Rechtbank Rotterdam Team familie zaaknummers / rekestnummers: C/10/587896 / FA RK 19-10805 en C/10/591898 / FA RK 20-1145 Beschikking van 10 december 2021 betreffende de zorgregeling, de onderhouds-verplichting en de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime in de zaak van: [naam man] , de man, wonende te [woonplaats man], advocaat mr. N.T. Vogelaar te 's-Gravenzande (voorheen: mr. M. Theunessen), t e g e n [naam vrouw] , de vrouw, wonende te [woonplaats vrouw], advocaat mr. B.C. Pfeifle te Schiedam. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de beschikking van deze rechtbank van 22 juli 2021 en de daarin genoemde stukken; het bericht met bijlagen van de zijde van de vrouw van 12 oktober 2021; het bericht met bijlagen van de zijde van de man van 15 oktober 2021. 1.2. De nadere mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2021. Daarbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat; de vrouw met haar advocaat; de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam]. 1.3. Na de mondelinge behandeling heeft de vrouw met toestemming van de rechtbank op 28 oktober 2021 een bericht met bijlage in het geding gebracht. Hierop heeft de man bij bericht van 25 november 2021 gereageerd. Verder verzoekt de man om alsnog een zorgregeling te bepalen, waarop de vrouw heeft gereageerd bij bericht van 1 december 2021. 2. De verdere feiten 2.1. Partijen zijn de ouders van [naam kind], geboren op [geboortedatum kind] 2019 te [geboorteplaats kind] (hierna: [naam kind]). Partijen wonen sinds de geboorte van [naam kind] feitelijk gescheiden van elkaar. 2.2. Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 15 mei 2020 heeft deze rechtbank een zorgregeling tussen [naam kind] en de man vastgesteld, die partijen in onderling overleg enigszins hebben gewijzigd, in die zin dat [naam kind] bij de man verbleef wekelijks van dinsdag 7:30 uur tot woensdag 18:30 uur en op zaterdag van 9:30 uur tot 18:30 uur. 2.3. Op 17 oktober 2020 vond tussen partijen een incident plaats. De man is door de politierechter veroordeeld wegens mishandeling van de vrouw en hem is een taakstraf opgelegd. De man is van deze veroordeling in hoger beroep gegaan. 2.4. Bij vonnis van 14 december 2020 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen tot nakoming van de zorgregeling afgewezen. Bij arrest van 20 juli 2021 heeft het hof Den Haag het vonnis vernietigd en partijen verwezen naar het Rotterdams Omgangshuis van Horizon teneinde fysieke omgang tussen de man en [naam kind] te begeleiden. Het hof overweegt daartoe, voor zover relevant, als volgt: 16. (…) Het hof is van oordeel dat het niet in het belang van [naam kind] is om, vooruitlopend op de bodemzaak, bij wijze van ordemaatregel onbegeleide omgang te bevelen, zonder dat partijen eerst hulpverlening hebben gehad in het kader van het traject bij Ouderschap Blijft. Nu er ruim zeven maanden geen fysieke omgang tussen de man en [naam kind] heeft plaatsgevonden, ligt het naar het oordeel van het hof voor de hand dat bij hervatting van de fysieke omgang deze in eerste instantie begeleid zal plaatsvinden. 17. Ter zitting is gebleken dat partijen inmiddels twee gesprekken hebben gehad bij Ouderschap Blijft en dat zij beiden gemotiveerd zijn om deel te nemen aan dit traject met het doel om een blijvende oplossing te vinden voor fysieke omgang tussen de man en [naam kind]. Het hof gaat ervan uit dat partijen zich zullen inzetten voor dit traject, zodat zij onder begeleiding van een deskundige in gesprek blijven over wat er in het verleden is gebeurd, hoe voorkomen kan worden dat er zich wederom incidenten voordoen en hoe partijen in het belang van [naam kind] het ouderschap in de toekomst vorm kunnen geven. Nu fysieke omgang al geruime tijd niet heeft plaatsgevonden en in het kader van dit kort geding niet is gebleken van contra-indicaties voor omgang, is het hof van oordeel dat een begeleide omgang op korte termijn gestart dient te worden. Het hof zal partijen daarom verwijzen naar het Rotterdams Omgangshuis. Binnen het traject Ouderschap Blijft kunnen partijen verder afspraken maken over de zorgregeling, ook voor de periode na het traject bij het Rotterdams Omgangshuis. 