Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/750011-18 Datum uitspraak: 29 januari 2021 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [postcode verdachte] te [woonplaats verdachte] , raadsman mr. M.W.G.J. IJsseldijk, advocaat te Arnhem. 1. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 15 maart 2018, 28 mei 2018, 15 augustus 2018 en 15 januari 2021. 2. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. R.K. Nanhkoesingh heeft gevorderd: - vrijspraak van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. 4. Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende. Op 17 november 2017 komt container [containernummer] met een lading gips vanuit Teheran (Iran) via Mundra (India) en Tanger (Marokko) aan in de Rotterdamse haven. Op 18 november 2017 wordt de container aangeboden voor een controle met narcoticaspeurhonden op het terrein van de RWG Terminal. De speurhonden geven een positieve reactie bij de container. Op een nadere scan worden bij een deel van de lading afwijkingen geconstateerd ten opzichte van de rest van de lading. In 25 afwijkende zakken wordt een bruine substantie aangetroffen. Twee monsters uit de afwijkende zakken worden aan een indicatieve test onderworpen met als (indicatieve) uitkomst dat het om heroïne zou gaan. Op 18 november 2017 worden de afwijkende zakken uit de container gehaald en wordt er een terugplaatsmonster in de container geplaatst. Daarna vervolgt de container zijn oorspronkelijke route. Op 21 november 2017 wordt door een medewerker van het HARC-team het terugplaatsmonster weer verwijderd. Los van de vraag of bewezen kan worden dat de onderschepte zakken daadwerkelijk heroïne bevatten, blijkt uit het verhandelde ter terechtzitting en het procesdossier dat de verdachte pas in beeld komt nadat de onderzochte zakken in beslag zijn genomen en nadat het terugplaatsmonster is verwijderd door het HARC-team. Van enige betrokkenheid van de verdachte bij de invoer van de container (en de lading) is niet gebleken. Voor zover het dossier aanwijzingen bevat dat de verdachte in opdracht van een onbekend gebleven persoon onderzoek moest verrichten naar de onderschepte lading geldt dat handelingen die na de inbeslagname en uitname van het monster worden verricht, niet kunnen strekken tot (verlengde) invoer van verdovende middelen. Reeds daarom is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde niet kan worden bewezen. 4.1.1. Conclusie De verdachte dient voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken. 5. Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. 6. Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst. Dit vonnis is gewezen door: mr. J. de Lange, voorzitter, en mrs. R.J.A.M. Cooijmans en V.M. de Winkel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.L. den Dekker, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld. De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst (gewijzigde) tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat 1. hij in op of omstreeks de periode van 17 november tot en met 11 december 2017 te Rotterdam en/of Barendrecht en/of Rhoon, gemeente Albrandswaard, en/of Arnhem en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 514 kilogram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; art 2 ahf/ond A Opiumwetart 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrechtart 10 lid 5 Opiumwet subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [naam medeverdachte] en/of één of meer onbekend gebleven perso(o)n(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.