vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/586193 / HA ZA 19-1085 Vonnis van 24 november 2021 in de zaak van [naam eiser] , wonende te [woonplaats eiser], eiser, advocaat mr. C.T. Klepper te Hardinxveld-Giessendam, tegen [naam gedaagde] , wonende te [woonplaats gedaagde], gedaagde, advocaat voorheen mr. J.W. Prinsen te Ridderkerk (onttrokken op 20 januari 2021), thans zonder procesvertegenwoordiger. Partijen zullen hierna [naam eiser] (eiser) en [naam gedaagde] (gedaagde) genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 21 juli 2021, de akte overleggen producties tevens houdende akte wijziging eis van [naam eiser], met producties 39 t/m 52, het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 16 maart 2021. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. Het verdere geschil 2.1. [naam eiser] vordert na zijn nieuwe wijziging van eis – samengevat – de verdeling van de gemeenschap vast te stellen, dan wel de wijze van de verdeling vast te stellen door: Primair: I. [naam gedaagde] te veroordelen tot medewerking aan verdeling/ toedeling van het aandeel van [naam eiser] in de panden [adressen] aan [naam gedaagde] middels levering vrij van beslagen van het aandeel van [naam eiser] in de panden bij notariële akte, welke akte opgemaakt wordt door en verleden wordt ten overstaan van een van de notarissen van [naam praktijk] te [plaatsnaam 1], welke medewerking binnen drie maanden na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis moet zijn verleend; II. [naam gedaagde] te veroordelen tot medewerking aan verdeling/ toedeling van het aandeel van [naam gedaagde] in het pand [adres] aan [naam eiser] middels levering vrij van beslagen van het aandeel van [naam gedaagde] in de panden bij notariële akte, welke akte opgemaakt wordt door en verleden wordt ten overstaan van een van de notarissen van [naam praktijk] te [plaatsnaam 1], welke medewerking binnen drie maanden na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis moet zijn verleend; III. [naam gedaagde] te veroordelen tot medewerking aan verdeling/toedeling van de domeinnaam [domeinnaam] aan [naam eiser] en medewerking aan effectuering middels tenaamstelling van deze domeinnaam op naam van [naam eiser] in de daartoe bestemde registers waaronder in ieder geval de registratie van webhosting (Vevida), welke medewerking binnen één maand na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis moet zijn verleend; IV. [naam gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 19.345,78, te vermeerderen of verminderen met de baten en lasten vanaf 1 januari 2021 tot aan de dag van algehele verdeling, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, aan [naam eiser], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van deze dagvaarding, althans een in goede justitie te bepalen datum, tot de dag van algehele betaling; Subsidiair: V. [naam gedaagde] te veroordelen tot medewerking aan verdeling/toedeling van de panden c.q. een aandeel in de panden [adressen] op een in goede justitie te bepalen wijze van verdeling, welke medewerking binnen drie maanden na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis moet zijn verleend; VI. [naam gedaagde] te veroordelen tot medewerking aan verdeling/toedeling van het pand c.q. een aandeel in het pand [adres] op een in goede justitie te bepalen wijze van verdeling, welke medewerking binnen drie maanden na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis moet zijn verleend; VII. [naam gedaagde] te veroordelen tot overdracht van de domeinnaam "[domeinnaam]" middels tenaamstelling van deze domeinnaam op naam van [naam eiser] in de