Rechtbank Rotterdam Team insolventie afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling rekestnummer: [nummer] uitspraakdatum: 14 oktober 2021 [verzoeker] , [adres] [woonplaats], verzoeker.
- De procedure Verzoeker heeft op 6 september 2021 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 7 oktober
- De feiten Verzoeker ontvangt inkomsten uit arbeid. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 878.401,
- De beoordeling Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is. De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke. Verzoeker heeft een schuld aan de Belastingdienst van € 433.557,
- Deze vloeien voort uit zijn in 2018 gestaakte horeca-onderneming. Het betreft niet-betaalde omzetbelasting, inkomstenheffingen en loonheffingen en premies over de jaren 2015 tot en met 2020 Naar het oordeel van de rechtbank zijn de schulden aan de Belastingdienst naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan en staan deze in beginsel aan toelating in de weg. Het is immers de verantwoordelijkheid van verzoeker om er voor zorg te dragen dat hij zijn administratie voldoende bijhoudt, tijdig aangifte doet, de verschuldigde belastingen tijdig worden betaald en dat daarvoor voldoende wordt gereserveerd. Verzoeker heeft dit niet gedaan. Het feit dat er ambtshalve aanslagen zijn opgelegd waarbij (mogelijk) uit is gegaan van verkeerde (winst- of omzet)gegevens, komt dan ook voor zijn rekening en risico. Verzoeker heeft voorts een schuld aan het bedrijfstak Pensioenfonds Horeca & Catering van € 27.586,
- Verzoeker heeft verklaard dat hij de premies niet heeft betaald wegens het ontbreken aan middelen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze schulden ook naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan. Het is de verantwoordelijkheid van verzoeker om er voor zorg te dragen dat deze premies, die worden ingehouden op het loon van de werknemers, ook worden gereserveerd en daadwerkelijk aan het pensioenfonds worden afgedragen. Het gaat om middelen die aan de werknemers toekomen en die strekken tot pensioenopbouw. Doordat verzoeker deze gelden heeft ingezet voor andere doeleinden, zijn de werknemers in hun belangen geschaad. Niet is gebleken dat verzoeker de afgelopen jaren heeft geprobeerd om een betalingsregelingen te treffen met het Pensioenfonds Horeca & Catering om dit nadeel deels te compenseren. Verzoeker heeft daarnaast schulden bij het CJIB van in totaal € 2631,
- Ter terechtzitting heeft verzoeker verklaard dat deze schulden betrekking hebben op verkeersboetes Ook deze schulden zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan. Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
- De beslissing De rechtbank: - wijst het verzoek af. Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van J.J.A. Regeer, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 oktober
- Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.