogte zijn van hetgeen wordt vervoerd. Het is moeilijk voorstelbaar dat leveranciers van verdovende middelen met een zeer grote waarde het risico willen lopen dat hun zending in handen komt van een onwetende ontvanger. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat er in de Rotterdamse haven met grote regelmaat partijen cocaïne worden onderschept, afkomstig uit Zuid-Amerikaanse landen. Conclusie feit 1 (invoer cocaïne) Al deze feiten en omstandigheden leiden, in onderlinge samenhang bezien, tot de conclusie dat de verdachte geweten heeft dat in de container een hoeveelheid cocaïne was verborgen en dat zijn gedragingen gericht waren op de invoer van de cocaïne in Nederland. De verdachte heeft aldus het opzet gehad op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, zoals onder feit 1 primair ten laste is gelegd. Het verweer wordt verworpen. De stelling van de verdachte dat hij onder bedreiging is gedwongen om de container op te halen is, mede tegen de achtergrond van het voorgaande, op geen enkele manier aannemelijk geworden. Naast de verklaring van de getuige [naam getuige] hecht de rechtbank bij dit oordeel waarde aan het feit dat de chatcontacten tussen de verdachte en “[naam 1]” niet dreigend van toon waren. Dat wijst, net als de veelvuldigheid en frequentie van het contact, op samenwerking tussen beiden. Ten aanzien van het gevoerde verweer met betrekking tot het medeplegen vindt zijn weerlegging in de inhoud van de wettige bewijsmiddelen (de chatgesprekken met [naam 1]), zoals opgenomen in bijlage II bij het vonnis. Feit 2 (diefstal container) Met betrekking tot hetgeen is aangevoerd aangaande het ontbreken van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, zoals onder feit 2 ten laste gelegd, hecht de rechtbank ook in dit verband waarde aan de hierboven (bij de bespreking van feit 1) reeds benoemde omstandigheden. Uit het dossier volgt verder dat de betreffende container van de [naam bedrijf] was en dat die zou moeten worden opgehaald door diens vaste vervoerder. De verdachte heeft verklaard de opdracht tot het ophalen van de container te hebben verkregen via de verder onbekend gebleven [naam 1]. De verdachte wist dat hij de door hem gebruikte pincode via [naam 1], op een niet reguliere wijze en daarmee valselijk heeft verkregen. Het was voor de verdachte evident dat [naam 1] geen reguliere transporteur betrof. Immers had de verdachte dan niet behoeven te worden ingeschakeld om op een niet reguliere wijze de container op te halen. De rechtbank acht, gelet op alle omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, het oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening van de container, zoals onder feit 2 ten laste gelegd, wettig en overtuigend bewezen. 4.3. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1 hij op 12 april 2021 te Maasvlakte Rotterdam, gemeente Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel l lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 397,71 kilogram, cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I 2 hij op 12 april 2021 te Maasvlakte Rotterdam, gemeente Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, de container [containernummer 3] (geladen met mango's), die aan de [naam bedrijf], toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die container zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.