daartoe bestemde registers waaronder in ieder geval de registratie van webhosting (Vevida), welke overdracht binnen één maand na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis moet zijn verricht; Meer subsidiair: VIII. de wijze van verdeling door de rechtbank zelf vast te stellen, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang; Zowel primair, subsidiair als meer subsidiair: IX. te bepalen dat, bij gebreke van de vereiste wilsverklaringen van [naam gedaagde] strekkende tot uitvoering van datgene waartoe hij op basis van de vorderingen onder I tot en met III en V tot en met VIII veroordeeld wordt, binnen de daartoe gestelde termijn, dit vonnis in de plaats van deze wilsverklaring zal treden; X. [naam gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [naam eiser] van de buitengerechtelijke kosten van deze procedure, alsmede tot betaling aan [naam eiser] van de kosten van dit geding, waaronder begrepen een salaris voor de advocaat. 3. De verdere beoordeling 3.1. Er is geen bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis en deze is ook niet in strijd met de goede procesorde. Daarom wordt recht gedaan op de eis zoals deze na wijziging luidt en hiervoor onder 2.1 verkort is weergegeven. Inleiding 3.2. In dit geschil gaat het om de vraag of en zo ja op welke wijze de zakelijke gebondenheid tussen partijen dient te worden beëindigd. Daarbij twisten partijen over de juridische kwalificatie van de tussen hen bestaande gemeenschap. Ook twisten zij over de vraag of thans verdeling kan worden gevorderd en zo ja, op welke wijze die verdeling dient plaats te vinden en welke waarde daarbij aan de goederen dient te worden toegekend. 3.3. In het tussenvonnis (r.o. 4.5) heeft de rechtbank voorlopig geoordeeld dat de gemeenschap tussen partijen als een maatschap gekwalificeerd zou kunnen worden. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat indien er sprake is van een maatschap deze door opzegging is ontbonden (r.o. 4.7). Verder is bij dat vonnis een mondelinge behandeling gelast om: partijen in de gelegenheid te stellen te reageren op die voorlopige kwalificatie en om meer duidelijkheid te krijgen over de samenwerking tussen partijen en over andere omstandigheden die relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een maatschap (r.o. 4.6); in verband met de gevoerde discussie over de wijze van verdeling en de waarde van de goederen, inlichtingen te verkrijgen (r.o. 4.9). Die mondelinge behandeling heeft op 16 maart 2021, dus na de onttrekking van mr. Prinsen, plaatsgevonden. 3.4. Hierna zal nader op de voormelde geschilpunten worden ingegaan. aard van de gemeenschap 3.5. De rechtbank is (definitief) van oordeel dat de gemeenschap tussen partijen kwalificeert als een maatschap. Dit is gebaseerd op het volgende. 3.5.1. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is door [naam eiser] gesteld dat partijen ooit hebben afgesproken om de huuropbrengst van de gezamenlijke panden aan de [adres] te [plaatsnaam 2] en het [adressen] (tezamen verder: de panden) fifty/fifty te verdelen in de veronderstelling dat partijen zich samen zouden inspannen en werkzaamheden ten behoeve van de verhuur van die panden zouden verrichten. [naam gedaagde] heeft dat niet weersproken, zodat die afspraak tussen partijen vast staat. 