Rechtbank Rotterdam Team insolventie verzoek gedwongen schuldregeling: niet-ontvankelijk rekestnummer: [nummer] uitspraakdatum: 8 december 2021 [verzoeker] , wonende te [adres] [postcode] [woonplaats] , verzoeker. 1.De procedure Verzoeker heeft op 29 oktober 2021, tezamen met een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ex artikel 284 Faillissementswet (hierna: Fw), een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Fw ingediend om de schuldeisers die weigeren mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling. De uitspraak is bepaald op heden. 2.De beoordeling Uit de bij het verzoek gevoegde verklaring ex artikel 285 lid 1 Fw en de Rapportage van de schuldbemiddelaar gedateerd 11 oktober 2021 blijkt dat de minnelijke regeling reeds is beëindigd. Bij brief van 8 november 2017 is een minnelijke regeling aangeboden aan alle schuldeisers. Alle schuldeisers hebben alstoen met de minnelijke regeling ingestemd tegen finale kwijting met uitzondering van de Gemeente Rotterdam. Schuldhulpverlening heeft thans een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Fw ingediend om een weigerende schuldeiser, de Gemeente Rotterdam, afdeling Werk & Inkomen, te bevelen alsnog in te stemmen met de reeds (in 2017) afgeronde schuldregeling. Daarbij is aangegeven dat de Gemeente Rotterdam naar aanleiding van de aanbiedingsbrief voor een minnelijke regeling van 8 november 2017 akkoord is gegaan met het betalingsvoorstel, maar niet tegen finale kwijting. Deze voorwaarde van de Gemeente Rotterdam is kennelijk geaccepteerd omdat het minnelijke traject dat is voorgesteld in de aanbiedingsbrief van november 2017 is uitgevoerd en afgerond. Het feit dat na uitbetaling aan de schuldeisers op grond van het aanbod uit 2017 aan de Gemeente Rotterdam nu een restschuld resteert doet hier niet aan af; de Gemeente Rotterdam heeft in 2017 immers helder gecommuniceerd dat zij akkoord ging met de minnelijke regeling, zij het niet tegen finale kwijting. Vervolgens is de minnelijke regeling uitgevoerd en afgerond. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat het onderhavige verzoek niet in behandeling kan worden genomen. Schuldhulpverlening kan een nieuw verzoek ex artikel 287a Fw indienen nadat gepoogd is een (nieuwe) minnelijke regeling op te starten. Indien de Gemeente Rotterdam weigert mee te werken aan deze regeling staat het schuldhulpverlening vrij om een verzoek ex artikel 287a Fw in te dienen. Ten aanzien van het verzoek ex artikel 284 Fw, strekkende tot het van toepassing verklaren van de wettelijke schuldsaneringsregeling, verneemt de rechtbank graag binnen twee weken na heden van verzoeker (of van de schuldhulpverleningsinstantie namens verzoeker) of het schuldsaneringsverzoek wordt gehandhaafd. Indien de rechtbank binnen de gestelde termijn geen reactie ontvangt, zal het schuldsaneringsverzoek als ingetrokken worden beschouwd. 3.De beslissing De rechtbank: - verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot het bevelen van een gedwongen schuldregeling; Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.T. Frima, rechter, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 december 2021. Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.