2.5. Begin september 2021 is het door partijen ingezette traject Ouderschap Blijft bij Enver beëindigd. Het eindverslag van Enver van 9 september 2021 luidt, voor zover relevant: (…) Een ander belangrijk aandachtspunt is de uitspraak van Het Hof op 20 juli 2021 (…). Vader heeft aangegeven dat hij Ouderschap Blijft voort wenst te zetten bij ENVER. Moeder heeft (…) aangegeven met Ouderschap Blijft te willen stoppen en de uitspraak van Het Hof te willen volgen en de omgang plaats te laten vinden via het omgangshuis bij Horizon. (…) Veiligheid Er zijn geen concrete aanwijzingen dat er sprake is van een onveilige situatie wanneer [naam kind] bij moeder of vader is. Advies Ouderschap Blijft is voor ouders een geschikte interventie om aan gezamenlijke doelen van ouders te werken met ruimte voor (begeleide) omgang. Het Hof adviseert voor de omgang het Omgangshuis van Horizon en voor gesprekken Ouderschap Blijft bij ENVER. Dit is organisatorisch en methodisch niet haalbaar. Ouders gaan nu voor verdere begeleiding naar Horizon. 3. De verdere beoordeling 3.1. Bij voornoemde beschikking van 22 juli 2021 is het geregistreerd partnerschap tussen partijen ontbonden, is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [naam kind] bij de vrouw zal zijn en dat de man aan de vrouw als voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [naam kind] het bedrag van € 100,- per maand zal voldoen. Verder is bij genoemde beschikking de wijze van verdeling van de tot de beperkte gemeenschap behorende echtelijke woning gelast. De behandeling van de zaak ten aanzien van de zorgregeling, de definitieve kinderbijdrage, de partnerbijdrage en de verdere afwikkeling van het huwelijksvermogensregime en de proceskosten is aangehouden. 3.2. Zorgregeling 3.2.1. De man verzoekt een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen waarbij [naam kind] wekelijks bij hem is van maandag 7:00 uur tot dinsdag 18.30 uur en van vrijdag 7:00 uur tot zaterdag 18:30 uur. 3.2.2. De vrouw voert gemotiveerd verweer. 3.2.3. De rechtbank constateert dat er sinds het incident tussen partijen op 17 oktober 2020 geen fysieke omgang meer is geweest tussen de man en [naam kind]. De rechtbank acht het positief dat partijen gedurende het verloop van de onderhavige procedure zelf het traject Ouderschap Blijft (OSB) bij Enver zijn gestart, maar acht het een gemiste kans dat dit traject door het arrest van het hof Den Haag van 20 juli 2021, zonder dat de gestelde doelen zijn gehaald, is beëindigd. In het arrest gaat het hof er juist vanuit dat partijen het traject OSB voortzetten, zodat de rechtbank niet uitsluit dat het hof zich niet heeft gerealiseerd dat de combinatie van het traject OSB bij Enver, met begeleide omgang via het Rotterdams Omgangshuis niet mogelijk is. De rechtbank rekent het de vrouw aan dat zij er met een beroep op het arrest van het hof, ondanks de overweging daarin over het inzetten voor het traject OSB, toch voor gekozen heeft om met het al gestarte traject OSB bij Enver te stoppen. Dit geldt te meer omdat een vorm van begeleide omgang ook onderdeel is van het traject OSB bij Enver en uit het eindverslag van Enver volgt dat de vrouw niet heeft willen meewerken aan het bewerkstelligen van het eerste (begeleide) contactmoment. 3.2.4. Met de raad ziet de rechtbank geen contra-indicaties voor fysiek contact tussen de man en [naam kind], zodat contactherstel met de man op korte termijn aan de orde is. Gezien zijn jonge leeftijd en het feit dat er inmiddels al een jaar geen fysiek contact is geweest met de man, acht de rechtbank het met de raad in het belang van [naam kind] dat het hervatten van de fysieke omgang begeleid zal plaatsvinden. 3.2.5. Op advies van de rechtbank hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling ingestemd met verwijzing naar begeleide omgang via het uniform hulpaanbod, zodat de raad betrokken is indien het hulpverleningstraject voortijdig of zonder dat de doelen (geheel) zijn behaald, wordt afgesloten. Gelet hierop is in het proces-verbaal van doorverwijzing overwogen dat de door het hof Den Haag ingezette verwijzing in de stand waarin die zich bevindt, dient op te gaan in het onderhavige hulpverleningstraject. Gezien de jonge leeftijd van [naam kind] is daarbij verzocht om een snelle start van het hulpverleningstraject. 