3.5.2. Die afspraak dient te worden aangemerkt als een overeenkomst van maatschap. Immers, een maatschap is een (vormvrije) overeenkomst waarbij twee of meer personen zich ten opzichte van elkaar verbinden om iets in gemeenschap te brengen met het oogmerk het daaruit ontstane voordeel met elkaar te delen; het vereist de wil van de betrokken partijen om op basis van gelijkwaardigheid met elkaar samen te werken ten einde een bepaald doel te bereiken. Deze gelijkwaardigheid behoeft niet volstrekt te zijn, voldoende is dat er geen verhouding van ondergeschiktheid is. De voormelde afspraak voldoet aan deze definitie en partijen hebben zich er kennelijk ook mee verenigd dat de gemeenschap tussen hen als een maatschap moet worden aangemerkt. [naam eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling die gemeenschap meermalen een maatschap genoemd en [naam gedaagde] heeft niet gesteld dat de door hem gestelde bijzondere gemeenschap anders dient te worden gekwalificeerd. verdeling mogelijk? 3.6. Verdeling van het gemeenschappelijke vermogen van partijen is pas mogelijk als de vereffening (liquidatie) van de maatschap is afgerond. Onderdeel van de vereffening kan rekening en verantwoording door een vennoot aan de overige vennoten zijn, maar het afleggen van rekening en verantwoording is in deze procedure niet gevorderd en daarom niet aan de orde. Wel relevant is, dat de vereffening vereist dat de gemeenschappelijke crediteuren voldaan worden. In het debat tussen partijen is slechts sprake van één mogelijke gemeenschappelijke crediteur, te weten [naam bedrijf] (verder: [naam bedrijf]). 3.7. [naam eiser] stelt dat partijen per 31 december 2020 een gemeenschappelijke schuld van € 14.971,64 aan [naam bedrijf] hebben. Dit betreft de schuld uit de rekening-courant tussen de maatschap en [naam bedrijf] per die datum. Deze schuld is onder meer gebaseerd op de in de rekening-courant geboekte facturen van [naam bedrijf] van 6 juli 2018 (factuurnummer 20180243) en 17 januari 2020 (factuurnummer 20200055). Bij de eerste factuur is € 31.744,35 incl. BTW aan arbeidsloon tegen een tarief van € 45,00 per uur in rekening gebracht, voor 583 uur die in de periode 10-2013 t/m 31-12-2017 zijn besteed aan nader gespecificeerde werkzaamheden. De tweede factuur bedraagt € 8.759,19 incl. BTW en betreft arbeidsloon tegen een tarief van € 57,00 per uur voor in totaal 127 uur aan nader gespecificeerde werkzaamheden in 2018 (e.e.a. blijkend uit de productie 42 van [naam eiser]). [naam eiser] stelt dat deze facturen betrekking hebben op door [naam bedrijf] uitgevoerd noodzakelijk onderhoud aan het gehuurde dat verricht had dienen te worden door de maatschap als verhuurder, en dat die kosten worden verrekend met de door [naam bedrijf] aan de maatschap verschuldigde huurpenningen. 3.8. [naam gedaagde] betwist dat de maatschap een schuld aan [naam bedrijf] heeft. Hij voert daartoe aan dat er over de werkzaamheden aan de panden nooit overleg met hem is gevoerd en dat [naam eiser] en [naam bedrijf] onnodig onkosten hebben gemaakt. Ook voert hij aan dat hij de afgelopen 5 à 6 jaar geen informatie over de panden en de verhuur daarvan heeft ontvangen en dat [naam eiser] zijn zoon, de enig bestuurder en aandeelhouder van [naam bedrijf], probeert te bevoordelen. 3.9. De rechtbank is van oordeel dat de resterende schuld aan [naam bedrijf] van € 14.971,64 voor rekening van [naam eiser] komt. Dit is gebaseerd op het navolgende. 3.10. Niet gesteld is dat partijen afspraken hebben gemaakt over het beheer van de maatschap, zodat uitgegaan dient te worden van de daarvoor in artikel 7A:1676 BW opgenomen regels. Het eerste lid van dit wetsartikel bepaalt dat ieder van de vennoten worden geacht elkaar over en weer de bevoegdheid te hebben verleend om voor elkaar de maatschap te beheren en dat hetgeen ieder van hen verricht ook verbindend is voor het aandeel van de overige vennoten zonder dat hun toestemming is verkregen. Een uitzondering daarop geldt indien één van de overige vennoten zich voordat de handeling is verricht daartegen heeft verzet. Als beheersdaden gelden alle handelingen die met het oog op het doel van de maatschap tot de gewone werkzaamheden behoren. In dit geval is dat doel (het genereren van inkomsten uit) de verhuur van de panden. 