Rechtbank Rotterdam Team familie zaaknummer / rekestnummer: C/10/593074 / FA RK 20-1690 Beschikking van 6 januari 2021 betreffende het ouderlijk gezag en de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht in de zaak van: [naam man] , de man, wonende te [woonplaats man] , advocaat mr. R.A.H. Vullings te Breda, t e g e n [naam vrouw] , de vrouw, wonende te [woonplaats vrouw] , advocaat mr. F. Borger van der Burg-Holstege te 's-Gravenhage. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 12 maart 2020; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 20 november 2020; de brief met bijlagen van de man van 29 juni 2020 en het F9-berichten van de man van 6 augustus 2020; de F9-berichten van de vrouw van 30 juni 2020 en 30 juli 2020. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 december 2020. Daarbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat; de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, waarbij de vrouw is gehoord via beeld- en geluidverbinding overeenkomstig de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid; de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam]. 1.3. Tijdens de mondelinge behandeling is door de advocaat van de vrouw een pleitnotitie overgelegd. 2. De vaststaande feiten 2.1. De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van de minderjarige: [naam kind] , geboren op [geboortedatum kind] 2016 te [geboorteplaats kind] . 2.2. De man heeft de minderjarige voor zijn geboorte erkend. 2.3. De vrouw heeft van rechtswege het ouderlijk gezag over de minderjarige. 2.4. Bij kort gedingvonnis van deze rechtbank van 27 mei 2020 is een voorlopige regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht bepaald, inhoudende dat, zolang de minderjarige in Zeeland woont en totdat daarover nader is beslist in de bodem-procedure met zaaknummer C/10/593074 en rekestnummer 20-1690, de minderjarige bij de man zal zijn: eenmaal in de veertien dagen van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur; tijdens de zomervakantie van 27 juli 2020 17:00 uur tot 16 augustus 2020 17:00 uur; zolang de vrouw nog niet is verhuisd naar Schotland, gedurende de helft van de overige vakanties en feestdagen, in onderling overleg tussen partijen te bepalen. De ouder bij wie de minderjarige het laatst verbleef, brengt de minderjarige naar de andere ouder. Voorts is vastgesteld dat de minderjarige voorlopig, vanaf het moment dat hij in Schotland woont en tot dat daarover nader is beslist in voornoemde bodemprocedure, bij de man zal zijn als volgt: één keer per twee maanden een weekend van vrijdagavond tot zondagavond in Nederland, waarbij de vrouw de minderjarige haalt en brengt; één keer per twee maanden een weekend van vrijdagavond tot zondagavond in Schotland, waarbij de vrouw de kosten hiervan voor haar rekening kan nemen en voor verblijf van de man kan zorgdragen; 60% van alle schoolvakanties; belangrijke familiedagen en feestdagen in Nederland, voor zover dit met de schooldagen van de minderjarige mogelijk is en zo mogelijk nog andere weekenden. Daarnaast mag de man wekelijks een FaceTime moment met de minderjarige hebben. 3. De beoordeling 3.1. Rechtsmacht en toepasselijk recht 3.1.1. De vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt ten aanzien van de verzoeken van de man, moet de rechter ambtshalve beoordelen. 3.1.2. De verzoeken van de man vallen onder de materiële reikwijdte van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna: Verordening Brussel II bis). 3.1.3. Op grond van artikel 8, lid 1, Brussel II bis zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt, dat wil zeggen het tijdstip waarop het inleidend gedingstuk wordt ingediend (zie artikel 16, lid 1, onder a, Verordening Brussel II bis). Het op basis van artikel 8, lid 1, Verordening Brussel II bis aangewezen gerecht blijft bevoegd, zelfs wanneer de gewone verblijfplaats van het betrokken kind in de loop van een procedure wordt gewijzigd. De procedure is bij de Nederlandse rechter aangevangen met de indiening van het verzoekschrift van de man, dat bij deze rechtbank is ingekomen op 12 maart 2020. Gedurende de procedure, namelijk per 1 juli 2020, is de vrouw met de minderjarige en haar nieuwe echtgenoot naar Scholtand verhuisd. Op grond van het perpetuatio fori-beginsel blijft de Nederlandse rechter in beginsel bevoegd. 3.1.4. Onder “gewone verblijfplaats” in de zin van artikel 8, lid 1, Verordening Brussel II bis moet de maatschappelijke woonplaats van het kind worden verstaan. Het betreft dus niet zozeer de vraag waar het kind staat ingeschreven dan wel formeel woonachtig is, maar veeleer met welke plaats het kind door banden van maatschappelijke aard (duurzaam) is verbonden. