← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2021:12224

Rechtbank ROtterdam Team straf 1 VI-zaaknummer: 99/000434-50 Parketnummer: 10/190174-20 Datum uitspraak: 24 november 2021 Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam in de zaak betreffende de veroordeelde [naam veroordeelde], geboren te [geboorteplaats veroordeelde] op [geboortedatum veroordeelde], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres veroordeelde], gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie, raadsman mr. K. Durdu, advocaat te Rotterdam. Opgelegde straf Bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank in Duitsland van 26 maart 2019, waarvan de tenuitvoerlegging via de WETS is overgenomen door het arrondissementsparket Rotterdam, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van vier jaren. De veroordeelde is op 10 april 2021 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, waarbij bijzondere voorwaarden zijn opgesteld waaronder een meldplicht en andere voorwaarden het gedrag betreffende, te weten een inspanningsverplichting voor het verkrijgen en behouden van een dagbesteding, een open, gemotiveerde en meewerkende houding tonen, contact opnemen met de wijkagent en medewerking verlenen aan middelencontroles. De rechter-commissaris heeft op 9 november 2021 de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling bevolen. Vordering Op 5 november 2021 heeft het openbaar ministerie een vordering ingediend tot gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde voor de duur van 150 dagen, wegens het niet naleven van voormelde voorwaarden. Bij de vordering is overgelegd het rapport d.d. 4 november 2021 van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering). Onderzoek van de zaak Het onderzoek van de zaak heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzitting van 24 november

  1. De officier van justitie mr. E.M. Loppé en de veroordeelde, bijgestaan door de raadsman, zijn gehoord. Voorts zijn de deskundigen [naam 1] en [naam 2], als reclasseringswerkers verbonden aan Reclassering Nederland, gehoord. De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De raadsman heeft verzocht de herroeping van de vordering te beperken tot 30 dagen en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De veroordeelde is ervan doordrongen dat hij zich niet aan de voorwaarden van zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling heeft gehouden. De veroordeelde heeft op dit moment een fulltime baan voor de duur van zes maanden aangeboden gekregen die volledig aansluit bij zijn wens, namelijk een baan vanaf de middag tot in de avond. Hierdoor ervaart de veroordeelde geen probleem met vroeg opstaan, wat nu juist het geval is. De raadsman meent dat het gebrek aan een dagbesteding het hoofdprobleem is. Doordat de veroordeelde in aanmerking komt voor deze baan, is daarmee het hoofdprobleem opgelost. Eventuele controles van de reclassering kunnen uitgevoerd worden op de werklocatie om er zeker van te zijn dat de veroordeelde een dagbesteding heeft. Beoordeling Het rapport van de reclassering houdt onder meer in dat de veroordeelde moeilijk te sturen is en zijn afspraken slecht nakomt. Daarnaast geeft de veroordeelde geen openheid van zaken en is derhalve weinig zicht op zijn dagelijks leven. De veroordeelde heeft geen dagbesteding en met de laatste twee urinecontroles lijkt te zijn gefraudeerd. Daar komt bij dat het wijzigen van de voorwaarden en het op verzoek van de veroordeelde toewijzen van een nieuwe toezichthouder er niet toe hebben geleid dat de veroordeelde zich is gaan inzetten gedurende het toezicht. De deskundigen hebben op de terechtzitting het rapport van de reclassering toegelicht en daarbij verklaard dat de ongemotiveerde houding en het gedrag van de veroordeelde alsmede het overtreden van de bijzondere voorwaarden het toezicht op de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de reclassering onuitvoerbaar maken. Uit het reclasseringsadvies en het advies van de deskundigen ter terechtzitting blijkt dat de reclassering nu geen mogelijkheden ziet voor gedragsverandering bij veroordeelde en dat het recidiverisico daarom onvoldoende beperkt kan worden. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de veroordeelde de voormelde voorwaarden verwijtbaar niet heeft nageleefd. De veroordeelde dient zich zonder meer aan de opgelegde voorwaarden te houden. Daarom zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk toewijzen en gelasten dat het gedeelte van devrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, alsnog gedeeltelijk, te weten voor een periode van 75 dagen, moet worden ondergaan. Beslissing De rechtbank: wijst toe de vordering tot gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling; gelast dat de voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt herroepen voor een periode van 75 (vijfenzeventig) dagen; wijst de vordering voor het overige af. Deze beslissing is genomen door mr. J.H. Janssen, voorzitter, en mrs. S.E.C. Debets en M.J.C. Spoormaker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y. Ouarssani, griffier, en uitgesproken op de zitting van deze rechtbank op 24 november
  2. De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.