3.11. Ook het derde en het vierde lid van artikel 7A:1676 BW zijn van belang. Het derde lid bepaalt dat iedere vennoot van de overige vennoten kan vorderen dat zij bijdragen in de kosten die noodzakelijk zijn voor het behoud van aan de maatschap toebehorende goederen. Het vierde lid bepaalt dat een vennoot slechts met toestemming van de andere vennoten bevoegd is om veranderingen aan de onroerende zaken van de maatschap aan te brengen en dat dit ook geldt wanneer wordt beweerd dat die veranderingen voordelig waren voor de maatschap. 3.12. Het laten uitvoeren van noodzakelijk onderhoud aan de panden dat in de relatie met de huurder voor rekening van de verhuurder komt, is een gewone werkzaamheid van een verhuurder, ook wanneer deze het de huurder tegen een redelijk tarief zelf laat doen. Het bepaalde in het derde lid van artikel 7A:1676 BW doet daar niet aan af, zodat [naam eiser] ook voor laten uitvoeren van onderhoud dat in de relatie tot de huurder noodzakelijk was maar niet strikt noodzakelijk was voor het behoud van de panden, geen toestemming van [naam gedaagde] behoefde. Dit laat echter onverlet dat hij op grond van artikel 7A:1676 lid 4 BW slechts bevoegd was om veranderingen aan de panden aan te brengen indien hij daarvoor de toestemming van [naam gedaagde] had. 3.13. Vast staat dat alleen [naam eiser] sinds 2013 beheerstaken heeft uitgevoerd. Over het door hem uitgevoerde beheer is in ieder geval vanaf 2016 geen rekening en verantwoording aan [naam gedaagde] afgelegd. [naam eiser] heeft voor de aan [naam gedaagde] verstrekte informatie over het door hem uitgevoerde beheer verwezen naar de boekhouder, die daarover heeft verklaard dat de jaarrekening van de maatschap steeds op het kantoor in [plaatsnaam 2] in een postvak werd gelegd en dat hij na 2015 geen stukken meer naar [naam gedaagde] heeft toegezonden. [naam eiser] bestrijdt echter niet dat [naam gedaagde], zoals deze stelt, voor het laatst in 2015 of 2016 in [plaatsnaam 2] is geweest en dat [naam eiser] hem toen heeft verboden om op het terrein te komen. Het neerleggen van de jaarrekening in een postvakje op het kantoor in [plaatsnaam 2] kan daarom niet worden gezien als een vorm van het afleggen van rekening en verantwoording aan [naam gedaagde]. 3.14. Bij gebrek aan die rekening en verantwoording bindt de wijze waarop de voormelde facturen van [naam bedrijf] in de rekening-courant tussen deze vennootschap en de maatschap is verwerkt, [naam gedaagde] niet. 3.15. De stelling van [naam eiser], dat [naam gedaagde] geen werkzaamheden meer verrichtte en nooit reageerde als hij iets met hem wilde overleggen, doet niet aan het vorenstaande af. Ook als dat juist is kan [naam eiser] daaraan geen andere bevoegdheden ontlenen dan die tussen partijen waren afgesproken of bij gebreke daarvan voortvloeien uit de wet. Indien dat voor [naam eiser] niet volstond had het op zijn weg gelegen om in rechte nakoming van de inspanningsverplichting of (vervangende) toestemming van [naam gedaagde] af te dwingen dan wel om eerder tot ontbinding en verdeling van de maatschap over te gaan, maar daarvoor heeft [naam eiser] kennelijk niet gekozen. 