3.2.6. Uit de laatste berichten van partijen lijkt er ruis op de lijn te komen. Bij bericht van 25 november 2021 verzoekt de man vanwege de wachttijd de begeleide omgang niet via het omgangshuis maar per direct via zijn netwerk te laten plaatsvinden. Uit het bericht van 1 december 2021 van de vrouw volgt dat partijen al zijn benaderd door de uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van hetgeen op de mondelinge behandeling met partijen is besproken. Zoals uit het eindverslag van Enver volgt, zijn de einddoelen met betrekking tot de communicatie tussen partijen over [naam kind] immers niet behaald. Zoals besproken op de mondelinge behandeling worden partijen in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan het hulpverleningstraject omgangsbegeleiding door Horizon. 3.3. Naast het voornoemde proces-verbaal voor aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie zal de rechtbank ook deze beschikking versturen naar het routeringspunt. De rechtbank verzoekt de uitvoerende hulpverleningsinstantie om, zoals tijdens de mondelinge behandeling met partijen is besproken, het eindverslag over het verloop van het hulpverleningstraject in te dienen op de hierna vermelde wijze. 3.3.1. De rechtbank zal de behandeling van de zaak in afwachting van de resultaten van dit hulpverleningstraject pro forma aanhouden voor de duur van negen maanden. 3.3.2. Indien het hulpverleningstraject is beëindigd, zal de hulpverleningsinstantie het eindverslag versturen naar het routeringspunt. Het routeringspunt zal zorgdragen voor verzending van dit eindverslag aan de rechtbank. De rechtbank zal, indien het hulp-verleningstraject is geslaagd, partijen en hun advocaten in de gelegenheid stellen om binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren op het eindverslag. Na ontvangst van de reactie van (de advocaten van) partijen geeft de rechtbank, zonder nadere mondelinge behandeling, een eindbeschikking. 3.3.3. Indien het hulpverleningstraject voortijdig is beëindigd dan wel de doelen niet (geheel) zijn behaald, zal het routeringspunt het eindverslag ook sturen aan de raad. De raad zal aan de hand van het eindverslag van de hulpverleningsinstantie bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk wordt geacht. De raad wordt verzocht binnen twee weken na ontvangst van het eindverslag de rechtbank te informeren of een raadonderzoek noodzakelijk wordt geacht. 3.3.4. Een raadsonderzoek blijft achterwege indien de rechter meent voldoende ingelicht te zijn om een eindbeschikking te geven. De rechtbank zal de raad hierover berichten binnen uiterlijk een week nadat de raad de rechtbank heeft geïnformeerd over de noodzakelijkheid van een raadsonderzoek. De rechtbank bericht de raad slechts indien zij geen raadsonderzoek nodig acht. 3.3.5. Indien de rechtbank met de raad een onderzoek noodzakelijk acht, geldt deze beschikking als een voorwaardelijke opdracht aan de raad om onderzoek te verrichten, indien het hulpverleningstraject (deels) niet is geslaagd. De raad wordt verzocht dit onderzoek te verrichten en daarvan bij de rechtbank, uiterlijk binnen vier maanden, een raadsrapport in te dienen. In dat geval volgt dus een nadere aanhouding van de zaak. 3.3.6. Gelet op het vorenstaande wordt de raad voorwaardelijk verzocht om, indien het eindverslag van de hulpverleningsinstantie daartoe aanleiding geeft, aan de rechtbank advies uit te brengen ter beantwoording van de navolgende vragen: wat is nodig om tot fysiek contactherstel tussen de man en de minderjarige te komen? welke (opbouw van) zorgregeling komt het meest tegemoet aan het belang van de minderjarige? hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden? welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om in het advies te vermelden? 3.3.7. Na ontvangst van het raadsrapport zullen partijen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop binnen een termijn van twee weken schriftelijk te reageren en zich uit te laten of zij een nieuwe mondelinge behandeling wensen. 3.3.8. In afwachting van het vorenstaande wordt het verzoek tot vaststellen van een zorgregeling pro forma aangehouden. 3.4. Partnerbijdrage 3.4.1. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling het verzoek ten aanzien van de partnerbijdrage ingetrokken. