← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2021:12470

RECHTBANK ROTTERDAM Zaaknummer: 9266228 \ CV EXPL 21-2523 uitspraak: 9 december 2021, bij vervroeging vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CUSTODIAN VESTEDA FUND I B.V., gevestigd te Amsterdam, eiseres, gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders Eindhoven, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats gedaagde] , gedaagde, gemachtigde: mr. M.R. Dill. Eiseres wordt hierna ook aangeduid als “Vesteda” en gedaagde als “ [gedaagde] ”.

  1. Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure volgt uit het volgende: het exploot van dagvaarding van 6 mei 2021, met producties; het herstelexploot van 28 mei 2021, met producties; de conclusie van antwoord, met producties; het tussenvonnis van 19 augustus 2021 waarin een mondelinge behandeling is bepaald; het rolbericht van Vesteda van 29 september 2021, waarbij zij haar vordering tegen [naam] (hierna: [naam] ) heeft ingetrokken; de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door Vesteda in het geding gebrachte producties; de aantekening dat op 26 november 2021 de mondelinge behandeling is gehouden. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.
  2. De vaststaande feiten Uitgegaan wordt van de volgende feiten: Tussen Vesteda enerzijds en [gedaagde] en [naam] anderzijds is een huurovereenkomst tot stand gekomen ten behoeve van de woning met aanhorigheden aan het [adres] (hierna: de woning). [naam] heeft de woning verlaten en de huurovereenkomst tussen haar en Vesteda is beëindigd. De huurovereenkomst tussen Vesteda en [gedaagde] is door [gedaagde] opgezegd per 4 oktober
  3. De vordering, de grondslag en het verweer 3.1 Vesteda heeft – na vermeerdering van eis – gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: de tussen partijen bestaande huurovereenkomst betreffende de woning te ontbinden; [gedaagde] te veroordelen om de woning binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis met alle zich daarin bevindende personen en zaken te verlaten en te ontruimen en onder afgifte van de sleutels en hetgeen daartoe verder behoort ter vrije en algehele beschikking van Vesteda te stellen; [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Vesteda te voldoen: a. een bedrag van € 3.216,22 – zijnde € 2.865,- aan hoofdsom, € 4,55 aan rente en € 346,67 aan buitengerechtelijke kosten inclusief btw – te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 29 april 2021 tot aan de dag van voldoening; b. een bedrag van € 955,- per maand, te rekenen na 30 april 2021 tot en met 30 juni 2021, en een bedrag van € 971,84 per maand, te rekenen vanaf 1 juli 2021 tot aan het tijdstip dat de onderhavige huurovereenkomst wordt ontbonden; c. een bedrag van € 971,84 per maand voor elke maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft de woning te ontruimen en ter beschikking van Vesteda te stellen, ingaande op het tijdstip waarop onderhavige huurovereenkomst wordt beëindigd; d. de kosten van de procedure. 3.2 Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Vesteda aan haar eis het volgende ten grondslag gelegd. De huurovereenkomst tussen Vesteda en [gedaagde] is met wederzijds goedvinden beëindigd met ingang van 4 oktober
  4. Aangezien [gedaagde] zich vanaf deze datum zonder recht of titel in de woning bevindt en de woning tot op heden nog niet heeft verlaten, heeft Vesteda belang bij de gevorderde ontruiming van de woning. Voorts is [gedaagde] uit hoofde van de overeenkomst gehouden tot betaling van de verschuldigde (geïndexeerde) huur tot 4 oktober 2021 alsmede eenzelfde bedrag per maand aan gebruiksvergoeding vanaf deze datum. 3.3 [gedaagde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Op hetgeen hij in dit kader heeft aangevoerd, zal – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil worden ingegaan.
  5. De beoordeling van het geschil 4.1 Tussen partijen staat vast dat de huurovereenkomst door opzegging door [gedaagde] is geëindigd met ingang van 4 oktober
  6. Vesteda heeft dan ook geen belang meer bij de door haar gevorderde ontbinding en deze zal dan ook worden afgewezen. 4.2 [gedaagde] niet heeft weersproken dat hij zich vanaf 4 oktober 2021 zonder recht of titel in de woning bevindt. Hij heeft de kantonrechter verzocht hem een langere termijn te gunnen om het gehuurde te verlaten, maar hij heeft zijn belang op dit punt niet althans onvoldoende onderbouwd. De door Vesteda gevorderde ontruiming binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis zal dan ook worden toegewezen. 4.3 Ten aanzien van het door Vesteda als productie 1 bij haar akte van 23 november 2021 overgelegde overzicht, heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat alle door hem verrichte betalingen in dit overzicht zijn verwerkt en dat hij de hoogte van de achterstand erkent. Met betrekking tot de gevorderde achterstand tot en met 29 april 2021 volgt uit dit overzicht dat, na aftrek van de conform artikel 6:44 BW in mindering geboekte betalingen, nog een bedrag resteert van € 385,
  7. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen. 4.4 Aangezien de huurovereenkomst tussen partijen eerst per 4 oktober 2021 is geëindigd, is [gedaagde] tot die datum uit hoofde van deze overeenkomst gehouden tot betaling van de overeengekomen huur. [gedaagde] heeft inhoudelijk geen verweer gevoerd tegen de verhoging van de maandelijkse huurprijs van € 955,- tot € 971,84 met ingang van 1 juli
  8. De gevorderde huur van € 955,- per maand over de periode van 30 april 2021 tot en met 30 juni 2021 en € 971,84 per maand over de periode van 1 juli 2021 tot 4 oktober 2021 zal dan ook worden toegewezen. 4.5 Nu [gedaagde] de woning op 4 oktober 2021 niet heeft ontruimd is hij op grond van het bepaalde in artikel 7:225 BW vanaf deze datum de gebruiksvergoeding verschuldigd gelijk aan de dan geldende huurprijs. De gebruiksvergoeding van € 971,84 per maand vanaf 4 oktober 2021 zal dan ook worden toegewezen tot en met de maand van ontruiming en terbeschikkingstelling van de woning aan Vesteda. 4.6 De onweersproken gebleven rente zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen op de wijze als in het dictum weergegeven. 4.7 [gedaagde] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure.
  9. De beslissing De kantonrechter: veroordeelt [gedaagde] om de woning binnen 14 dagen na de datum van betekening van dit vonnis met alle zich daarin bevindende personen en zaken te verlaten en te ontruimen en onder afgifte van de sleutels en hetgeen daartoe verder behoort ter vrije en algehele beschikking van Vesteda te stellen; veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Vesteda te voldoen: een bedrag van € 385,64 te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 2.865,- vanaf 29 april 2021 tot aan de respectievelijke dagen van voldoening; een bedrag van € 955,- per maand, te rekenen na 30 april 2021 tot en met 30 juni 2021; een bedrag van € 971,84 per maand, te rekenen vanaf 1 juli 2021 voor elke maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft de woning te ontruimen en ter beschikking van Vesteda te stellen; veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Vesteda vastgesteld op € 615,22 aan verschotten en € 622,- aan salaris voor de gemachtigde; verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting. 590

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.