3.16. [naam bedrijf] heeft de door haar bij factuurnummer 20180243 gedeclareerde 538 uren gespecificeerd als volgt: 2014 Uren Arbeid tbv opruimen en leeghalen grote loods [plaatsnaam 2] 100 Arbeid tbv wegbrengen afval, hout etc naar de stort 20 Arbeid tbv renovatie kantoor [plaatsnaam 2] 34 2015 Rep + aanbrengen pvc dakplaten boven kantoor grote loods 15 Voorbereiding en assistentie bij asbest sanering grote loods 35 Arbeid tbv opruimen loods en terrein 60 Arbeid tbv bouwen huurboxen in grote loods 150 2016 Reparaties aan licht golfplaten 8 Arbeid tbv bouwen huurboxen in grote loods 55 Div onderhoudswerkzaamheden [adres] 10 Arbeid tbv vervangen en aanpassen elektriciteit in grote loods 26 2017 Vernieuwen roldeur loods ([naam 1]) uitbouw-herstel-plaatsen-verven 34 Vervanging elektriciteit loods ex [naam 1] 15 Arbeid tbv rep kozijn en ramen dichtgetimmerd loods ex [naam 1] 21 3.17. Van deze werkzaamheden dienen het repareren en aanbrengen van pvc dakplaten, de reparatie aan licht golfplaten, het vernieuwen van de roldeur van een loods en het repareren van een kozijn en dicht timmeren van ramen van een loods te worden aangemerkt als noodzakelijke werkzaamheden. Op grond van artikel 7A:1676 lid 3 BW dient [naam gedaagde] bij te dragen in de kosten daarvan. Deze kosten bedragen ((15 + 8 + 34 + 21 =) 78 uren x € 45,00 = € 3.510,00 + 21% =) € 4.247,10 incl. btw. 3.18. In de kosten van de overige door [naam bedrijf] bij factuurnummer 20180243 gedeclareerde uren behoeft [naam gedaagde] om de volgende redenen niet bij te dragen. Het bouwen van huurboxen in de grote loods valt onder artikel 7A:1676 lid 4 BW en vast staat dat [naam gedaagde] daarvoor geen toestemming heeft gegeven. In zijn rekening-courant met de maatschap, welke hierna nader zal worden besproken, heeft [naam eiser] een vergoeding in rekening gebracht voor door hem verrichte beheerswerkzaamheden. Onderdeel van die werkzaamheden is voorbereiding en assistentie bij de asbestsanering van een loods. De werkzaamheden die [naam bedrijf] in het kader van de voorbereiding en assistentie bij die asbestsanering in rekening heeft gebracht dient daarom te worden aangemerkt als door [naam eiser] gedelegeerde beheerswerkzaamheden. Delegatie van beheerswerkzaamheden is geen normale handeling van een verhuurder, zodat [naam eiser] daartoe alleen bevoegd was indien [naam gedaagde] daarin had toegestemd. Die toestemming ontbreekt. Voor de overige werkzaamheden geldt dat daarvoor geen toestemming van [naam gedaagde] is verkregen en dat onvoldoende duidelijk is dat dit noodzakelijke werkzaamheden zijn die voor rekening van de maatschap als verhuurder komen. Bij gebrek aan nadere toelichting kan daarom niet kan worden vastgesteld dat [naam gedaagde] in de kosten daarvan dient bij te dragen. 3.19. De 127 uren die [naam bedrijf] bij haar factuurnummer 20200055 over het jaar 2018 heeft gedeclareerd zijn door haar gespecificeerd als volgt: Aantal Omschrijving 20 reparaties windveren van middel en grote loods 14 reparaties lichtgolfplaten van middel loods 12 reparaties betonvloer grote loods 63 groot onderhoud werkplaats, elektriciteit, verlichting, vloer 10 diverse onderhoudswerkzaamheden [adres] 8 reparaties toegangshek 3.20. Ook voor de bij deze factuur gedeclareerde onderhoudswerkzaamheden geldt dat onvoldoende duidelijk is dat het noodzakelijke werkzaamheden zijn die voor rekening van de maatschap als verhuurder komen, terwijl [naam gedaagde] geen toestemming voor het laten uitvoeren van die werkzaamheden heeft gegeven. Bij gebrek aan een nadere toelichting kan daarom niet worden vastgesteld dat [naam gedaagde] in de kosten daarvan dient bij te dragen. 