Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/750405-17 Datum uitspraak: 29 januari 2021 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:[adres verdachte] , [postcode verdachte] te [woonplaats verdachte] ,raadsman mr. S.R. Bordewijk, advocaat te Rotterdam. 1. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 15 maart 2018, 28 mei 2018, 15 augustus 2018 en 15 januari 2021. 2. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. R.K. Nanhkoesingh heeft gevorderd: vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde; bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaar met aftrek van voorarrest. 4. Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak 4.1.1. Standpunt officier van justitie Door de officier van justitie is aangevoerd dat het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. De verdachte is de directeur van [naam bedrijf 1] , welk bedrijf de lading waar de 514 kg heroïne tussen zat heeft besteld en de loods in Rhoon heeft gehuurd. De verdachte was aanwezig bij het opensnijden van de zakken met gips. Het opensnijden is zonder behoud van inhoud of verpakking gebeurd. Er zijn namelijk grote incisies aan de zijkant van de pakken gemaakt. De verdachte heeft honderden kilo’s paracetamol en cafeïne besteld en heeft navraag gedaan wat een HARC-medewerker voor bevoegdheden heeft. Deze feiten en omstandigheden maken dat naar de uiterlijke verschijningsvormen geconcludeerd kan worden dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van heroïne. Tevens blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden dat er ook geen sprake was van een ontwetende derde bij wie door anderen verdovende middelen in de bonafide lading zijn gestopt. De honderden kilo’s paracetamol die de verdachte had besteld, zouden volgens hem bestemd zijn voor Kameroen. Uit de query van de douane blijkt er in de periode 2015 – 2017 geen enkele export van dit middel naar Kameroen heeft plaatsgevonden. De verdachte was in bezit van een PGP-telefoon. Op de rekening van [naam bedrijf 1] is in de periode van 4 januari 2016 tot en met 4 december 2017 voor in totaal € 385.450,00 aan contant geld gestort. Verder is er in verhullend taalgebruik gesproken na de aanhouding door de verdachte: “je weet wel wie je moet bellen”. Voor hetgeen onder 2 ten laste gelegde feit (de voorbereidingshandelingen) dient de verdachte vrijgesproken te worden, omdat deze handelingen plaats hebben gevonden na het moment dat de douane de heroïne uit de container heeft gehaald. 4.1.2. Beoordeling Op 17 november 2017 komt container [containernummer] met een lading gips vanuit Teheran (Iran) via Mundra (India) en Tanger (Marokko) aan in de Rotterdamse haven. De container is bestemd voor de verdachte. Op 18 november 2017 wordt de container aangeboden voor een controle met narcoticaspeurhonden op het terrein van de RWG Terminal. De speurhonden geven een positieve reactie bij de container. Op een nadere scan worden bij een deel van de lading afwijkingen geconstateerd ten opzichte van de rest van de lading. In 25 afwijkende zakken wordt een bruine substantie aangetroffen. Twee monsters uit de afwijkende zakken worden aan een indicatieve test onderworpen met als (indicatieve) uitkomst dat het om heroïne zou gaan. Op 18 november 2017 worden de afwijkende zakken uit de container gehaald en wordt er een terugplaatsmonster in de container geplaatst. Daarna vervolgt de container zijn oorspronkelijke route. Op 21 november 2017 wordt door een medewerker van het HARC-team het terugplaatsmonster weer verwijderd. In tegenstelling tot wat gebruikelijk is in zaken als deze ontbreekt een rapport waaruit blijkt dat het NFI (of een soortgelijke onderzoeksinstelling) na onderzoek heeft vastgesteld dat het om heroïne gaat. Niet is gebleken dat de aangetroffen stof aan nader chemisch onderzoek is onderworpen dan wel dat dit onderzoek alsnog zou kunnen plaatsvinden. Een tweetal monsters is slechts indicatief getest. Een indicatieve test is, naar zijn aard, indicatief en niet concludent. Uit de rechtspraak volgt evenwel dat onder omstandigheden ook zonder een chemisch deskundigenrapport kan worden vastgesteld dat sprake is van een stof als heroïne. Er moet dan sprake zijn van andere bewijsmiddelen die het resultaat van de indicatieve test ondersteunen. De verdediging heeft aangevoerd dat dergelijk steunbewijs in de onderhavige zaak ontbreekt en reeds hierom vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft in reactie hierop aangevoerd dat de ambtenaren van het Team Forensische Opsporing – die de indicatieve test hebben uitgevoerd – specialisten zijn in het herkennen van verdovende middelen en dat twee speurhonden een positieve melding hebben gegeven bij de onderzochte container. De rechtbank ziet in hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd onvoldoende steun voor de conclusie dat het om heroïne ging. Het enkele aanslaan van een of meer narcoticaspeurhonden draagt niet bij aan de vaststelling om welke soort drugs het dan zou gaan. Verder biedt de aangevoerde expertise van de betrokken polititieambtenaren in zijn algemeenheid onvoldoende steun voor dat oordeel. Gelet op het voorgaande kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat er in de tenlastegelegde periode (514
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.