← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2021:12957

RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 9280502 \ CV EXPL 21-20762 uitspraak: 22 oktober 2021 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DGB Energie B.V., gevestigd te: Hardenberg, eiseres bij exploot van dagvaarding van 7 juni 2021, gemachtigde: mr. T. Waissi van Argus B.V. te Hardenberg, tegen [gedaagde] , woonplaats: [woonplaats gedaagde], gedaagde, die in persoon procedeert. Partijen worden hierna aangeduid als DGB respectievelijk [gedaagde].

  1. Het verloop van de procedure Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken: het exploot van dagvaarding, met producties; de aantekeningen van de griffier van het op de rolzitting van 1 juli 2021 door [gedaagde] gegeven mondelinge antwoord; de conclusie van repliek, met producties; de aantekeningen van de griffier van de op de rolzitting van 25 augustus 2021 door [gedaagde] gegeven mondelinge reactie op de conclusie van repliek en de daarbij overgelegde producties. 1.2 De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis (nader) bepaald op heden.
  2. Het geschil 2.1 DGB heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen: tot betaling van een bedrag van € 725,62, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag van opeisbaarheid, althans vanaf een door de kantonrechter te bepalen datum, tot aan de datum van algehele voldoening, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis; in de proceskosten, met inbegrip van ter zake bestaande gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis -voor het geval voldoening aan de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot de dag van algehele voldoening en met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de nakosten. 2.2 DGB heeft -zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang- het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Tussen DGB en [gedaagde] is een leveringsovereenkomst met betrekking tot de levering van gas en elektriciteit gesloten. DGB heeft uit hoofde van deze overeenkomst in de periode 29 november 2019 tot 1 mei 2020 elektriciteit en gas geleverd. [gedaagde] is, ondanks daartoe te zijn aangemaand, tekort geschoten in de nakoming van de met DGB gesloten leveringsovereenkomst door de eindnota’s voor de levering van elektriciteit en gas van 21 mei 2020 van respectievelijk € 431,84 (incl. btw) en € 293,78 (incl. btw) onbetaald te laten. DGB vordert uit hoofde van nakoming van de overeenkomst een bedrag van in totaal € 725,62 aan hoofdsom. Naast dit bedrag vordert DGB op grond van artikel 6:119 BW en artikel 12.6 van de toepasselijke algemene voorwaarden wettelijke rente over dit bedrag. De wettelijke rente bedraagt, berekend tot en met 7 juni 2021, € 13,
  3. Verder heeft zij op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 108,84 gevorderd. 2.3 [gedaagde] heeft verweer gevoerd dat zich als volgt laat samenvatten. [gedaagde] betwist dat hij een leveringsovereenkomst met DGB heeft gesloten. Er zijn geen stukken waaruit het bestaan van de door DGB gestelde overeenkomst blijkt. [gedaagde] was ineens klant bij zowel Eneco als DGB. [gedaagde] heeft geprobeerd één en ander uit te zoeken door naar DGB te bellen en te mailen, maar zonder resultaat. [gedaagde] heeft twee jaar niets gehoord. Op een gegeven moment ontving hij dreigementen dat hij zou worden afgesloten. [gedaagde] heeft nooit klant van DGB willen zijn en heeft ook geen gas en elektriciteit van DGB willen afnemen. [gedaagde] is dan ook niets aan DGB verschuldigd.
  4. De beoordeling 3.1 DGB vordert bij dagvaarding betaling van de eindnota’s voor elektriciteit en gas van in totaal € 725,
  5. Zij legt aan deze vordering nakoming van de volgens haar met [gedaagde] gesloten leveringsovereenkomst ten grondslag. 3.2 [gedaagde] heeft de vordering van DGB gemotiveerd betwist en daartoe -onder meer- gesteld dat hij geen overeenkomst met DGB is aangegaan en bovendien al een overeenkomst met Eneco had. 3.3 Gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] had het op de weg van DGB gelegen om haar stellingen nader te onderbouwen. Dit heeft zij onvoldoende gedaan. DGB heeft bij conclusie van repliek slechts haar eerder ingenomen standpunt dat tussen haar en [gedaagde] een leveringsovereenkomst is gesloten herhaald. Zij heeft niets gesteld over de totstandkoming van de volgens haar geldende overeenkomst. [gedaagde] betwist dat hij de contractbevestiging waar DGB naar verwijst heeft ontvangen. Stukken die naar [gedaagde] verwijzen, zoals een aanmeldformulier, e-mails afkomstig van [gedaagde] of een door [gedaagde] ondertekende overeenkomst ontbreken. Anders dan DGB meent, blijkt uit de enkele stelling dat de eindnota’s op basis van het daadwerkelijk verbruik zijn opgesteld niet dat [gedaagde] klant is geweest en dus een overeenkomst heeft gesloten met DGB. Dat blijkt ook niet uit de stelling dat het in Nederland niet mogelijk is om meerdere energieleveranciers te hebben. DGB had op zijn minst aan de hand van de gegevens uit het EDSN register inzichtelijk moeten maken dat zij in de periode 29 november 2019 tot 1 mei 2020 leverancier was aan een adres waar [gedaagde] op dat moment woonachtig was. Uit de stelling dat [gedaagde] een betalingsregeling heeft getroffen blijkt evenmin het bestaan van een onderliggende overeenkomst. 3.4 De kantonrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat DGB niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Nu DGB geen bewijsaanbod heeft gedaan, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Nu niet vast staat dat tussen DGB en [gedaagde] een overeenkomst tot stand is gekomen en geen andere grondslag voor de vordering is gesteld worden de vorderingen van DGB bij gebreke van een deugdelijke grondslag afgewezen. 3.5 DGB wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, aan de kant van [gedaagde] vastgesteld op nihil.
  6. De beslissing De kantonrechter: wijst de vorderingen af; veroordeelt DGB in de proceskosten die aan de kant van [gedaagde] worden vastgesteld op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings en uitgesproken ter openbare terechtzitting. 426

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.