3.21. De opgegeven reparaties worden aangemerkt als noodzakelijke werkzaamheden. In aanmerking nemend dat [naam bedrijf] geen professionele reparateur is en over het jaar 2017 een uurtarief van € 45,00 declareerde, komt het voor de reparaties in 2018 gedeclareerde uurtarief van € 57,00 bovenmatig voor en zal dit tarief worden gematigd tot € 45,00. De kosten waarin [naam gedaagde] op grond van artikel 7A:1676 lid 3 BW dient bij te dragen bedragen daarom (( 20 + 14 + 12 + 8 =) 54 x € 45,00 = € 2.430,00 + 21% =) € 2.940,30 incl. btw. 3.22. Dit alles leidt er toe dat [naam gedaagde] slechts gehouden is om bij te dragen in (€ 4.247,10 + € 2.940,30 =) € 7.187,40 van de door [naam bedrijf] bij voormelde facturen in rekening gebrachte kosten, en dat alleen dit deel van die facturen als een gemeenschappelijke schuld dient te worden aangemerkt. Voor het restant van ((€ 31.744,35 + € 8.759,19 =) € 40.503,54 - € 7.187,40 =) € 33.315,14 geldt, dat [naam eiser] niet bevoegd was om dit voor rekening van de maatschap te brengen, zodat het voor zijn rekening komt. 3.23. Die gemeenschappelijke schuld [naam 3] € 7.187,40 is inmiddels door middel van verrekening voldaan. Immers, uit de overgelegde grootboekmutaties in de rekening-courant tussen de maatschap en [naam bedrijf] blijkt dat de schuld van de maatschap aan [naam bedrijf] – rekening houdend met de in 2018 doorgevoerde en niet ter discussie staande correctie [naam 3] € 9.932,65 – per 31 december 2017 € 36.992,35 bedroeg. Van die schuld resteerde per 31 december 2020 nog € 14.971,64. Hieruit volgt dat de gemeenschappelijke schuld aan [naam bedrijf] van € 7.187,40 is voldaan en dat er een positief saldo voor de maatschap zou zijn indien het voor rekening van [naam eiser] komende deel van de facturen van [naam bedrijf] niet onbevoegdelijk in deze rekening-courant zou zijn geboekt. De volgens de rekening-courant resterende schuld aan [naam bedrijf] is daarom voor rekening van [naam eiser]. 3.24. De per 31 december 2020 resterende schuld van de maatschap aan [naam bedrijf] [naam 3] € 14.971,64, komt, als hiervoor overwogen, in het geheel voor rekening van [naam eiser]. Daarom geldt dat indien en voor zover [naam bedrijf] de door haar vanaf 1 januari 2021 aan de maatschap verschuldigde huursommen voldoet door deze te compenseren met haar vordering op de maatschap, de betreffende bedragen zullen gelden als ten gunste van [naam eiser] voldaan zoals in r.o. 3.70. en in het dictum onder 4.1.4. bedoeld. In het hierna volgende zal tot verdeling van het gemeenschappelijke vermogen worden overgegaan. Daarbij zal ook nader worden ingegaan op de gevolgen van de onbevoegdelijke verrekening (tot 1 januari 2021) van de voor rekening van [naam eiser] komende schuld aan [naam bedrijf] met de door deze aan de maatschap verschuldigde huur. de domeinnamen 3.25. Partijen verschillen van mening over de vraag of de in r.o. 2.12 van het tussenvonnis vermelde en in 2011 door [naam gedaagde] geregistreerde domeinnamen (verder: de domeinnamen) tot het gemeenschappelijk vermogen van de maatschap behoren. 3.26. [naam eiser] stelt dat dit het geval is omdat ze werden gebruikt ten behoeve van de gezamenlijke zakelijke activiteiten van partijen en de daaraan verbonden kosten werden voldaan van de gezamenlijke rekening. Dat de domeinnamen op naam van [naam gedaagde] zijn geregistreerd is uitsluitend het gevolg van de omstandigheid dat hij bij de zakelijke activiteiten van partijen de administratie en de marketing gerelateerde activiteiten voor zijn rekening nam en doet er daarom niet aan af dat de domeinnamen tot de maatschap behoren. 3.27. [naam gedaagde] betwist dat. Hij beroept zich op het intellectuele eigendomsrecht van de domeinnamen en voert aan dat de domeinnamen in onderling overleg op zijn naam zijn gezet en dat de rekeningen van de provider door hem zijn betaald. 