← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2021:11271

Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/994527-14 Raadkamernummer: RK/1542 Beslissing van de rechtbank te Rotterdam, meervoudige raadkamer, op de vordering van de officier van justitie in dit arrondissement ex artikel 552f Wetboek van Strafvordering d.d. 19 juni 2020, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 19 juni 2020, er toe strekkende dat de inbeslaggenomen voorwerpen, toebehorende aan: [beslagene] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), wonende te [woonplaats] , [land] , (beslagene), door de rechtbank onttrokken aan het verkeer worden verklaard. Procedure De rechtbank heeft, naast voormelde vordering, gezien: een beslaglijst, als bijlage bij de vordering, waaruit - zakelijk weergegeven - blijkt dat op 5 april 2013 onder beslagene inbeslaggenomen werd: - 1 zending met diverse Chinese gewasbeschermingsmiddelen, zijnde: 20 pallets à 40 kartonnen dozen, in totaal 800 colli; - 9 pallets, zijnde: 8 pallets à 40 kartonnen dozen en 1 pallet à 30 kartonnen dozen verpakkingen met 4 jerrycans à 5 liter van het Chinese gewasbeschermingsmiddel Propiconazool 250 EC, in totaal 350 colli. De rechtbank heeft naar aanleiding van de vordering in openbare raadkamer van 6 oktober 2021 gehoord: de officier van justitie, mr. R.M.J. de Rijck, en de raadsman van de beslagene, mr. G.J.M. de Jager, advocaat te Rotterdam. Beslagene is, alhoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Bevoegdheid De rechtbank is bevoegd tot het geven van een beslissing als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onder 4, van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr.), aangezien de zaak bij deze rechtbank is aangebracht. Ontvankelijkheid Bij arrest van het gerechtshof te Den Haag d.d. 22 maart 2019 is voornoemde strafzaak, na terugwijzing door de Hoge Raad, geëindigd met de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie. Deze beslissing is onherroepelijk geworden, zodat deze strafzaak is geëindigd zonder dat daarbij een beslissing over de inbeslaggenomen voorwerpen is gegeven. Artikel 36b, vierde lid, Sr. biedt de officier van justitie de mogelijkheid een “losse” vordering tot onttrekking aan het verkeer in te dienen. De wijze waarop deze vordering ingediend en behandeld behoort te worden is geregeld in artikel 552f van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv.). De officier van justitie is daarom ontvankelijk in de vordering tot onttrekking aan het verkeer. Beoordeling van de vordering Inleiding De strafzaak waarin de goederen in beslag zijn genomen, heeft een bijzonder verloop gekend. De verdachte is door de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof Den Haag aanvankelijk veroordeeld voor het opzettelijk op de markt brengen van een aanzienlijke hoeveelheid niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. Het arrest van het gerechtshof Den Haag is vervolgens door de Hoge Raad vernietigd en de zaak is teruggewezen naar het gerechtshof Den Haag. Dit hof heeft op 22 maart 2019 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard, omdat – kort gezegd – handhaving langs bestuursrechtelijke weg had moeten plaatsvinden in plaats van strafrechtelijke vervolging. Deze uitspraak is onherroepelijk geworden op 18 november 2019. Over de in beslag genomen goederen is door het gerechtshof geen beslissing genomen. Deze goederen zijn in 2014 - bij wijze van beheersmaatregel - vernietigd op grond van artikel 117 Sv. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de goederen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer. Door de raadsman is bepleit dat ook wat betreft de inbeslagneming het bestuursrecht de aangewezen weg was geweest en dat onttrekking aan het verkeer daarom thans niet meer toegestaan is. Subsidiair is verzocht om aan beslagene een geldelijke vergoeding toe te kennen op grond van artikel 36b, tweede lid, Sr. in samenhang met artikel 33c, tweede lid, Sr. Vatbaarheid voor onttrekking aan het verkeer Op grond van het onderzoek in openbare raadkamer is voldoende vast komen te staan dat het inbeslaggenomene toebehoort aan beslagene. De in beslag genomen voorwerpen waren (en zijn) in strijd met de wet, meer in het bijzonder met artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. De enkele omstandigheid dat een bestuursrechtelijke afdoening in omschreven gevallen op grond van een door de Minister vastgesteld en gepubliceerd sanctiekader (de Sanctiestrategie) voor het openbaar ministerie in de weg staat aan een strafrechtelijke afdoening, maakt daarmee nog niet dat de strafbepaling als zodanig niet vervallen of anderszins buiten toepassing geraakt. Daarmee is vast komen te staan dat het ongecontroleerde bezit van deze in beslag genomen goederen in strijd is met de wet, maar ook met het algemeen belang. Bij dit alles betrekt deze rechtbank dat de rechtbank en het gerechtshof hebben bewezenverklaard dat de door beslagene ingevoerde voorwerpen gewasbeschermingsmiddelen betroffen waarvan de invoer in de Europese Unie is verboden, en dat beslagene daarvan niet is vrijgesproken. De voorwerpen zijn derhalve vatbaar voor onttrekking aan het verkeer en de vordering is toewijsbaar. Geldelijke vergoeding Ingevolge de artikelen 36b, tweede lid, jo. 33c, tweede lid, Sr. kan de rechter een geldelijke vergoeding toekennen, indien degene aan wie de onttrokken voorwerpen toebehoren door de onttrekking aan het verkeer onevenredig zwaar wordt getroffen. Vast staat dat de bestuursrechtelijke procedure gevolgd had moeten worden. Omdat de goederen in plaats daarvan op grond van het Wetboek van Strafvordering in beslag genomen zijn, zou dit onder bijzondere omstandigheden aanleiding kunnen zijn voor een vorm van vergoeding. Daarvan is sprake indien aannemelijk zou zijn gemaakt dat beslagene vermogensrechtelijk in een betere positie zou zijn geëindigd indien de bestuursrechtelijke procedure zou zijn gevolgd. Op dat punt merkt de rechtbank op dat de raadsman in zijn brief van 19 januari 2021 uiteen heeft gezet wat de gevolgen zouden zijn geweest van die bestuursrechtelijke procedure. Deze gevolgen zouden inhouden dat ook dan de goederen zouden zijn vernietigd, en daarnaast zouden de kosten van vernietiging op de beslagene verhaald zijn. De rechtbank stelt vast dat beslagene door een beslissing tot onttrekking aan het verkeer niet in een slechtere positie is gekomen. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen grond(en) van billijkheid om tot enige vergoeding over te gaan. Beslissing De rechtbank: Wijst toe de vordering van de officier van justitie; Verklaart onttrokken aan het verkeer: - 1 zending met diverse Chinese gewasbeschermingsmiddelen zijnde 20 pallets à 40 kartonnen dozen, in totaal 800 colli; - 9 pallets zijnde: 8 pallets à 40 kartonnen dozen en 1 pallet à 30 kartonnen dozen verpakkingen met 4 jerrycans à 5 liter van het Chinese gewasbeschermingsmiddel Propiconazool 250 EC, in totaal 350 colli. Wijst af het verzoek tot toekenning van een geldelijke vergoeding aan beslagene. Deze beschikking is gegeven in openbare raadkamer van deze rechtbank op 17 november 2021 door: mr. W.A.F. Damen, voorzitter, en mrs. J.J. Bade en G.A.J.M. van Vugt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.J. Voogel-van Buuren, griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.