Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 20/3696 tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht van 15 december 2021 in de zaak tussen [naam eiseres], te [vestigingsplaats eiseres], eiseres, gemachtigde: mr. A.M. Wuisman, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder, gemachtigde: H. van Haaften. Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam] , te [woonplaats], werkneemster van eiseres (werkneemster), gemachtigde: mr. D. Sarikas. Procesverloop Bij besluit van 5 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat werkneemster met ingang van 6 januari 2020 geen recht meer heeft op uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij besluit van 16 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van werkneemster gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen en beslist dat werkneemster vanaf 6 januari 2020 recht heeft op een ZW-uitkering. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bij beslissing van 8 oktober 2020 bepaald dat kennisneming van de medische stukken is voorbehouden aan de gemachtigde van eiseres, mr. A.M. Wuisman. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2021. Eiseres en verweerder zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Werkneemster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.E. Palit (via een videoverbinding). Overwegingen 1. Werkneemster heeft de rechtbank geen toestemming gegeven om gedingstukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan de werkgeefster te brengen. Gelet hierop zal de rechtbank de motivering van haar oordeel voor zover nodig beperken om te voorkomen dat die gegevens langs deze weg alsnog in de openbaarheid worden gebracht. 2. Werkneemster is werkzaam geweest als callcenter agent voor 22,03 uur per week. Op 16 september 2018 heeft werkneemster zich voor dit werk ziek gemeld. Op 13 augustus 2019 heeft een eerstejaars ZW-beoordeling plaatsgevonden. Verweerders arts heeft geconcludeerd dat bij werkneemster sprake is van verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek en dat zij is aangewezen op werkzaamheden die voldoen aan wat is vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige heeft vervolgens met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen geconcludeerd dat werkneemster niet in staat is het eigen werk te verrichten. Wel heeft hij met inachtneming van de mogelijkheden en beperkingen van werkneemster een aantal gangbare functies geduid. Op basis van de mediaanfunctie (de middelste van de eerste drie genoemde functies) is werkneemster, volgens de arbeidsdeskundige, in staat om meer dan 65% van het maatmaninkomen te verdienen, te weten meer dan 100%. Bij het primaire besluit heeft verweerder de ZW-uitkering van werkneemster met ingang van 6 januari 2020 beëindigd, op de grond dat werkneemster met ingang van 15 september 2019 meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. 3. In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat werkneemster op de datum in geding ongeschikt is voor de maatstaf ‘zijn arbeid’. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep het primaire besluit herroepen en beslist dat de ZW-uitkering van werkneemster met ingang van 6 januari 2020 wordt voortgezet. 4. In beroep voert eiseres – samengevat – aan dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende zorgvuldig is uitgevoerd, omdat er geen dan wel te weinig informatie bij behandelaars is opgevraagd. Daarnaast zijn volgens eiseres de claimklachten onvoldoende beschreven en is het dagverhaal onvoldoende uitgevraagd, dan wel beschreven. Eiseres stelt dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende duidelijk is vastgelegd en/of onvoldoende reproduceerbaar is en dat de redeneringen en conclusie niet innerlijk consistent zijn. Volgens eiseres lijkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep voorbij te zijn gegaan aan het feit dat aan het primaire besluit een eerstejaars ZWbeoordeling ten grondslag ligt en had de verzekeringsarts bezwaar en beroep moeten beoordelen of de FML die door de arts is opgesteld, nog actueel is op de datum in geding. Voor zover dat niet het geval is, had de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgens eiseres de FML beargumenteerd moeten aanpassen, waarna er een arbeidsdeskundig onderzoek verricht had moeten worden op grond van de vraag of werkneemster meer dan 65% van het maatmaninkomen kan verdienen. 5. Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW, heeft de verzekerde die geen werkgever heeft, nadat na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld indien de verzekerde (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.