3.28. De rechtbank oordeelt dat de domeinnamen niet tot het gemeenschappelijk vermogen van de maatschap behoren en baseert dat op het volgende. 3.29. Het recht op een domeinnaam is niet wettelijk geregeld. Tot uitgangspunt dient dat degene die zich als domeinnaamhouder heeft laten registeren, alleen gedwongen kan worden de domeinnaam aan een ander over te dragen als hij daartoe rechtens verplicht is. 3.30. Vast staat dat de domeinnamen in 2011 op naam van [naam gedaagde] zijn geregistreerd. Partijen zijn het er over eens dat die registratie plaatsvond met het oog op gezamenlijke, zakelijke activiteiten van partijen. Bij gebrek aan gestelde feiten waaruit een verdergaande verplichting blijkt kan daaruit niet méér worden afgeleid, dan dat [naam gedaagde] de domeinnamen in de maatschap diende in te brengen indien deze daadwerkelijk voor gezamenlijke zakelijke activiteiten van partijen konden worden gebruikt. Dat het zo ver is gekomen blijkt echter niet. Een ander gebruik van de domeinnamen dan het gebruik van de domeinnaam “[domeinnaam]” door [naam bedrijf] is niet gesteld. Dat de zoon van [naam eiser] thans de bestuurder en enig aandeelhouder van die vennootschap is, en dat vóór deze, de zoon van [naam gedaagde] dat was, maakt het gebruik van die domeinnaam door [naam bedrijf] nog geen gezamenlijke zakelijke activiteit van partijen. Dat zou het geval kunnen zijn geweest indien partijen bij de oprichting van [naam bedrijf] ieder de helft van de aandelen in deze vennootschap hadden verworven, overeenkomstig hun – door [naam gedaagde] gestelde en niet door [naam eiser] bestreden – bedoeling bij de oprichting, maar dat is niet aan de orde. 3.31. Dat [naam gedaagde] de domeinnamen in de maatschap heeft ingebracht kan ook niet worden afgeleid uit de wijze waarop de kosten voor het gebruik van de domeinnamen zijn voldaan. Immers, [naam eiser] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling erkend dat de van de gezamenlijke rekening betaalde kosten in rekening-courant aan [naam gedaagde] zijn doorbelast. 3.32. Dit alles leidt ertoe dat bij gebrek aan voldoende onderbouwing, niet kan worden vastgesteld dat de domeinnamen tot het gemeenschappelijk vermogen van de maatschap behoren. Er is daarom geen plaats voor de door [naam eiser] gevorderde toedeling van de domeinnaam “[domeinnaam]” aan hem. 3.33. De subsidiaire vordering om [naam gedaagde] te veroordelen om de domeinnaam “[domeinnaam]” aan hem over te dragen, baseert [naam eiser] op nakoming van een daartoe strekkende verbintenis van [naam gedaagde]. Hij stelt dat [naam gedaagde] onvoorwaardelijk heeft toegezegd deze domeinnaam om niet aan hem over te dragen, en verwijst daartoe naar op 28 oktober 2016 tussen partijen gewisselde WhatsApp-berichten, en stelt verder dat het daarin genoemde bedrag van € 5.000,- tijdig aan [naam gedaagde] is voldaan. 3.34. [naam gedaagde] betwist dat hij de gestelde toezegging heeft gedaan. Hij voert aan dat hij als voorwaarde heeft gesteld “dat alles geregeld is” en dat aan die voorwaarde niet is voldaan. Dat het bedrag van € 5.000,- tijdig aan hem is voldaan bestrijdt hij niet. 3.35. Partijen zijn het er over eens dat deze WhatsApp-berichten van 28 oktober 2016 waarnaar [naam eiser] verwijst werden gewisseld terwijl [naam gedaagde] op weg was naar een detentie-inrichting. De relevante passages van deze WhatsApp-berichten luiden: [28-10-2016 13:36] [naam eiser]: “(…) [naam 2] is bereid om je € 5.000,- te lenen en op tijd over te maken mits jij eerst de domeinrechten mercurydiesel.nl aan hem