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen en komt niet toe aan het voorwaardelijk ingestelde verzoek van de vrouw tot, samengevat, limitering van de duur van de partnerbijdrage. Ook dit verzoek zal de rechtbank afwijzen. 3.5. Kinderbijdrage 3.5.1. Bij beschikking van 22 juli 2021 is de door de man aan te vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) voorlopig bepaald op € 100,- per maand. 3.5.2. De man blijft van mening dat hij geen draagkracht heeft en verzoekt de kinder-bijdrage te bepalen op nihil, althans op het minimale bedrag van € 25,- per maand. De man verzoekt de rechtbank om in afwijking van genoemde beschikking uit te gaan van zijn werkelijke woonlasten van € 935,- per maand. De vrouw verzet zich hiertegen. 3.5.3. Anders dan in de genoemde beschikking van 22 juli 2021 (3.3.6.) is overwogen, zal de rechtbank bij het berekenen van de draagkracht van de man niet uitgaan van de formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.000)], maar met de werkelijke woonlast rekening houden door in de formule de forfaitaire woonlast (0,3 x NBI) buiten beschouwing te laten en het draagkrachtloos inkomen te verhogen met het saldo van de huidige daadwerkelijke maandelijkse woonlast van de man van € 935,-. Daarbij is in aanmerking genomen het belang van de minderjarige dat de man in zijn buurt blijft wonen, de huidige hoge huurprijzen in de randstad en de verwachting van de man dat hij binnen afzienbare tijd weer aan het werk is en een bij de huidige huurprijs passend loon zal verdienen. Voor het overige gaat de rechtbank uit van de in de genoemde beschikking van 22 juli 2021 opgenomen financiële uitgangspunten. De draagkracht van de man bedraagt dus 70% x [€ 2.064 - (€ 935 + € 1.000)] = € 90,- per maand. 3.5.4. Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen (€ 90 + € 1.150) hoger is dan de behoefte van de minderjarige € 876,- moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel: het deel van de man bedraagt: € 90 / € 1.240 x € 876 = € 64 het deel van de vrouw bedraagt: € 1.150 / € 1.240 x € 876 = € 812 + samen € 876 Van de totale behoefte van de minderjarige komt dus een gedeelte van € 64 per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 812 per maand voor rekening van de vrouw. 3.5.5. De rechtbank ziet in hetgeen hiervoor over de zorgregeling is overwogen geen aanleiding om af te wijken van het in de genoemde beschikking (3.3.12.) in aanmerking genomen percentage zorgkorting. De hiervoor berekende bijdrage van de man wordt dan ook verminderd met 5% aan zorgkorting, zodat een bijdrage resteert van € 20,- per maand. In de gegeven omstandigheden acht de rechtbank een door de man te betalen minimale bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 25,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. 3.5.6. Gezien de recente ingangsdatum van de huurovereenkomst (productie 27 van de man) zal de rechtbank met ingang van de datum van deze beschikking het bedrag van € 25,- per maand vaststellen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. 3.5.7. Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing. 3.6. Afwikkeling van het partnerschapsvermogensregime 3.6.1. Partijen zijn na 1 januari 2018 een geregistreerd partnerschap aangegaan, zodat zij in een (inmiddels ontbonden) beperkte gemeenschap van goederen zijn geregistreerd. Dit betekent dat alleen hetgeen partijen tijdens het geregistreerd partnerschap hebben opgebouwd en de goederen die voor het geregistreerd partnerschap aan hen gezamenlijk toebehoorden tot de beperkte gemeenschap behoren. Het vermogen van partijen vóór hun geregistreerd partnerschap blijft privévermogen. 3.6.2. Partijen verzoeken de wijze van verdeling van de tussen hen bestaande beperkte gemeenschap te gelasten op de door ieder van hen voorgestelde wijze. Verder stellen beide partijen een of meerdere vergoedingsrechten op elkaar te hebben. 3.6.3. Bij genoemde beschikking van 22 juli 2022 heeft deze rechtbank voor wat betreft de voormalige echtelijke woning en de daarop rustende hypothecaire geldlening alvast de wijze van verdeling gelast. Volgens partijen dan wel één van hen bestaat de beperkte gemeenschap op de - niet in geschil zijnde peildatum 13 december 2019 - daarnaast uit de volgende bestanddelen: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.