Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/680365-18 (ontneming) Datum uitspraak: 9 november 2021 Tegenspraak (art. 279 Sv) Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige economische kamer, in de zaak tegen de verdachte: [naam veroordeelde] , vestigingsadres: [vestigingsadres veroordeelde] , gemachtigd raadsman mr. M.B. Visser, advocaat te Rotterdam.
- Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 9 maart 2021 en van 28 september
- Vordering De vordering van de officier van justitie, mr. J. Spaans – zoals deze na wijziging ter terechtzitting is komen te luiden – strekt tot: het vaststellen van het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat op € 159.796,80; het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel tot een bedrag van € 159.796,
- De vordering van de officier van justitie is uitsluitend gebaseerd op artikel 36e, eerste en tweede lid, Sr. Zij betreft voordeel verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld.
- Voorafgaande veroordeling Blijkens het vonnis van 12 oktober 2021 van deze rechtbank is de veroordeelde veroordeeld ter zake van: medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 1 van de Wet op de kansspelen, terwijl van het plegen van dat misdrijf een gewoonte wordt gemaakt, begaan door een rechtspersoon. In deze procedure wordt derhalve als vaststaand aangenomen dat deze feiten door de veroordeelde zijn begaan. Van het vonnis is een kopie als bijlage aan dit vonnis gehecht.
- Beoordeling van de vordering 4.
- Beoordelingskader Artikel 36e Sr heeft een reparatoir karakter. De ontnemingsmaatregel beoogt de veroordeelde in de vermogenspositie te brengen waarin hij verkeerde vóór het plegen van het strafbare feit waaruit hij voordeel heeft verkregen. Hierbij rust op het Openbaar Ministerie de plicht om aan de hand van voldoende aanwijzingen aannemelijk te maken dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit het bewezenverklaarde. 4.
- Beoordeling en conclusie De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of voldoende aannemelijk is geworden dat het gevorderde ontnemingsbedrag daadwerkelijk het feitelijke voordeel van de veroordeelde [naam veroordeelde] vormt, welk voordeel zou moeten worden ontnomen. Uit het ontnemings- en strafdossier blijkt dat de veroordeelde een vennootschap onder firma is met twee vennoten, de medeveroordeelden [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] . Middels deze vennootschap drijven de medeveroordeelden een minimarkt en zij zijn daar het enige personeel. De medeveroordeelden verkochten in die minimarkt in strijd met de Wet op de kansspelen loten en zij ontvingen commissie over de verkoop van loten. Die commissie is het gestelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Hoewel de vennootschap door deze gang van zaken daarmee het strafbare feit heeft medegepleegd, is de rechtbank van oordeel dat de medeveroordeelde vennoten door middel van en uit de baten van het strafbare feit het feitelijke wederrechtelijk voordeel hebben genoten. De rechtbank acht het, op basis van hetgeen door de officier van justitie is aangevoerd en gelet op wat vermeld is in ontnemings- en strafdossier, onvoldoende aannemelijk geworden dat het wederrechtelijk voordeel ook bij de minimarkt terecht is gekomen. De rechtbank zal de vordering daarom afwijzen.
- Toepasselijk wettelijk voorschrift Gelet is op het artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
- Bijlage De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
- Beslissing De rechtbank: wijst af de vordering van de officier van justitie ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit vonnis is gewezen door: mr. A. van Luijck, voorzitter, en mrs. D. van Dooren en F. van Laanen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Soeteman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 november 2021.