hebt overgedragen en mits je bevestigd zonder voorbehoud akkoord te gaan met overdracht van de Gebr. zoals door [naam 3] aan je voorgelegd. En je bevestigd en volledig meewerkt om dit zo snel als mogelijk bij de notaris te tekenen.” [28-10-2016 14:52] [naam gedaagde]: “(…) ik ben bereid mee te werken aan de overdracht van [plaatsnaam 2]. Dat was mijn bedoeling en zoals je weet ben IK met dat 1e plan ertoe gekomen. Maar deze voorwaarden zijn onhaalbaar. (…) Die domeinnaam krijg je van me kado, zodra alles geregeld is. Dat zeg ik je onvoorwaardelijk toe.” [28-10-2016 15:33] [naam gedaagde]: “(…) Maak aub die 5 mille over, de rest regelen we als ik eruit kom. Inclusief domeinnaam. (…)” 3.36. Bij de uitleg van de overeenkomst die partijen door middel van deze WhatsApp-berichten sloten komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn de omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, van beslissende betekenis. 3.37. De rechtbank oordeelt dat die overeenkomst tussen partijen aldus dient te worden uitgelegd dat [naam gedaagde] na uitvoering van de verdeling van de maatschap de domeinnaam “[domeinnaam]” aan [naam eiser] dient over te dragen, zodat de vordering van [naam eiser] in die vorm kan worden toegewezen. Dit baseert de rechtbank op het volgende. 3.38. [naam gedaagde] heeft in zijn voormelde WhatsApp-berichten toegezegd de domeinnaam aan [naam eiser] cadeau te doen zodra alles geregeld is. Hij noemt dit een onvoorwaardelijke toezegging, maar “zodra alles geregeld is” is op zich al een voorwaarde. Daarom is er geen sprake van een onvoorwaardelijke toezegging, maar een toezegging onder de opschortende voorwaarde dat alles is geregeld. 3.39. Voor de hand ligt dat met “alles” de overdracht van het pand in [plaatsnaam 2] (het pand [adres]) is bedoeld. Hiervan kan ook worden uitgegaan omdat geen van partijen heeft gesteld dat dit anders uitgelegd dient te worden. 3.40. Tot een overdracht van het pand [adres] is het nog niet gekomen, omdat partijen geen overeenstemming konden bereiken over de voorwaarden daarvoor. Echter, er kan van worden uitgegaan dat uitvoering van de na te melden verdeling van het gemeenschappelijk vermogen van de maatschap tot overdracht van dat pand leidt. Op dat moment is aan de opschortende voorwaarde voldaan, zodat de vordering van [naam eiser] als na te melden kan worden toegewezen. het gemeenschappelijk vermogen van de maatschap en de wijze van verdeling 3.41. Thans staat vast dat het te verdelen gemeenschappelijk vermogen van de maatschap wordt gevormd door: de aandelen van partijen in de panden, de hypothecaire geldleningen voor de financiering van [adressen] bij de ABN Amro bank (rekening nummers [bankrekeningnummer 1] en [bankrekeningnummer 2]), de hypothecaire geldlening voor de financiering van [adres] verbonden hypotheekschuld bij de Rabobank (rekening nummer [bankrekeningnummer 3]), e vordering respectievelijk schuld uit de rekeningen-courant tussen de maatschap en ieder van partijen, de nog niet verdeelde (netto) opbrengst uit de verhuur van de panden en de saldi van de door de maatschap gebruikte bankrekeningen. Immers, partijen zijn het er over eens dat deze goederen tot het gemeenschappelijk vermogen behoren en niet gesteld is dat – naast de resterende schuld aan [naam bedrijf] en de domeinnamen waarover hiervoor al is beslist – nog andere goederen tot het gemeenschappelijk vermogen van de maatschap behoren. (a, b, c.) de panden en hypothecaire geldleningen 3.42. [naam eiser] vordert primair dat aan hem zal worden toegedeeld (het aandeel van [naam gedaagde]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.