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (vgl. HvJ EG 2 april 2009, zaak C-523, NJ 2009/457) moet het begrip gewone verblijfplaats aldus worden uitgelegd dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het kind naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. Het is aan de nationale rechter om de gewone verblijfplaats van het kind te bepalen, rekening houdend met alle feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elke zaak. 3.1.5. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Vast staat dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige ten tijde van de indiening van het verzoekschrift in Nederland was. Partijen verschillen van mening of de gewone verblijfplaats van de minderjarige nadien is gewijzigd als gevolg van zijn verhuizing naar Schotland. Als dit het geval is, zou dit betekenen dat de Nederlandse rechter Schots recht zou moeten toepassen op de voorliggende verzoeken, in welk geval de vrouw de Nederlandse rechter verzoekt zaak te verwijzen naar de Schotse rechter op grond van artikel 15 lid 1 Verordening Brussel II bis. 3.1.6. De minderjarige heeft vanaf zijn geboorte op [geboortedatum kind] 2016 drie jaar in Nederland als gezin met zijn ouders samengeleefd en vervolgens nog ruim een jaar alleen met de vrouw. De vrouw is per 1 juli 2020 met de minderjarige en haar nieuwe echtgenoot - met wie zij in oktober 2019 is gehuwd - naar [woonplaats vrouw] verhuisd. Gelet hierop heeft de minderjarige met zijn ouders een veel langere tijd in Nederland gewoond dan dat hij met de vrouw en haar nieuwe partner in Schotland woont. De minderjarige woont ten tijde van de mondelinge behandeling vijf maanden in Schotland en zal minstens 60 dagen per jaar in Nederland zijn in het kader van de omgang met zijn vader. De vrouw geeft een financiële reden voor de verhuizing naar Schotland namelijk dat haar huidige partner in Nederland geen werk kan vinden en in Schotland een baan aangeboden heeft gekregen. Verder stelt de vrouw dat zij en haar nieuwe partner zich permanent in Schotland willen vestigen, en niet de intentie hebben ooit naar Nederland terug te keren of zich in een ander land willen vestigen. Uit deze wens kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat hiermee sprake is van een permanent verblijf in Schotland. Daarvoor is de periode nog te kort en zijn de omstandigheden nog te onzeker, mede gelet op de coronamaatregelen. De minderjarige heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft een stuk overgelegd waaruit blijkt dat de minderjarige op 12 september 2020 de ‘pre-settled status’ heeft verkregen. Nog daargelaten dat de minderjarige al sinds zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit heeft, is de status van ‘pre-settled’ niet hetzelfde als het verkrijgen van de Engelse nationaliteit, maar alleen een toestemming om gedurende vijf jaar in het Verenigd Koninkrijk te mogen verblijven. De minderjarige is op 12 augustus 2020 op school in de buurt van zijn huis in Edinburgh begonnen. In Nederland is de minderjarige vanaf 2 maart 2020 tot aan de zomervakantie naar school gegaan. Hij heeft dus op beide scholen ongeveer even lang gezeten, maar hij beheerst op dit moment de Nederlandse taal beter dan Engelse of de Schotse taal, ook al is bekend dat kinderen op jonge leeftijd snel leren. In Schotland heeft de minderjarige naast de band met zijn moeder en zijn stiefvader, sinds hij naar school gaat ook contact met schoolkinderen en vriendjes. Daar tegenover staat dat de minderjarige in Nederland zijn vader heeft met wie hij de afgelopen vier jaar een band heeft opgebouwd en met wie hij drie jaar in gezinsverband heeft samengeleefd, met wie hij tenminste 60 dagen per jaar door zal brengen in het kader van de omgang en met wie hij wekelijks contact heeft via Facetime. Verder heeft de minderjarige in Nederland grootouders en andere familieleden van beide ouders met wie hij een band heeft en zal houden in het kader van de omgang. 3.1.7. Alles bij elkaar genomen is de rechtbank van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige sinds zijn vertrek naar Schotland niet is gewijzigd. De Nederlandse rechter is dus bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op de verzoeken van de man. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan het verzoek van de vrouw om de zaak naar de Schotse rechter te verwijzen. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen. 3.2. Gezag 3.2.1. De man verzoekt te bepalen dat hij gezamenlijk met de vrouw het gezag over de minderjarige wordt belast. 3.2.2. De vrouw voert gemotiveerd verweer 3.2.3. Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, wordt een dergelijk verzoek op grond van het tweede lid van genoemd wetsartikel slechts afgewezen indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.